Handboek waarnemen -  De atmosferische druk
 
De atmosferische druk is de kracht per oppervlakte eenheid die het gevolg is van het gewicht van de atmosfeer boven het meetpunt. Deze druk is derhalve gelijk aan het gewicht van de totale verticale luchtkolom boven het eenheidsoppervlakte

De gemeten luchtdruk (P)

De gemeten luchtdruk is de waarde van de luchtdruk op sensorlocatie en sensorhoogte.

De stationsluchtdruk (P0)

Deze variabele is de luchtdruk herleid uit de gemeten luchtdruk en naar de officiële hoogte van het waarneemstation. Deze hoogte wordt stationshoogte of stationsniveau genoemd en is bepaald ten opzichte van het gemiddeld zeeniveau. In Nederland mag hiervoor ook het NAP Nieuw Amsterdams Peil worden genomen. De herleidingswaarde wordt bepaald uit het gewicht per oppervlakte eenheid van de luchtkolom tussen sensorniveau en stationsniveau. Traditioneel is deze kolomhoogte ca. 1,50 meter.
Bij luchtvaartterreinen is de hoogte boven het gemiddeld zeeniveau van de operationele baandrempel, c.q. het luchtvaartterrein ook relevant. 
In het geval dat het absolute verschil tussen deze hoogte en de officiële stationshoogte meer dan 2 m is, wordt de stationsluchtdruk bepaald door
de gemeten luchtdruk te  herleiden naar deze hoogte in
plaats van naar het officiële stationsniveau.

QFE

Met deze code wordt in de synoptische berichtgeving en de berichtgeving aan de luchtvaart (metar) de stationsluchtdruk aangeduid.

Luchtdruk, herleid naar zeeniveau

Deze variabele is de luchtdruk herleid uit de stationsluchtdruk naar het gemiddeld zeeniveau door middel van een factor. Deze factor wordt gevonden door bij statiosnluchtdrukhet gewicht per oppervlakte eenheid op te tellen (c.q. af te trekken als het station onder zeeniveau ligt) van de (virtuele) luchtkolom tussen stationsniveau (c.q. niveau luchtvaartterrein, c.q. baandrempel) en zeeniveau. De (virtuele) luchtkolom wordt verondersteld onderhevig te zijn aan de actuele atmosferische omstandigheden ter plekke van het station (dit is: actuele 1,50 m luchttemperatuur, en actuele luchtdruk. Op het gemiddeld zeeniveau (van toepassing voor Nederlandse stations en stations op de Noordzee) is de herleiding gebaseerd op
ca. 0,125 hPa/m.

Opmerkingen:

In het geval van de stations van het Meetnet Noordzee is de herleiding gebaseerd op de hoogte van het landingsplatform ten opzichte van het gemiddeld zeeniveau en dus vande werkelijke luchtkolom tussen platform en het zeeoppervlak.

QNH

Deze term wordt gebruikt voor de afstelling van de subschaal van een hoogtemeter in het vliegtuig. In deze schaal wordt gebruik gemaakt van het verband van hoogte en luchtdruk volgens de gedefinieerde relatie, de standaard atmosfeer te weten QNH = A+B.

QFE

De factoren A en B hangen slechts af van de geopotentiaal van het station. Vanwege deze eenvoudige berekeningsgrondslag en omdat in
Nederland de herleidingsfactor gering is (<1,04), is qnh ingeburgerd als qfe herleid tot het gemiddeld zeeniveau in de standaard atmosfeer, als alternatief voor P omdat het verschil tussen qnh en P kleiner is dan de toegestane meetonzekerheid mogen ze door elkaar worden gebruikt.

De luchtdrukverandering (tendens)

De luchtdrukverandering wordt in de synop aan gegeven met a en p.

Onderscheiden worden:
p:
de grootte van de verandering in een bepaald tijdvak (3 uur); in feite gebaseerd op het absolute verschil tussen de stationluchtdruk en de waarde
    van 3 uur geleden en de actuele luchtdruk.

a:
het karakter (weergegeven met het codecijfer 0 t/m 8) van de verandering in dit tijdvak (bijvoorbeeld continu stijgend of eerst stijgend en dan
    weer dalend, enz.). De definitie van dit karakter gaat uit van een continue registratie van drukwaarden.
 
Instrumenten en de techniek
 
Als operationeel meetinstrument in de waarneemstations wordt door het knmi de digitale barometer Paroscientific, model 1015A gebruikt.
De meetonzekerheid onder laboratorium condities van dit instrument is 0,03 hPa, dus beter dan de operationeel vereiste nauwkeurigheid
van 0,1 hPa. Het meetbereik van het meetsysteem is: 940,0 – 1060,0 hPa, conform het door het knmi gekozen gebied voor operationele drukwaarnemingen.
 
Opbouw luchtdrukmeter 
 
Paroscientific 1015A barometer 
 
Opstelling luchtdrukmeter  in waarnemingsmast 
 
Beschrijving en werking Paroscientific 1015A:
De barometer maakt gebruik van een “Digiquartz Pressure Transducer", gebaseerd op een resonator van dun kwarts kristal.(3). Dit piezo elektrische materiaal wordt met behulp van een wisselspanning geexiteerd en in resonantie gebracht. De resonantie frequentie wordt vervolgens bepaald.
Deze is namelijk een functie van de mechanische druk die via een balans (2) en de atmosferische druk overbrenger (1) op het kristal wordt overgebracht. Naast de basis resonantie frequentie worden ook boventonen gemeten, waardoor na berekening , de temepratuur invloed wordt geëlimineerd.

Back-up meetinstrument

Op bemande stations waar slechts één enkel operationeel standaard meetinstrument aanwezig is, is voor het geval  dit instrument buiten gebruik
is ook een backup instrument aanwezig, die met de hand wordt bediend met een meetonzekerheid van 0,3 hPa.  Omgevingscondities
De wind kan drukmetingen sterk beïnvloeden. Niet alleen zijn meetfouten van meer dan 1 hPa mogelijk, ook kunnen sterke drukfluctuaties plaatsvinden.Met name bij metingen in gebouwen wordt veel hinder ondervonden (drukopbouw, c.q. zuigende werkingen). Gemeten moet daarom worden in een omgeving waarbij dit effect zo klein mogelijk is en met behulp van een zogenaamde “statische buis".

Opstellingseisen en -voorzieningen:

Kwalitatieve eisen met betrekking tot de opstelling van de meetapparatuur in een operationeel waarneemstation zijn:
a) er moet sprake zijn van ongestoorde lucht, dat wil zeggen de drukwaarneming mag niet beïnvloed worden door luchtwervelingen ten gevolge van
    de wind, maar ook niet als gevolg van passerende objecten
b) er mag geen beïnvloeding van de drukwaarneming zijn door wind of luchtwervelingen als gevolg van ruwheid of losstaande objecten;
   (plotselinge) beïnvloeding van de luchttemperatuur en daarmee van de drukwaarneming, bijvoorbeeld door direct zonlicht, lamplicht,
    verwarmingsapparatuur, e.d., moet vermeden worden.
c) er moet sprake zijn van een trillingvrije opstelling. De opstellingseisen betreffen zowel het operationele instrument als een eventuele
    back-up barometer.

Door de druksensor in een speciale behuizing te plaatsen, die gekoppeld is aan een zogeheten statische buis kan hieraan worden voldaan.
De ingang van deze buis dient zodanig te worden geplaatst dat de kans op bovengenoemde invloeden minimaal is.

Door een geschikte lengte van de buis te kiezen kunnen eventueel toch optredende storingen zo goed mogelijk uitgedempt worden. Een geschikte methode is het bevestigen van druksensor en statische buis aan de windmast, waarbij de sensor zich op een hoogte van ca. 1,5 meter boven het maaiveld bevindt en de ingang van de statische buis op een hoogte van ca. 8 meter boven het maaiveld. (de invloed van de windmast op het drukveld en op de representativiteit van de waarneming is nihil).

Indien een dergelijke opstelling niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een windmast en ook in het geval van de back-up metingen, dienen toch zodanige meetomstandigheden gecreëerd te worden dat voldaan wordt aan bovenstaande vereisten.

Condities m.b.t. omgeving en meetlocatie, c.q. representativiteit waarnemingen

Ten einde de representativiteit van de waarnemingen voor de omgeving te waarborgen, mogen zich in de directe omgeving van de meetlocatie geen vaste of bewegende obstakels bevinden:
a) de afstand van de meetopstelling ten opzichte van de meest nabije vaste grote objecten, zoals gebouwen, bomen, bosranden e.d. dient
    tenminste 5 maal de hoogte van de betreffende objecten te zijn; voorbeeld: de afstand tot een gebouw met een hoogte van 15 meter moet
    ten minste 75 meter zijn;
b) de afstand tot (structureel of ad hoc) bewegende objecten (vergelijk autoverkeer of passerende vliegtuigen op start-of landingsbaan) moet
    ten minste 200 meter zijnecten, zoals gebouwen, bomen, bosranden e.d. dient
    tenminste 5 maal de hoogte van de betreffende objecten te zijn; voorbeeld: de afstand tot een gebouw met een hoogte van 15 meter moet
    ten minste 75 meter zijn;
b) de afstand tot (structureel of ad hoc) bewegende objecten (vergelijk autoverkeer of passerende vliegtuigen op start-of landingsbaan) moet
    ten minste 200 meter zijn

Bron: KNMI handboek waarnemen hoofstuk-3