Handboek waarnemen -  Bliksem
 
Onweer is onderdeel van een uitgebreide elektrische activiteit in de atmosfeer. Men spreekt in dit verband van het luchtelektrisch stroomcircuit.
In de atmosfeer komen ladingsdragers voor, zoals elektronen en positief of negatief geladen moleculen, ionen genaamd. Dergelijke ladingen worden veroorzaakt door kosmische stralen en in mindere mate  door natuurlijke radioactiviteit. Tevens kunnen ladingen gekoppeld zijn aan stofdeeltjes, waterdruppels of ijskristallen. De vaste aarde en de oceanen zijn goede geleiders. De geleidbaarheid in de onderste 20 km van de atmosfeer is
echter slecht. Vanaf ca. 50 km hoogte is er sprake van een spectaculair toenemende ionisatie. Deze laag isde ionosfeer. De ionosfeer heeft een continu spanningsverschil van +300000 volt ten opzichte van het aardoppervlak: het zo geheten mooi weer veld . Ondanks de slechte geleiding van lucht is er toch sprake van een kleine lekstroom tussen ionosfeer en aarde. Deze stroom maakt deel uit van het luchtelektrisch circuit.
De lekstroom uit de ionosfeer bedraagt gemiddeld slechts 2.7 microampère per vierkante km aardoppervlak. Over de hele aarde gerekend is de
totale stroomsterkte 1400 ampère. De stroom wordt gegenereerd door een 'batterij' in het luchtelektrisch circuit, namelijk alle onweersbuien die op een bepaald moment op de hele aarde aanwezig zijn, gemiddeld ca. 1500. Omdat die buien een totale lekstroomsterkte van 1400 ampère in stand houden laadt een gemiddelde onweersbui de ionosfeer derhalve met ca. 1 ampère.
 
Onweer
In sterk stijgende luchtstromingen kunnen buien ontstaan: daarbij is onweer mogelijk. Volgens de Internationale Wolkenatlas van de WMO is  de definitie van onweer:

“Eén of meer plotselinge elektrische ontladingen, waarneembaar als een lichtflits
 (bliksem) en een scherp rommelend geluid (donder)".


Men spreekt van weerlicht, als de bliksem in of achter een wolk oplicht, zodat het eigenlijke bliksemkanaal onzichtbaar blijft.

Wat onweer betreft, onderscheidt men warmtebuien, die bijvoorbeeld boven zonbeschenen grond ontstaan en frontale buien, die te maken hebben met langstrekkende storingen (depressies, fronten) in de atmosfeer. In beide soorten buien gebeurt van alles met druppels en ijskristallen: verticale bewegingen, onderlinge botsingen, bevriezing of smelten.
Bij die processen kan op allerlei manieren overdracht van lading plaats vinden. In de meeste buien verzamelt zich positieve lading boven in de wolken en de negatieve lading onder in de wolken. Het spanningsverschil tussen beide ladingen kan wel 300 miljoen volt bedragen, zodat de top sterk positief is ten opzichte van de ionosfeer en de onderzijde negatief ten opzichte van aarde. Aldus wordt de toestand gecreëerd die de opwaartse stroom veroorzaakt en dus uiteindelijk de oplading van de ionosfeer.
Het gaat hierbij om drie processen:
 
Verplaatsing van geladen deeltjes
bij de vorming van stapelwolken
 
• puntontlading (vanuit hoge objecten als torens en bomen): gemiddeld 3 microampère per vierkante km opwaarts;
• ontlading via bliksem: gemiddeld 0.6 microampère per vierkante km opwaarts;
• 0.9 microampère per vierkante km neerwaarts in de lading die met vallende neerslag de aarde bereikt.
  Netto totaal opwaarts dus 2,7 microampère per vierkante km

Verschillende mechanismen kunnen leiden tot ladingsscheiding. De belangrijkste voorwaarde voor het ontstaan van een onweerswolk is de sterke opstijgende luchtstroom.

Bliksem

De ladingsverdeling in de onweerswolk hoeft op zichzelf nog niet tot het ontstaan van plotselinge ontladingen, de bliksems, te leiden. Het gaat om een scala van factoren en triggers die uiteindelijk de bliksem veroorzaken. Door een onregelmatige verdeling van de ladingen in de wolk kan plaatselijk vonkvorming optreden. Hierdoor vindt dan ionisatie plaats en neemt de geleiding sterk toe. De hoogste spanningsverschillen verplaatsen zich waardoor elders weer vonken ontstaan en herhaalt zich het proces. Deze kettingreactie leidt tot een zichzelf voortplantend geleidend kanaal,
de zogenaamde voorontlading. Deze voorontlading is een kanaal c.q. stelsel kanalen gevuld met lading. De daalsnelheid van de voorontlading is ca.1500 km/sec. Eén of meer takken van de voorontlading kunnen dicht bij de grond komen, bijvoorbeeld op 100 m hoogte. Het kanaal heeft dan ongeveer de elektrische spanning van de wolk en de veldsterkte (volt per meter hoogteverschil) boven de grond loopt enorm op. Met name vanuit spitse punten kan dan krachtige vonkvorming in de richting van het naderende voorontladingskanaal optreden. Men noemt dit om begrijpelijke
redenen de vangontlading. De vangontlading is een stelsel vonken vanuit spitse punten. Zodra de vangontlading contact maakt is er een kort sluiting ontstaan tussen de ladingscentra in wolk en aarde. Door grote elektronenverplaatsing van de wolk naar de aarde vindt dan de hoofdontlading plaats. Dit verschijnsel, dat met hevig oplichten gepaard gaat, verplaatst zich met ca. 100000 km/sec. Vanwege de snelle herverdeling van lading in de wolk kan dit bliksemproces zich een aantal malen herhalen. Wat als één bliksem wordt waargenomen, bestaat dus vaak uit een aantal zogenaamde 'deelbliksems'.

Donder

De hoge temperatuur van het bliksemkanaal , 30000 °C, wordt in zeer korte tijd bereikt. De lucht in het kanaal zet zo snel uit, dat men van een explosie kan spreken. Een scherpe explosie-knal horen we dan ook bij een nabije inslag. Op grotere afstand gaat het effect van de betrekkelijk
lage geluidssnelheid, ruim 300 m/sec, een rol spelen. Indien het verste deel van het bliksemkanaal 5 km verder weg is dan het meest nabije deel,
zal de donder minstens 15 sec aanhouden. Echo's kunnen het rollend effect van de donder nog versterken.
 
  Wolk – wolk ontladingen
Deze betreffen bliksems die niet de grond bereiken. Met name als de wolkenbasis hoog is, zoals in de tropen, of in ons land op hete zomerdagen, vinden de meeste ontladingen in
de wolken plaats. Soms is dit binnen één wolk, soms tussen verschillende wolken.
De zo gevormde bliksems kunnen soms wel
100 km lang zijn.

Wolk – grond ontladingen

Men spreekt bij wolk – grond ontladingen ook van “inslagen" of “blikseminslagen".

Vier typen worden onderscheiden: negatief neerwaarts, negatief opwaarts, positief neerwaarts, positief opwaarts.
 
• negatief versus positief (negatief: elektronen van wolk naar aarde; positief: elektronen van aarde naar wolk)
Gewoonlijk bevindt zich de negatieve lading in de wolk boven het aardoppervlak. Er ontstaat dan een elektronenstroom van wolk naar aarde,
waarbij men dan spreekt van een negatieve ontlading. Zo’n ladingsverdeling in de wolk hoeft echter niet altijd het geval te zijn. Als de wolkentop bijvoorbeeld door de wind wegdrijft ten opzichte van de basis, kan ook een positieve lading min of meer vrij boven de grond optreden en zich naar de aarde ontladen. Dit pleegt vooral bij koud weer te gebeuren, in ons land dus vooral in herfst en winter. Deze voorkeur is niet onaannemelijk, omdat zich dan het -10 à -20 graad Celsius niveau met positieve lading op hoogten van slechts 2 à 3 km bevindt en niet op 4 à 6 km zoals in de zomer. Hierbij transporteren de ontladingen elektronen omhoog, zodat de plusstroomrichting naar de aarde gericht is. Men noemt dit positieve ontladingen. Kenmerkend voor positieve ontladingen is voorts de afwezigheid van meervoudige ontladingen. Dit houdt mogelijk verband met de mate waarin elektronen uit het aardoppervlak kunnen worden vrijgemaakt.
 

 
• neerwaarts versus opwaarts (neerwaarts: voorontladingskanaal verplaatst zich vanuit de wolk neerwaarts richting aarde;
  opwaarts:voorontladingskanaal verplaatst zich  vanuit het aardoppervlak opwaarts richting de wolk)

Gewoonlijk verplaatst het voorontladingskanaal zich vanuit de wolk neerwaarts richting de aarde. Indien de onweersbui over ongelijk terrein trekt,
kan de veldsterkte boven de hoogste toppen (uitsteeksels, berg- of heuveltoppen in geaccidenteerd terrein, etc.) zo hoog oplopen dat de
voorontlading daar begint en zich opwaarts verplaatst tot in de wolken. Dergelijke bliksems zijn minder hevig dan natuurlijke bliksems boven egaal terrein. Bliksems met beide typen voorontladingen (neerwaarts, c.q. opwaarts) komen zowel bij positieve als negatieve wolken voor, zodat we in
totaal - gelet op ladingsverdeling en beginpunt - 4 typen bliksems kunnen onderscheiden. Een gemiddelde bliksem haalt ca. 30 kiloampère.
Bij positieve bliksems komen soms waarden van 300 kiloampère voor. Hoe sneller de stroomsterkte stijgt, hoe meer storing of schade de bliksem
in bijvoorbeeld nabije elektronische apparaten kan veroorzaken, ook al worden deze niet zelf getroffen. Deze uitwerking op afstand heet inductie.
 
Instrumenten en techniek
 
Tussen 1976 en 1987 gebruikte het KNMI een netwerk van bliksemtellers. Dat zijn radio-ontvangers die storingen boven een bepaalde drempel registreren. Met enige moeite kon daarmee de regionale inslagdichtheid geschat worden.

Rond 1980 kwamen twee soorten systemen ten behoeve van bliksemdetectie beschikbaar, waarmee vrij nauwkeurig de plaats van inslagen bepaald kon worden. De eerste soort gebruikt antennes waarmee de richting van bliksemstoringen wordt gemeten. Met twee van zulke antennes kan door middel van kruispeiling de plaats van de bliksem gevonden worden.

Bij de tweede soort wordt de positie van bliksems bepaald uit de verschillen in looptijd van de radiostoring naar een drietal antennes. Inmiddels zijn
er systemen in de handel die beide methodes combineren. Bij dergelijke netwerken staan de antennes op ruim 100 km van elkaar, zodat een vrij groot gebied bewaakt kan worden.

In 1987 werd een netwerk volgens de looptijdmethode in gebruik genomen. Het KNMI kon real time beschikken over de data van het KEMA-netwerk. Voor de bliksemregistratie en het bliksemonderzoek in Nederland, inclusief op het KNMI, was dit een belangrijke stap voorwaarts.

De bovengenoemde netwerken hadden als bezwaar dat ze weinig gevoelig zijn voor horizontale ontladingen. Die kunnen echter toch gevaar opleveren en bovendien kunnen ze een waarschuwing bieden voor even later optredende inslagen. Daarom gebruikt het KNMI - in samenwerking met de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marine - sinds 1995 een netwerk dat alle typen ontladingen registreert. Dit systeem berust op interferometrie en is bekend onder de handelsnaam SAFIR (Surveillance et Alerte Foudre par Interférométrie Radioélectrique).
 
Deteciemast Hoogeveen 
 
VHF en LF golfvormen zoals waargenomen door een koppel detectiestations 
 
Het Nederlandse netwerk - toen nog bestaande uit 3 stations: Valkenburg, Deelen en De Kooy - is in 1997 gekoppeld aan een vergelijkbaar netwerk van het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (KMI/IRM), bestaande uit drie detectiestations (Oelegem, La Gileppe en Mourcourt).
De gebruikswaarde voor de zuidelijke provincies in Nederland is daarmee aanmerkelijk verbeterd. Tevens is aldus het detectiegebied vergroot tot Noord Frankrijk en de Zuidelijke Noordzee en is zo ook de waarschuwingstijd voor onweer effectief uitgebreid. In januari 200o is een meetmast in Hoogeveen in gebruik genomen waarmee de dekking in noordoost Nederland is toegenomen. Het aangepaste systeem FLITS (Flash Localisation
by Interferometry and Time of Arrival System)is operationeel geworden op 18 december 2003. Het FLITS-systeem is een upgrade van het SAFIR-systeem. De masten zijn moderner, evenals de processing van de software. 
 
Het nieuwe systeem impliceert 2 detectiemethodieken:
• detectie van CC ontladingen met behulp van interferometrie (dat was ook
  al mogelijk met het SAFIR-systeem);
• detectie van CG ontladingen op basis van looptijd en interferometrie.
  Mede als gevolg van de aanpassingen  kan een hogere nauwkeurigheid
  van de locatiebepaling gerealiseerd worden

Op vier plaatsen in Nederland, te weten in Valkenburg, Den Helder, Deelen, Hoogeveen, staan bliksemstations die de ontladingen detecteren.
Een bliksemstation bevat een mast van 17.5 m hoog, welke is uitgerust
met 3 sensoren:
• Een GPS antenne voor het vastleggen van de tijd en de onderlinge
  synchronisatie van de stations met een nauwkeurigheid van 1 µsec.
• Vijf plaatsbepalingsantennes, elk bestaande uit een verticale dipool
  antenne in een gelijkzijdige vijfhoek. Het ontvangstgebied is rond 110 MHz.
  Dit is in het zogeheten Very High Frequency (VHF)-gebied. De richting van
  de ontlading wordt bepaald uit het faseverschil tussen de signalen op de
  antennes afkomstig van dezelfde bliksem.
• Een lange-golf-antenne ( = 4 MHz) ten behoeve van signaalanalyse.
  De ontvangst is in het zogeheten Low Frequency (LF)-gebied.
  De meetresultaten van de masten worden naar een centrale unit op het
  KNMI in De Bilt gezonden. Aldaar worden de meetgegevens verzameld en
  worden de relevante grootheden berekend en opgeslagen. 
 
fig-3:  FLITS netwerk Nederland en Belgie
 
Het Systeem kent 2 optionele methodes voor de plaatsbepaling van ontladingen:
• Time of Arrival (TOA); hierbij wordt gebruik gemaakt van de tijdsverschillen tussen de ontvangen LF-signalen op de diverse detectiestations;
• Direction Finding: hierbij wordt gebruik gemaakt van de waargenomen hoeken van de ontvangen VHF- signalen op de diverse detectiestations.

Indien twee detectiemasten ongeveer gelijktijdig een signaal registreren, is er grote zekerheid dat het om dezelfde bliksem gaat. Van iedere bliksemontlading wordt door een station met behulp van interferometrie de hoek ten opzichte van het werkelijke noorden bepaald door middel van
de VHF lokalisatieantenne op de mast. Door combinatie van de synchrone hoekmetingen van 2 of meer verschillende stations kan een opgetreden ontlading worden gelokaliseerd. Synchronisatie van de stationsgegevens geschiedt met behulp van de tijdregistraties met de GPS-antennes van de stations. Er wordt eerst een voorlopige locatie bepaald, waarin looptijden nog niet zijn verdisconteerd. Vervolgens worden met behulp van de looptijden de signalen, zoals die door de detectie statons zijn opgevangen, gecorrigeerd. Daarna wordt nogmaals berekend of de waargenomen ontladingen tot dezelfde bliksemontlading hebben behoord.

De algoritmen voor de lokalisatie van de ontladingen op basis van de hoekmetingen hebben de volgende, door de geometrie bepaalde, beperkingen:
a) de hoek tussen de lijn van het station naar de ontladingsbron en de lijn van deze bron naar het andere betrokken station moet groter zijn dan
   15 booggraden en kleiner dan 150 booggraden;
b) de afstand van de betrokken stations tot de ontladingsbron moet groter zijn dan 20 km en kleiner dan 250km.

Een derde station moet dan uitkomst bieden. De plaatsbepaling gebeurt met een hoge tijdsresolutie, zodat achtereenvolgens verschillende lokalisaties van een lang bliksemkanaal worden vastgelegd. In de software worden deze lokalisaties getypeerd in 4 klassen:
Type 0: Enkele lokalisatie die niet in verband kan worden gebracht met andere lokalisaties.
Type 1: Startpunt van een ontladingsspoor, het begin van een reeks van met elkaar in verband gebrachte lokalisaties.
Type 2: Tussenpunt van een ontladingsspoor.
Type 3: Eindpunt van een ontladingsspoor.
 
typische Eveld verandering bij een CG, Rti=stijgtijd, Dti=daaltijd 
  Discriminatie
Er zijn in FLITS twee methoden om het onderscheid wolk – wolk ontlading versus wolk – grondontlading te maken 

1) De methode zoals die ook in het SAFIR systeem werd gebruikt

Deze discriminatie methode is gebaseerd op de stijg- en daaltijden van de door de LF sensor gemeten veldsterkte veranderingen. Deze veranderingen treden het sterkst op bij een grondinslag. De daaltijd is hierbij de meest belangrijke parameter. Wanneer er een veldsterkte verandering boven een zekere drempelwaarde wordt gevonden, die minstens doorstijgt tot de validatie drempel, wordt aangenomen dat die verandering is veroorzaakt is door een grondontlading. Uit de op deze golfvorm bepaalde stijgtijd (Rti) en Daaltijd (Dti) is een schatting te maken over de opgetreden stroomsterkte. Een detectiestation dat te dicht bij de ontlading ligt, wordt uitgesloten van
de discriminatie en stroomsterkte bepaling. Ook wordt vastgesteld of het
een negatieve dan wel een positieve bliksem was. 
 
2) De TOA-methode
In het FLITS-systeem is het ook mogelijk om met de LF-signalen een plaatsbepaling te doen, te weten op basis van looptijdmetingen (TOA).
Als zo’n plaatsbepaling succesvol is geweest, wordt daarmee bekend dat het een grondinslag betreft, en is de positie met een grotere nauwkeurigheid te berekenen. De plaatsbepaling voor grondinslagen vindt dus plaats middels de LF-ontvangst, dit is de modus waarin FLITS momenteel werkt.  

Stroomsterkte

Met de plaatsbepaling is ook de afstand van de ontlading bekend en kan uit de, op de LF antennes, gemeten signaalamplitude de stroomsterkte van de bliksem worden berekend.

Nauwkeurigheid systeem

De nauwkeurigheid van de plaatsbepaling wordt voor een belangrijk deel bepaald door de nauwkeurigheid van de hoekmeting vanaf de stations.
Een realistische schatting voor systematische en toevallige fouten in de hoekmeting is ± 0.5 booggraden.  De hieruit resulterende plaatsonnauwkeurigheid wordt weergegeven in figuur 3. Een andere oorzaak van onnauwkeurigheid in de lokalisering is het traject van het bliksemkanaal . Dit is zelden precies verticaal, zodat de bron van de sterkste radiostraling zich niet precies boven het inslagpunt hoeft te bevinden. Verder is het mogelijk dat de voortplanting van de radiogolven niet precies langs rechte lijnen verloopt. De onnauwkeurigheid zal in het algemeen dus iets groter zijn dan in figuur 3 wordt gesuggereerd. Door defecten of wegvallende verbindingen in (een deel van) het systeem kan informatie met betrekking tot ontladingen verloren gaan. Gemiddeld blijkt dit een aantal uren per jaar het geval te zijn. Het systeem heeft voldoende capaciteit om ook bij intensief onweer de signaalverwerking te kunnen bijhouden.

Desgewenst kan de gebruiker criteria instellen ten behoeve van het onderscheid tussen verticale en horizontale ontladingen of het verwerpen van signalen beneden een bepaalde drempelwaarde, bv. 10000 A. De optie 100 % detectie maakt namelijk de kans groot dat valse alarms door
storingen worden gegenereerd (andere ontladingen dan bliksemontladingen, bijv. in energiecentrales, of bliksemontladingen elders, dwz ver van Nederland). Valse alarms komen bij FLITS overigens nauwelijks voor.

Opstellingseisen en omgevingscondities

Het station bestaat uit een mast, met op de top gemonteerd de lokalisatie antenne set, de discriminatie sensor en de GPS-antenne. Aan de voet
van de mast bevindt zich de kast met elektronica. De mast plus antennes (incl. dipolen) zijn 16,4 meter hoog. Dit is de optimale hoogte voor het verkrijgen van de beste signaal-ruis verhouding. De mast wordt op zijn plaats gehouden door middel van een dubbele set van 4 tuidraden. Deze draden zijn verankerd in 4 betonblokken op de hoekpunten van een vierkant van 10 m2.

De mast zelf is ook gemonteerd op een betonblok. De gehele constructie (mast, antennes, tuidraden) weegt iets minder dan 170 kg. Onder aan de mast zit een draaipunt die het mogelijk maakt de mast (met een handrad) bij voorkomende gevallen neer te laten. De elektronicakast bevat onder meer de stroomvoeding en de modem. Het volume van de kast is 760 x 890 x 460 mm, het gewicht ongeveer 70 kg. Uit veiligheidsoverwegingen
dient de mast in een goed afgescheiden gebied geplaatst te zijn.

Condities m.b.t. omgeving en meetlocatie, c.q. representativiteit waarnemingen

De locatie moet uitzicht bieden op een vrije 360 graden horizon rondom het systeem. Binnen een straal van 100 meter rond de mast mogen zich geen geleidende objecten bevinden, in het bijzonder bouwwerken met metalen daken of metalen hekken. Eveneens binnen deze straal van 100 meter mogen zich geen objecten (gebouwen, installaties enz.) bevinden die uitrijzen boven de antennes. In de zone met een straal van 10 meter rondom de mast mogen zich geen objecten (gebouwen, installaties enz.) bevinden die het kegelvlak met de top van de mast als bovenpunt en een tophoek van 60 graden doorprikken.

Er mogen zich in de buurt van de antennes geen uitstekende voorwerpen zoals bliksemgeleiders e.d. bevinden in verband met het eventueel optreden van vonken die de detectie kunnen verstoren. Binnen een straal van 100 meter rondom de bliksemdetectiemast zijn alleen incidentele obstakels getolereerd die, bekeken vanuit de top van de mast, een horizonvlak hebben van maximaal 15 booggraden.

Voorbeeld: een gebouw op 90 meter afstand met breedtehoek = 5 booggraden en hoogtehoek = 3 boog- graden is dus net acceptabel. Buiten een straal van 100 meter rondom de bliksemdetectiemast zijn alleen obstakels (gebouwen, heuvels) getolereerd waarvan de maximale hoogtehoek, bekeken vanuit de top van de mast, minder is dan 2 booggraden in het geval van brede objecten en 3 tot 5 booggraden bij smalle objecten.

Condities mbt electromagnetische omgeving

Bij het zoeken van een geschikte plek voor de mast zal grondig onderzocht moeten worden in hoeverre er in de omgeving storingsbronnen zijn,
welke signalen met frequenties uitzenden die het systeem onterecht als bliksemsignalen zou kunnen interpreteren.
In dit verband kunnen genoemd worden:
• radio- en navigatieverkeer vliegtuigen, schepen, e.a.
• zenders radioamateurs
• zendmasten mobile telefoon, mobiel internetverkeer (UMTS) 1 e.d.
• schakelinstallaties bij centrales, hoogspanningskabels, elektriciteitskasten, e.d.
• motoren van vliegtuigen, auto’s etc.

De VHF-band is gekozen tussen 110 en 118 MHZ. Dit frequentiegebied is wereldwijd gereserveerd voor navigatie apparatuur in de luchtvaart en derhalve goed controleerbaar. Zenders in dit verband (vgl VOR en ILS-apparatuur) zijn in het algemeen goed identificeerbaar. Hiermee kan dus rekening worden gehouden bij het zoeken van een locatie en het selecteren van de geschikte frequentieband voor bliksemdetectie.
Het bliksemstation vereist voor een goed operationeel functioneren een bandbreedte van 2 MHz die vrij is van storende zendapparaten en die een
zeer lage achtergrondruis heeft. Voor het vaststellen van de validiteit van de site is dit een cruciale voorwaarde.

De LF-sensoren opereren in het gebied van 100 Hz – 4 MHz . Spectrum analyse moet aantonen in hoeverre er storende zendapparatuur in de omgeving is. Ieder ontvangen signaal in het onderhavige gebied van dergelijke apparatuur kan door het detectiesysteem worden geaccepteerd. Derhalve moet vermeden worden dat de bliksemmast binnen de storende invloedsfeer van een krachtige VLF-zender wordt geplaatst.
Voorafgaand aan de installatie c.q. bij verplaatsing van het detectiestation zal een dergelijk frequentieonderzoek worden uitgevoerd.

Bron: KNMI handboek waarnemen hoofdstuk-21