Handboek waarnemen -  Vochtigheid
 
De relatieve vochtigheid (RV) wordt berekend uit de dampspanning (e) en de verzadigingsdampspanning (eS) bij de heersende temperatuur (T).
De dampspanning is de druk die door de in de atmosfeer aanwezige waterdampmoleculen wordt uitgeoefend. Deze druk maakt deel uit van de
totale luchtdruk. De verzadigingsdampspanning is de dampspanning waarbij de lucht in evenwicht is met een water- c.q. ijsoppervlak. Een hogere dampspanning is bij de gegeven condities niet mogelijk omdat de waterdamp dan condenseert, dat wil zeggen van gasfase of dampfase overgaat in vloeistoffase.

De verzadigingsdampspanning is onder meer afhankelijk van de temperatuur.

Voor lucht met temperatuur T en dampspanning e geldt: RV = e / eS (T) * 100%
De dauwpuntstemperatuur (Td0) is de temperatuur tot welke de lucht bij gelijkblijvende overige omstandigheden moet worden afgekoeld om een volledige verzadiging van de in de lucht aanwezige waterdamp te bereiken.

Eenheden

De gebruikte eenheden zijn conform het internationale stelsel van SI eenheden

- Dampspanning en verzadigingsdampspanning: hPa1 hPa = 100 Pa; 1 Pa = 1 N/m2 (N is Newton: 1 N = 1 kg m / s2)

- Relatieve vochtigheid: %

- Dauwpuntstemperatuur: K (afgeleide: °C)

De erkende eenheid volgens SI voor de temperatuur is Kelvin (K).

1 Kelvin (1 K) is de fractie 1/273,16 van de temperatuur van het triple point van water (gemeten in K).
Naast deze “Kelvin"temperatuur kent men de “Celsius" temperatuur. De erkende eenheid volgens SI voor deze temperatuur is graad Celsius (°C).
Voor de relatie Celsius temperatuur(t) en Kelvin temperatuur(T) geldt: t = T - 273.15
Een interval van 1 graad Celsius (1°C) is gelijk aan 1 K.
 
Het knmi gebruikt de capacitatieve vochtigheidsmeter van Vaisala als standaard instrument voor de meting van de relatieve vochtigheid.
De dauwpuntstemperatuur wordt afgeleid uit de temperatuur en de relatieve vochtigheid.

Het vaststellen van de dauwpuntstemperatuur vereist derhalve 2 sensoren:
- sensor voor de temperatuurmeting (zie hoofdstuk over temperatuur);
- sensor voor de meting van de relatieve vochtigheid.

De technische specificaties van de vochtigheidsmeter
met de zijn als volgt:
Meetbereik: 2 tot 100% RV;
Resolutie: 1% RV;
Nauwkeurigheid: ±3,5% RV;
Meetfrequentie: 1/12 Hz 
 
Opstelling vochtmeter
 
Opstellingseisen en omgevingscondities
De wmo adviseert dat de sensoren voor de meting van de relatieve vochtigheid plus de dauwpuntstemperatuur worden geplaatst op een hoogte
tussen 1.25 en 2.00 meter boven een vlak terrein van ca. 15 x 15 m2 , dat bedekt is met gras van ca. 4 - 10 cm. hoogte.
Het knmi hanteert als standaard een hoogte van 1,5 meter.

Condities m.b.t. omgeving en meetlocatie, c.q. representativiteit waarnemingen

In de nabijheid mogen zich geen obstakels als gebouwen en bomen bevinden. Deze kunnen door uitstraling de temperatuur en daarmee de
relatieve vochtigheid beïnvloeden. Deze objecten kunnen ook warmte of koude langer vasthouden en aldus langsstromende lucht beïnvloeden.
Door deze verschijnselen wordt de representativiteit van de waarneming aangetast. Tevens kan tussen dergelijke objecten warme of koude lucht blijven “hangen". De temperatuur van deze lucht kan zo afwijken van de luchttemperatuur in de wijdere omgeving.

Concreet gaat het om de volgende conditie:

Er mogen zich geen obstakels binnen een straal van 100 meter vanaf de locatie van de sensor bevinden; bovendien zal het aardoppervlak binnen
deze straal voldoende vlak moeten zijn; voor eventuele objecten buiten de straal van 100 meter zal de hoogte minder dan 10x de afstand van het object tot het meetterrein dienen te zijn. De vochtigheidsensor moet zich op een afstand van tenminste 5 meter van wateroppervlakten bevinden (sloten, kanalen, plassen, rivieren, etc,) 
 
Bron: KNMI handboek waarnemen