Meteorologische encyclopedie hoofdstuk A 
 
Aambeeld:
Het aambeeld (of incus) is een bijkomende vorm van het wolkengeslacht Cumulonimbus.
Zeer sterk uitgegroeide cumuluswolk waardoor de bovenkant in ijs overgaat. Die bovenkant is zichtbaar aan onscherpe, draderige vormen of witte vlakken die in cirruswolken doen denken. De cumulonimbus komt zo hoog (soms hoger dan 15 kilometer) dat de wolk met de bovenkant tegen een grenslaag stoot waarboven de lucht warmer wordt. Boven die hoogte bolt de wolk niet verder omhoog, maar spreiden lucht en wolk zich uit in horizontale richting. Zo ontstaat een aambeeld of paddestoelvormige wolk.

De cumulonimbus is een echte buienwolk en onweersbuien worden altijd veroorzaakt door deze wolken. Wanneer de bui uitgeregend is blijft dit aambeeld vaak als restant over in de vorm van Cirrus spissatus  en kan zelfs overgaan in Cirrostratus.
Zie ook Wolkenatlas Cumulonimbus
 
 
Cumulonimbus capillatus incus (foto: B. Mühr)
 
Aanschietende zee:
Men spreekt van een aanschietende zee bij een windkracht van 6 Beaufort. Het schuim, dat zich rond de brekende golftoppen bevindt, waait steeds meer op. De gemiddelde windsnelheid is maximaal 27 knopen of zeemijl ofwel 50 km/uur of 13,8 m/sec. 
 
Aardas:
De aardas is de as waarom de aarde dagelijks draait. Omdat de aarde steeds een andere zijde naar de zon keert ontstaan dag en nacht. De aardas loopt door het zwaartepunt van de aarde.De punten waar de aardas door het aardoppervlak gaat heten de geografische noordpool en de zuidpool. Iemand die precies op een van die polen zou staan draait tijdens een etmaal éénmaal volledig om zijn of haar as. De magnetische noord- en zuidpool liggen ergens anders; zij hebben geen direct verband met de aardas. De aardas maakt een hoek van 23,44° met de normaal op het baanvlak van de aarde rond de zon, de ecliptica; hierdoor varieert in de loop van het jaar de hoek waaronder de zonnestralen het aardoppervlak raken en ook de lengte van de dag ten opzichte van de nacht. Deze effecten samen betekenen jaarlijkse variatie in de hoeveelheid ontvangen zonnestraling en zo ontstaan de seizoenen. In de zomer wijst de aardas van het halfrond van de waarnemer naar de zon en ontvangt dat halfrond meer zon, ook zijn de dagen langer dan de nachten.  
 
 
Een globe, zoals de aarde, die draait om zijn as, de rode lijn
 
Aardbaan:
Baan die de aarde om de zon beschrijft. Een omloop om de zon duurt 1 jaar. De gemiddelde afstand tot de zon, de astronomische eenheid (A.E.), bedraagt 149,5985 miljoen km.
De baan van de aarde rond de zon is geen cirkel, maar is ellips-vormig. De maximale, resp. minimale afstand bedraagt 152,1 en 147,1 miljoen km. De punten waarin de aarde zich dan bevindt, noemt men resp. aphelium en perihelium. Als gevolg van deze variërende afstand tot de zon verandert ook de baansnelheid iets; gemiddeld bedraagt zij 29,8 km per seconde, maximaal 30,3 km/s, minimaal 29,2 km/s.

In onze winter staat de aarde dichter bij de zon dan  in de zomer. Daarom kent het noordelijk halfrond niet zulke koude winters en niet zulke warme zomers als het zuidelijk halfrond. De ligging en ellipticiteit van de aardbaan zijn, gerekend over lange perioden, aan kleine veranderingen onderhevig. Dit wordt o. a. veroorzaakt door storingen van naburige planeten. 
 
Aardbaan Bron: weer.nl
 
Aarde om de zon:
Hoe draait de aarde om de zon en om haar as en hoe snel gaat dat? Behalve dat de aarde in ongeveer 365,26 dagen rond de zon draait draait de aarde in bijna 24 uur tijd om haar eigen as. De omtrek van de Aarde aan de evenaar is ongeveer 40.000 km dus bedraagt de rotatiesnelheid aan de evenaar ongeveer 40.000 gedeeld door 24 = 1666,66 km/uur. Per minuut komt dat neer op 27,8 km en per seconde dus op 460 meter dat dus een punt op de evenaar aflegt. Op andere breedtegraden ligt die snelheid lager, aangezien daar de omtrek naar de polen toe steeds kleiner wordt en op
de polen zelf nul is. Je voelt niet dat de Aarde draait omdat de Aarde steeds even hard draait maar vooral omdat het een grote massa is die die draaiing maakt. De aarde draait linksom haar eigen as die overigens schuin staat t.o.v. het baanvlak die ze rond de zon beschrijft. Dat is de ook de reden waarom we seizoenen hebben en dat we (door het linksom draaien) de zon in het oosten zien opkomen en in het westen zien ondergaan.
Alle planeten draaien linksom, behalve Venus.  De planeten draaien ook linksom om de zon. De afstand die de aarde gemiddeld per dag aflegt bij
het draaien rond de zon bedraagt 2,57 miljoen km. 
 
Aardbeving:
Aardbevingen zijn een veel voorkomend en eigenlijk heel normaal verschijnsel. Meestal hoor je er in het nieuws ook weinig van omdat het dan vaak om kleine aardbevingen gaat en er dan meestal geen schade ontstaat. De aarde is eigenlijk altijd een klein beetje in beweging en maakt kleine schokkende bewegingen zonder dat we daar iets van kunnen merken. Enkele malen per jaar komen er ernstige aardschokken voor. Vaak denken
 we dat alle soorten aardbevingen dezelfde oorzaak hebben, dit is echter niet altijd het geval. Aardbevingen kunnen op vier manieren ontstaan:

1: Door een inslag van een meteoriet op aarde.
2: Door het instorten van ondergrondse  grotten binnen in de aarde
3: Door het uitbarstingen van vulkanen
4: Door het plotselinge verschuiving van de continentale platen.

De meeste aardbevingen in gebieden zoals Turkije, Griekenland en Taiwan ontstaan allemaal op de laatste manier door het verschuiven van gesteentelagen.  Als er een aardbeving plaatsvindt gaat dit gepaard met zeer grote schade en vele slachtoffers. In Nederland wordt wel eens een lichte aardschok geregistreerd maar dit zijn hele lichte aardschokken waarbij er misschien een paar dakpannen of een oude schoorsteen van het
dak valt en er gebeuren hier nooit ernstige ongelukken en is er weinig schade 
 
Ontstaan van aardbevingen
 
Aardbreuk:
Een scheur in het gesteente waarlangs twee gesteentemassa’s ten opzichte van elkaar verschoven zijn. De aard van de breuk wordt bepaald door
het driedimensionale spanningsregiem ter plekke. De drie hoofdsoorten zijn: afschuivingen, zijschuivingen en overschuivingen.
De meeste aardbevingen vinden langs een breuk plaats.  
 
 
Opschuivende breuk  bron: Wikipedia
 
Afschuivende breuk  Bron: Wikipedia
 
 
Zijschuivende breuk  Bron: Wikipedia
 
Aarde:
6400 km van ons af ligt het centrum van de aarde. Als je zo diep zou kunnen graven, zul je verschillende lagen tegenkomen: van de dunne aardkorst (ca. 30 km), via de mantel (ca. 2900 km), door de buitenkern naar de binnenkern (het centrum). De temperatuur neemt daarbij toe tot een hitte van ongeveer 4000 graden in het centrum. De druk wordt ook steeds groter (wel 10.000 keer groter dan die van de atmosfeer). Het gesteente van de buitenkern, dat uit ijzer en nikkel bestaat, is vloeibaar, maar wordt door de toenemende druk weer hard in de binnenkern.  
 
Aardkorst:
De buitenste laag van de aarde, de aardkorst, is eigenlijk maar een dun schilletje.
Op de continenten is de laag ongeveer 30 tot 60 km dik en in de oceanen slechts 5 km.
De korst bestaat uit zeven grote en een paar kleinere platen. Deze platte schollen van gesteente liggen tegen elkaar aan. Hoewel je er niets van merkt bewegen de platen met
een snelheid van 2 tot 20 cm per jaar. Als twee platen uit elkaar drijven, komt er magma (vloeibaar gesteente uit de diepere aardlagen) naar boven, dat een nieuwe korst vormt.
Als platen tegen elkaar aanschuiven, schuift de ene onder de andere en ontstaat er een trog.
Ze kunnen ook langs elkaar schuiven en dan ontstaan er breuken in de aardkorst.
Als ze tegen elkaar botsen, vormen zich bergen.

Aardkwadrant:

Een kwart van de aardbol, met als snijpunten van de assen de nulmeridiaan en de evenaar aan onze kant van de aarde en de 180°-meridiaan en de evenaar aan de andere kant. Het aard kwadrant wordt onder meer gebruikt bij de plaatsbepaling van een waarnemingsstation op zee.

Aardmagnetisme:

Aardmagnetische metingen worden gedaan voor het vaststellen van de afwijking van het aardmagnetisch veld en de variaties daarin. De magnetische pool wijkt af van de geografische, we noemen deze afwijking de magnetische declinatie.
 
 
Doorsnede aarde.
Bron: Dorling-Kindersley Limited, London 
 
Dit is van groot belang voor de koersbepaling van schepen en vliegtuigen aan de hand van een kompas. Uit onderzoek blijkt dat deze afwijkingen samenhangen met de geologische structuur en topografie van de diepe ondergrond. Variaties in het magnetisch veld kunnen onder meer het gevolg zijn van uitbarstingen op de zon, waarbij geladen deeltjes het heelal worden in geslingerd. De registratie van aardmagnetische gegevens is in ons
land in 1849 begonnen en eind jaren tachtig van de twintigste eeuw stopgezet. Aardmagnetische metingen worden tegenwoordig nog verricht door
het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI) in België.  
 
Aardoctant:
Een achtste deel van de aardbol. De verdeling gaat op het noordelijk en zuidelijk halfrond op gelijke wijze van 0° tot 90° westerlengte en zo verder rond de globe. Het aardoctant wordt vooral in de scheepvaart gebruikt bij plaatsbepalingen bij het doorgeven van gecodeerde weerrapporten. 

Aardrotatie:

Draaiing van de aarde om haar eigen denkbeeldige aardas. Per etmaal draait de aarde eenmaal van west naar oost om haar as. Door de rotatie ontstaat de afwisseling van dag en nacht en heeft in feite iedere meridiaan op de aarde een andere tijd.
Één omwenteling duurt 23 uur, 56 min. en 4 sec.

Ablatie:

Het natuurkundige proces (zoals sublimatie, smelten, verdamping) dat sneeuw of ijs van een gletsjer, een sneeuwveld, ed. verwijdert. Tegenovergestelde van alimentatie. Ook de reductie van de ijs- en sneeuwmassa door afkalven wordt hierin begrepen. De mate waarin ablatie optreedt, wordt vooral bepaald door de temperatuur van de lucht. De hoeveelheid sneeuw of ijs die door ablatie wordt verwijderd. In deze betekenis
het tegenovergestelde van accumulatie

Absolute luchtdruk:

De actuele luchtdruk op een bepaalde tijd op een bepaalde plaats.

Absolute nulpunt:

Het absolute nulpunt is de theoretisch laagst mogelijke temperatuur en bedraagt -273,15°C en is het beginpunt van de temperatuurschaal van
Kelvin. Bij deze temperatuur komt alle bewegingen van moleculen tot stilstand. Wetenschappers zijn er in geslaagd temperaturen te produceren
die nog slechts een fractie boven dit absolute koudste punt liggen. Volgens de klassieke mechanica staan de atomen bij het absolute nulpunt stil, maar volgens de kwantummechanica blijft er nog altijd iets van een nulpuntsbeweging over.

Absolute temperatuurschaal:

Zie Kelvin temperatuurschaal.

Absolute vochtigheid:

De massa waterdamp aanwezig per eenheid volume lucht; de absolute vochtigheid wordt meestal uitgedrukt in gram/m³.

Absolute vorticiteit:

De vorticiteit met inbegrip van het effect van de draaiing van de aarde.

Abrasie:

Vorm van erosie door water, waarbij golfwerking merkbaar is tot op de bodem van een zee of een meer. Bij golfwerking maken de waterdeeltjes cirkelvormige bewegingen. De doorsnede van die cirkels wordt naar beneden toe steeds kleiner en in het geval van abrasie afgeremd door de bodem. Daardoor gaan de deeltjes op de bodem heen en weer bewegen en als een schaaf alle onregelmatigheden afvlakken. Wanneer de golfwerking vermindert, bv. doordat de storm gaat liggen, vormen de losse deeltjes een nieuw, horizontaal laagje, dat het soms onregelmatige oppervlak eronder geheel afdekt. Hoewel de abrasie de bodem erodeert, wordt naderhand weer (vrijwel) evenveel materiaal afgezet.

Absorptie:

Het proces waarbij invallende stralingsenergie wordt vastgehouden door een materie. Deze stralingsenergie wordt dan omgevormd naar moleculaire energie. De verhouding tussen de stralingsintensiteit die wordt geabsorbeerd en de totale invallende straling heet de absorptieverhouding of absorptiviteit. Een voorbeeld is de zonnewarmte in het aardoppervlak, waardoor het aardoppervlak wordt verwarmd

Accres:

In de wolkenfysica de groei van een neerslagdeeltje door botsing tussen een bevroren deeltje (ijskristal of sneeuwvlok) en een onderkoelde waterdruppel waardoor het neerslagdeeltje bevriest. Accres is hetzelfde als coalescentie en een vorm van agglomeratie.

Actief front:

Front waarbij heftige weersverschijnselen zijn waar te nemen: zware neerslag, soms ook onweer, en veel wind.
Het tegenovergestelde is een zwak front.

ACM's: (algemene circulatiemodellen)

Een computersimulatie die globale weerpatronen nabootst en gebruikt kan worden om weersveranderingen te voorspellen

Adiabaat:

Een grafische lijn in een thermodynamisch diagram volgens welke een adiabatisch proces verloopt.

Adiabatisch proces:

Is een thermodynamische toestandsverandering waarbij geen transport is van warmte of massa buiten de grenzen van dit systeem.
In dit proces zal bij compressie leiden tot opwarming en expansie tot afkoeling.

ADS dagen:

Zie mooi-weer dagen.

Advectie:

De horizontale verplaatsing van een eigenschap (bijvoorbeeld warmte, vochtigheid) in de atmosfeer door de beweging van lucht (wind).

Advectief onweer:

Onweer dat op een andere plaats is ontstaan en door de heersende hoogtewind wordt aangevoerd.

Advectieve luchtlaag:

Een stabiele luchtlaag waarin de verandering in temperatuur, vocht en dergelijke op een bepaald punt het gevolg zijn van advectie en niet door turbulentie en convectie worden veroorzaakt.

Advectieve rijp: (Vorm van rijp)

Een ijsafzetsel, in het algemeen kristallijn van vorm, dat zich vormt op voorwerpen waarvan het oppervlak voldoende koud is om de rechtstreekse sublimatie te veroorzaken van waterdamp uit de lucht die met dit oppervlak in aanraking wordt gebracht, in dit geval door advectie.

Advectieve mist:

Mist die ontstaat door warme, vochtige lucht over een koud oppervlak te bewegen, waarbij de lucht afkoelt tot op of beneden het dauwpunt. Bijv. warme lucht over nog koud zeewater.

Aërodrome warning:

Weersverwachting voor het terrein van een luchthaven bij verwacht gevaarlijk weer. Deze verwachtingen zijn van belang voor geparkeerde vliegtuigen, maar ook voor het verkeer op de grond. De verwachtingen worden verspreid in klare taal en kunnen elementen bevatten als hevige windstoten, sneeuwval, ijsafzetting of opvriezen van natte baangedeelten.

Aërologie:

Deel van de meteorologie dat zich bezig houdt met de bestudering en verklaring van de bewegingen en natuurkundige processen in de boven lucht.

Aërologisch diagram:

Thermodynamisch diagram waarop de verschillende natuurkundige processen in de atmosfeer worden voorgesteld. Met behulp van een aërologisch diagram moeten onder meer stabiliteitsberekeningen voldoende eenvoudig kunnen worden uitgevoerd. Daarom moet het diagram aan enkele eisen voldoen. Zo dienen op de horizontale en verticale assen van het diagram direct meetbare grootheden te staan. Bovendien moet het diagram bij voorkeur energetisch zijn. Dat wil zeggen, dat een bepaald oppervlak op het diagram met een bepaalde hoeveelheid energie overeenkomt. In onze omgeving is het meest gebruikte diagram het T s,pdiagram. In enkele Engelstalige landen is het zogeheten tephigram nog in gebruik.

Aërologische kaart:

Een weerkaart waarop gegevens afkomstig van aërologische waarnemingen in een groot gebied worden geplot. Voorbeelden van aërologische kaarten zijn de diktekaart en de hoogtekaart.

Aërologisch station:

Een waarnemingsstation waar naast de normale waarnemingen aan het aardoppervlak tevens aërologische waarnemingen worden verricht.

Aërologische waarneming: (bovenluchtwaarneming)

Een waarneming van weerselementen met behulp van weerballonnen met radiosondes. In Nederland wordt slechts op één plaats een radiosonde opgelaten en wel in De Bilt. Aërologische waarnemingen worden twee tot vier maal per dag verricht en wel op de zogenoemde main hours.
In De Bilt wordt de weerballon vier maal per etmaal opgelaten. Tegenover de aërologische waarneming staat de oppervlaktewaarneming.
 
Aërosolen:
De mens brengt niet alleen broeikasgassen maar ook andere stoffen in de atmosfeer, bestaande uit zwevende druppeltjes en stofjes. Dit worden aërosolen genoemd. Net als vulkanisch stof kaatsen ze het zonlicht terug. Daardoor hebben ze een koelende werking.
Op deze wijze maskeren ze de gevolgen van het versterkte broeikaseffect.
Aërosolen hebben daarnaast een effect op de wolkvorming. Hoe dat precies werkt, is voor
de wetenschappers nog niet helemaal duidelijk. Er zijn vijf categorieën verschillende typen aërosolen namelijk: stof, Roet, sulfaat, zeezout en organisch aerosol.

Het is belangrijk om aërosolen te meten om twee redenen: Ten eerste veroorzaken aërosolen smog (smoke and fog), dat tot ademhalingsproblemen kan leiden (zie foto). Dit probleem doet zich voor in grote steden waar veel fossiele brandstoffen worden gebruikt en dus veel aërosolen zijn. Ten tweede spelen aërosolen een rol bij het broeikaseffect.

De aanwezigheid van aërosolen heeft, afhankelijk van het type aërosol, drie effecten op de warmtehuishouding van de aarde:
 
Smog boven Mexicostad
 
 * net als broeikasgassen kunnen ze infrarode straling absorberen die de aarde uitzendt.
* Ze kunnen werken als kleine spiegeltjes voor zonlicht en weerkaatsen daarmee een deel van het zonlicht terug de ruimte in.
* Ze kunnen werken als condensatiekernen voor wolken, wat resulteert in meer wolken ze verhogen de reflectieviteit van wolken
  voor zonlicht, zodat er meer zonlicht wordt  weerkaatst de ruimte in.


Door de relatief korte levensduur in de atmosfeer is de hoeveelheid aërosolen in de atmosfeer zeer variabel. De hoeveelheid kan na een brand heel groot zijn, en na een regenbui heel klein (dat heet uitregenen van aërosolen), en als het hard waait kan een wolk aërosolen snel voorbij waaien.
Een manier om aërosolen te meten is het meten van het zonlicht dat door de aërosolen wordt verstrooid en geasorbeerd.   De maat waarin de hoeveelheid aërosolen wordt uitgedrukt is de aërosol optische dikte (AOD). Als de atmosfeer aërosol optisch dik is betekent dat dat er veel
aërosolen in de atmosfeer zitten en dat er dus veel licht wordt verstrooid en geasorbeerd door de aërosolen.

Af en toe regen of sneeuw:

Termen die kunnen voorkomen in een weersverwachting. Het weerbeeld lijkt veel op een buiig weertype, met dit verschil dat een bui perse uit convectieve bewolking valt. Bij af en toe regen (of sneeuw) hoort een meer gelaagde bewolking. De regen (of sneeuw) valt niet onophoudelijk.
Is dat wel het geval, dan wordt gesproken van perioden met regen (of sneeuw) of eenvoudig regen (of sneeuw).

Af en toe zon:

Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Deze term vertegenwoordigt een zonneschijnpercentage van 10 tot 40%. Het bijbehorende weerbeeld is bewolking, waar tussendoor af en toe de zon doorbreekt. Er zijn dus geen echte perioden dat de zon uitbundig schijnt.

Aflandige wind:

Aflandige wind bestaat uit een heleboel aspecten, dus we hebben het proces opgesplitst in 3 stappen.
1. Op een frisse dag blijft het land koud, de zee heeft nog warmte van de zomer (grote hoeveelheden water veranderen niet snel van temperatuur).
    De stijgende lucht op zee wordt vervangen door koude lucht van het land. Logischerwijs zijn deze aflandige winden het sterkst aan de kust,
    en verzwakken ze naarmate je verder in het binnenland komt.
2. Koude lucht blijft laag hangen, dus krimpt de luchtkolom. Dit geld niet voor de zee. Dit verschil in luchtdruk zorgt voor een lagedrukgebied boven
    land (lucht blijft dicht bij de aarde), en een hogedrukgebied bij de zee. Lucht gaat dus op hogere niveaus naar het land toe.
3. Dit blijft niet lang zo. De koude lucht op lage hoogte gaat naar het water en blijft dicht bij de grond. Boven in de lucht gaat de luchtstroom
    precies andersom. Dus gaat de warme lucht van zee hoog boven water naar het land, waar het afkoelt. Laag boven zee verwarmt de
    aangekomen koude lucht, die weer stijgt. Dit gaat dan weer naar het land toe. En zo is de cirkel rond, deze gaat net zolang door totdat het
    verschil in druk weg is. Wind die over land naar zee waait in tegenstelling tot aanlandige zeewind.

A-klimaat:

Een tropisch klimaat is een klimaat dat voorkomt in de tropen. Volgens de klimaatclassificatie van Köppen is het een niet-droog klimaat waar het hele jaar de gemiddelde maandtemperatuur hoger is dan 18°C
 
.Af: tropisch regenwoudklimaat; de droogste maand van het jaar heeft een gemiddelde
      maandneerslag van ten minste  60 mm en de neerslag valt ongeveer verspreid over het
      hele jaar.

Am:
moessonklimaat; de droogste maand van het jaar heeft een gemiddelde maandneerslag
       van minder dan 60 mm en het droge seizoen springt er ten opzichte van het natte
       moessonseizoen sterk uit.

Aw/As:
tropisch savanneklimaat; er is ten minste één maand in het jaar die een gemiddelde
            maandneerslag heeft van minder dan 60 mm en het droge seizoen springt er ten
            opzichte van het natte seizoen sterk uit 
 
Roze gebieden hebben een A klimaat
 
Alaska-stroming:
Noordelijke afsplitsing van de Aleoeten-stroming. Deze oceaanstr0ming circuleert tegen de wijzers van de klok in in de Golf van Alaska.
Een deel van het water trekt vervolgens tussen de eilanden van de Aleoeten door in de Beringzee, en duikt daaruit weer op als de Oyashio-stroming. Het overige deel voegt zich weer bij de Aleoetenstroming. Het water dringt de Golf van Alaska binnen langs de Noord-Amerikaanse westkust.
Omdat deze stroming vanuit het zuiden komt, heeft zij het karakter van een warme stroming. Daardoor oefent zij een invloed uit op de klimatologische omstandigheden die vergelijkbaar is, zij het op een wat kleinere schaal, met de invloed van de Golfstroom op de klimaten van het noordwesten van Europa.

Albedo:

De verhouding tussen de gereflecteerde en de invallende straling van een object. Een perfect zwart object (m.a.w. geen reflectie) heeft een albedo
van nul. Het albedo wordt meestal uitgedrukt in procent (%). Het albedo van de aarde is 0,39%.

Aleoeten-stroming:

Zeestroming in de Grote Oceaan. De stroming beweegt zich in oostelijke richting, ruwweg tussen 40 en 50° NB. Het is een noordelijke aftakking
van de Koero Sjio-stroming. Bij nadering van de Noord-Amerikaanse kust splitst de stroming zich in de noordwaarts verder stromende Alaska-stroming en de naar het zuiden stromende Californië-stroming.

Alfa-tijd:

Andere naam voor de plaatselijke tijd. Deze aanduiding komt uit het internationaal spelalfabet.
 
Alimentatie:
Natuurkundig proces, waardoor de massa van een gletsjer of een sneeuwveld toeneemt. Tegenovergestelde
van ablatie. De belangrijkste factor is aanzetting van sneeuw, maar ook andere vormen van neerslag, alsmede sublimatie en het opnieuw bevriezen van smeltwater, dragen bij.  

Almanak:

De almanak geniet in ons land vooral bekendheid door de Enkhuizer Almanak die al sinds 1595 verschijnt.
Het is een boek of tabel met een kalender van dagen, weken en maanden en allerlei gegevens zoals de standen van zon en maan, de feest- en gedenkdagen, marktdagen, tijden van eb en vloed en soms ook weersvoorspellingen. Deze voorspellingen zijn gebaseerd op de theorie van de zogenaamde omkeerdagen, begin vorige eeuw bedacht door weeramateur Chr. A.C. Nell uit Voorschoten. Het woord is van oorsprong Egyptisch en het oudste bekende exemplaar van de almanak is dan ook van Egyptische afkomst en stamt uit de 13e eeuw voor Christus. In Nederland verschenen vanaf de 16e eeuw almanakken en verschillende steden
of gebieden hebben nog altijd hun eigen almanak. Daarnaast wordt het woord ook gebruikt voor allerlei publicaties zoals de staatsalmanak, de nautische almanak, de studentenalmanak en noem maar op.   
 
 
Alpen:
Deze gebergteketen in Midden-Europa is van groot belang voor de verdeling van weertypes in het klimaat van Europa. Het hooggebergte vormt vaak een barrière voor koude lucht vanaf het noorden of voor warme lucht vanuit het zuiden waardoor actieve storingen kunnen ontstaan met hevige buien. De winden zijn in de Alpen in het algemeen zwak. Plaatselijk kan echter
de lucht met grote snelheid over de passen en door gunstig gelegen dalen stromen.
Een bekend voorbeeld is de Tauernwind, een koude noordelijke wind ten noorden van Lienz.

Een opvallend windverschijnsel is de föhn, die als warme valwind grote snelheden kan
vertonen en in het algemeen een sterk buiig karakter heeft. Er is een noordelijke wind de "Noordföhn" die in het zuidelijke deel van de Alpendalen voorkomt en een "zuidföhn" die in
het noordelijk deel van de Alpendalen waait. De Noordföhn komt 70 dagen per jaar voor en
de zuidföhn 30 tot 50 dagen. Föhn komt het meest in het voorjaar voor. Tijdens föhnsituaties ontwikkelen zich aan de lijzijde van de bergruggen vaak de zogenaamde lenticulariswolken, die gewoonlijk neerslag binnen 24 uur aankondigen. 
 
Alpen:  foto Terra-satelliet (bron: NASA)
 
Alpengloed:
Naam voor de felle roodkleuring van gletsjers en sneeuwvelden. Het verschijnsel ontstaat doordat het reeds rode licht van de laagstaande zon wordt teruggekaatst door de sneeuwen hierbij nog verder wordt verstrooid en zo in intensiteit toeneemt. Dezelfde felrode gloed is overigens ook te zien als bewolking wordt verlicht door de laatste stralen van de ondergaande zon.

Altimeter:

Een andere naam voor hoogtemeter. De werking ervan berust op het principe van afnemende luchtdruk met hoogte. Een altimeter is in feite niks
meer dan een barometer waarvan de schaalverdeling in meter is weergegeven. Hoe hoger, hoe lager de luchtdruk is. 
 
Altocumulus:
Behoort tot de familie van de middelbare bewolking. Ze kunnen worden verdeeld in 4 soorten:  Stratiformis, Lenticularis, Castellanus, Floccus.

Witte of grijze wolkenband of wolkenlaag, in het algemeen met schaduwing, bestaande uit stroken, min of meer afgeplatte ballen, rollen enz.,
die soms voor een deel een vezelachtig uiterlijk hebben of geen structuur vertonen en die al of niet gescheiden zijn; de meeste regelmatig gerangschikte kleine elementen hebben gewoonlijk een schijnbare afmeting tussen één en vijf graden.

Middelhoge bewolking (hoogte 4-7 km) in de vorm van vlokken. Komt dikwijls in banken of straten voor. In de bergen is dikwijls het type "lenticularis" te zien. Voorbode van onweer is dikwijls altocumulus castellanus in de vorm van torentjes of kantelen.  Zie ook Wolkenatlas Altocumulus 
 
Altocumulus castelanus (foto: B. Mühr)
 
Altostratus translucidus (foto: B. Mühr)
 
Altostratus:
Behoort tot de familie van de middelbare bewolking.
Ze kunnen worden verdeeld in 4 soorten: Translucidus, Opacus, Duplicatus, Undulatus, Radiatus.

Wolkenveld of wolkenlaag met een grauwe of blauwachtige tint en een streperig, veelachtig of effen uiterlijk, geheel of gedeeltelijk de
hemel bedekkend, waarvan sommige gedeelten dun genoeg zijn om de zon er vaag, als een matglas, door te kunnen zien. In Altostratus komen
geen haloverschijnselen voor.

Middelhoge bewolking (hoogte 4-7 km), meestal de aankondiging van een warmtefront. Doorheen altostratusbewolking is nog een verwaterde zon te zien. Wanneer de zon helemaal niet meer te bespeuren valt gaat altostratus over in nimbostratus en valt er continue neerslag (in tegenstelling tot buiige neerslag in een koufront).  Zie ook Wolkenatlas Altostratus 

Anafront:

Het meest voorkomende type front. Het anafront is doorgaans actief met de karakteristieke eigenschappen van een warmtefront of koufront.
Het Griekse woord 'ana' staat voor 'opwaarts'. De warme lucht wordt in alle gevallen opgetild. Het tegenovergestelde is het katafront.

Analogenmethode:

Statistische verwachtingsmethode ten behoeve van het opstellen van weersverwachtingen. Met behulp van computers wordt het meest
waarschijnlijke weerbeeld berekend aan de hand van vergelijking met een groot aantal eerdere overeenkomende weersituaties.

Anemograaf:

Automatisch registrerende anemometer
 
Anemometer:
Een anemometer of windmeter is een meetinstrument dat de windsnelheid kan meten. Dit instrument werd in 1846 geïntroduceerd door de Ierse astronoom Thomas Romney Robinson (1792-1882). Meest bekend is de cup-anemometer. Deze bestaat uit drie (soms vier) half open bolletjes die elk 120° uit elkaar zijn opgesteld. Doordat de kracht uitgeoefend aan de holle zijde groter is dan deze aan de bolle zijden gaat het systeem beginnen draaien. Naarmate de windsnelheid groter wordt, neemt de snelheid ervan toe.

Kenmerken voor een goede cup-anemometer zijn een lage startwaarde voor de windsnelheid en een goede lineariteit. De beweging van de draaiende bollen wordt via de as omgezet naar een elektrisch signaal. De grootte van dit signaal is een maat voor de windsnelheid.

Tegenwoordig worden ook steeds meer ultrasoon anemometers gebruikt. De werking van dit laatste type berust op het feit dat de voortplantingssnelheid van het geluid schijnbaar verandert met de windsnelheid. Met dit ultrasoonprincipe is meteen ook de windrichting af te leiden.
 
Anemometer
 
Anemoscoop: (windwijzer)
Instrument voor het aanduiden van de windrichting. De bekendste en eenvoudigste is de windvaan (windhaan). In de meteorologie gebruikt men instrumenten waarmee de windrichting op een schaal kan worden afgelezen of continu op een voortbewegende papierstrook wordt geregistreerd. 
 
Aneroïde barometer:
Barometer die werkt op het principe van in serie geschakelde aneroïde (luchtledige) doosjes
of capsules (de zgn. doosjes van Vidi). Deze doosjes zijn meestal vervaardigd uit
fosfor-brons of beryllium-koper. Bij stijgende luchtdruk wordt het doosje meer ingedrukt,
bij lage luchtdruk minder. Via een hefboomsysteem worden deze veranderingen overgebracht naar een naald die over een schaalverdeling beweegt.

Aneroïde barometer volgens Fuess:

Een aneroïde barometer met analoge aflezing, waarvan het meetelement bestaat uit een aantal gekoppelde, boven op elkaar bevestigde, luchtledige platte dozen (doos van Vidi) van berylliumkoper. De verandering van de luchtdruk wordt, door middel van een hefboomstelsel vergroot, door een wijzer aangegeven. De schaal loopt van 920 tot 1080 hectoPascal en is onderverdeeld in eenheden van 1 hectoPascal, een eenheid die voor wat betreft de getalswaarde overeenkomt met de ouderwetse millibar (mbar).

Aneroïde barometer volgens Negretti en Zambra:

Precisie aneroïde barometer met digitale aanwijzing. Het instrument bestaat uit een pakket van dozen van Vidi. Het verschil met de aneroïde barometer volgens Fuess is dat de
 
Aneroïde barometer
 
 vervormingen van de dozen van Vidi in dit geval niet door middel van een complex overbrengingsmechanisme vergroot op een schaal worden weergegeven. Met behulp van een stift wordt direct de indrukking van de Vidi-dozen via een stift en een hefboom overgebracht op een
schaalverdeling. Deze barometer reageert daardoor soepel en is bovendien minder gevoelig voor onnauwkeurigheden door verlopen van het instrument.

Anticycloon:

Een relatief druk maximum. Een andere naam voor een hogedrukgebied. Is een oppervlakte van druk dat wordt gekenmerkt door divergerende winden en een rotatie tegengesteld aan deze van de aarde; dit is in wijzerzin op het noordelijk halfrond en in tegenwijzerzin op het zuidelijk halfrond.
 
Luchtstroming rond hoge- en lagedrukgebieden.
  Anticyclonaal:
Het stromingsproces bij hogedrukgebieden op het noordelijk halfrond: cirkelvorming met de wijzers van de klok mee.

Anticyclonaal zadelgebied:

Zadelgebied waarin de invloed van de aanliggende hogedrukgebieden het grootst is. Het weerbeeld is erg rustig en doorgaans ook vrij zonnig.

Anticyclonale kromming:

Afbuiging van de isobaren naar rechts, gezien in de richting van de wind (op het noordelijk halfrond). Een rug van hoge luchtdruk is een voorbeeld van een isobarenpatroon met anticyclonale kromming. De bijbehorende verticale luchtbewegingen komen overeen met de anticyclonale luchtbeweging.

Anticyclonale luchtbeweging:

Luchtstroming rondom een hogedrukgebied. Op het noordelijk halfrond stroomt de lucht, van boven af gezien, in de richting van de klok rond het hogedrukgebied.
 
Op het zuidelijk halfrond precies andersom. In de onderste luchtlagen stroomt de lucht uit het hogedrukgebied weg (divergente luchtbeweging).
Deze wegstromende lucht wordt vervangen door lucht uit hogere luchtlagen, zodat in het hogedrukgebied een grootschalige dalende luchtbeweging aanwezig is. Deze dalende lucht wordt in een adiabatisch proces verwarmd, waardoor eventueel aanwezige bewolking kan oplossen. 

Antipassaat:
Windsysteem in de bovenlucht, dat samenhangt met de passaatwinden. Vanuit de subtropische hogedrukgordels tussen ongeveer 25 en 30° NB
en ZB stroomt langs het aardoppervlak de lucht naar de intertropische convergentiezone. Daar stijgt, mede onder invloed van de grotere
zonnewarmte aldaar, de lucht op. Vervolgens stroomt op grote hoogte de lucht weer in de richting van de polen: de antipassaat. In de subtropische hogedrukgordels daalt de lucht dan weer, zodat een circulatie ontstaat. Ten gevolge van de aardrotatie buigt de poolwaarts gerichte hoogtestroming op het noordelijk halfrond af naar rechts, dus oostwaarts, en in het zuiden naar links, eveneens oostwaarts.
 
De antipassaat is daardoor ook ongeveer tegengesteld gericht aan de overeenkomende passaatwinden.

Aphelium:

Het aphelium (uitgesproken: ap-helium) is het punt van de ellipsvormige baan van de aarde, planeet, planteoïde of komeet dat het verst van de zon is verwijderd. In de zomer, op 4 juli, is de afstand van de aarde tot de zon het grootst. In het perihelium staat de aarde het dichtst bij de zon. (152 miljoen km).

Apogeum:

Punt op de ellipsvormige maanbaan waar de maan het verst van de aarde staat (406.700 km).
 
 
Acrtische lucht:
Maritiem arctische lucht (mAl) heeft zijn oorsprong boven de Noordelijke IJszee Met uitzondering van de zomer, kan deze luchtsoort onze omgeving het hele jaar bereiken. mAl volgt een lange weg over zee en stroomt onze omgeving binnen langs de Noorse kust. De lucht is tot op grote hoogte relatief koud en krijgt op haar weg naar het zuiden sterk de eigenschappen van koude massa. Het binnenvallen van mAl gaat vaak, vooral in het voorjaar, gepaard met harde tot stormachtige noordwestenwinden en een grote daling van de temperatuur. De typische voorjaarsbuien zijn meestal kenmerkend voor de aanwezigheid van mAl. Behalve in buien is het zicht zeer goed en de hemel diepblauw van kleur. Continentaal arctische lucht (cAl) komt uit het noorden van Scandinavië. Evenals mAl, komt cAl in de zomermaanden in onze omgeving niet voor. In cAl kan de temperatuur gedurende de lange winternachten tot zeer lage waarden dalen. Door de lage vochtigheid komt er in deze luchtsoort in het algemeen niet veel bewolking voor. Soms kan er echter door de voortdurende afkoeling stratus-bewolking ontstaan. cAl is altijd koude massa. Het zicht is zeer goed.

Arctische zeerook: (soort advectieve mist)

Soort van mist die vooral voorkomt ten oosten van Labrador en Newfoundland, dáár waar de koude lucht die tussen Groenland en Canada wordt aangevoerd over de koude Labrador-stroming, in aanraking komt met het warme water van een van de uitlopers van de zgn. warme Golfstroom.
De arctische zeerook komt dikwijls voor bij flinke windsnelheden en kan gevaarlijk zijn voor met name de kleine scheepvaart.

Aride klimaten:

Andere naam voor droogte-klimaten, ofwel B-klimaten volgens Köppen. Om uit te rekenen of een klimaat tot de aride klimaten behoort, gebruikt men de formule RR < 2*T waarbij RR de jaarlijkse neerslaghoeveelheid is in cm en T de gemiddelde jaartemperatuur in graden Celsius.

Arifi:

Lokale wind in Bar Debib aan de Algerijnse kust. De naam is afgeleid van het Berberse aref, hetgeen uitdrogen betekent. Het is een sirocco-achtige zuidenwind, die hete continentaal tropische lucht (cTL) vanuit de Sahara aanvoert. De wind wordt ook wel chom genoemd.

Astronomische schemering:

De astronomische schemering begint als de zon op 12 graden beneden de horizon is gezakt. Voor het gevoel is het dan al behoorlijk donker.
Pas als de zon 18 graden of meer onder de horizon is gezakt is het officieel nacht.
 
Verticale indeling atmosfeer Bron: Kees floor
  Atmosfeer:
De atmosfeer is het gasvormige omhulsel van de aarde en is door de zwaartekracht aan de aarde gebonden. Zonder atmosfeer zou er op aarde geen leven mogelijk zijn. De atmosfeer tempert het zonlicht tempert tegen schadelijke ultraviolette
straling en houd de  energiebalans van de aarde in stand, zodat de aarde niet te warm of te koud wordt.

De atmosfeer kan op basis van temperatuurverandering met de hoogte onderverdeeld worden in verschillende lagen:

Thermosfeer, Mesopauze, Mesosfeer, Stratopauze, Stratosfeer,
Tropopauze, Tropsfeer.


De troposfeer is de laag tussen het aardoppervlak en heeft een gemiddelde hoogte van 13 km. Boven de polen is de troposfeer ongeveer 8Km dik, dit komt door de lagere temperaturen. Boven de tropen is door hogere temperaturen de troposfeer 16Km hoog. De troposfeer is voor het leven op aarde belangrijk omdat al het weer
hier plaats vindt. br />
DDe temperatuur neemt in de troposfeer 0,65°C af per 100 meter stijging in hoogte. Ook bevindt zich hier al het water die in de atmosfeer aanwezig is. Het water komt voor in vaste toestand in de vorm van sneeuw en ijs, in vloeibare vorm als wolkendruppels, regen, mist én in de vorm als gas zoals waterdamp.
 
Het onderste gedeelte van de troposfeer heet de atmosferische grenslaag. 's Nachts is deze enkele tientallen of hooguit enkele honderden meters dik; overdag bedraagt de grenslaaghoogte enkele km. De hoogte van de grenslaag hangt nauw samen met stabiliteit en windsnelheid.
 
De tropopauze ligt aan de bovenzijde van de troposfeer op het niveau waar de temperatuur niet langer afneemt met de hoogte. De temperatuur bedraagt er ongeveer -56 graden C en verandert daar niet of nauwelijks meer met de hoogte. Een luchtlaag waarin de temperatuur niet of nauwelijks verandert met de hoogte heet een isotherme laag. 

Boven de troposfeer bevindt zich de stratosfeer. Daarin is de invloed van het weer nog merkbaar als de toppen van grote buiencomplexen door de tropopauze heen schieten. Boven de isotherme laag van circa 5 km dikte neemt de temperatuur geleidelijk toe tot 0 graden C. Deze toename van de temperatuur is het gevolg van het vrijkomen van warmte bij de omzetting van zuurstof in ozon. In de stratosfeer wordt voortdurend ozon aangemaakt en afgebroken onder invloed van de ultraviolette zonnestraling. Op een hoogte van 25 tot 35 km is de verhouding tussen de intensiteit van de zonnestraling en het aantal zuurstofmoleculen optimaal; daar treedt dan ook de maximale ozonconcentratie op. Op grotere hoogte is de zuurstof al verdwenen en omgezet in ozon; op lagere hoogte is de zonnestraling al te veel verzwakt om het proces van ozonvorming nog effectief te laten verlopen.
 
De aardatmosfeer op zeeniveau bestaat uit de volgende gassen:

N2 (stikstof) 78,084% (78,1 %)
O2 (zuurstof) 20,946% (20,9 %)
Ar (Argon) 0.934% (0.9 %)
H2O (waterdamp) (wisselende hoeveelheden)
CO2 (kooldioxide) 0.032% (0,03%)

Het gehalte aan waterdamp in het bovenstaande lijstje is sterk wisselend; de overige percentages hebben betrekking op droge lucht. Toen de aarde pas was ontstaan was het aandeel kooldioxide in de atmosfeer veel hoger dan nu. Alle processen die samenhangen met het weer vinden plaats in de atmosfeer.

Bovendien zorgt het broeikaseffect ervoor dat warmte goed wordt vastgehouden. Vandaag de dag wordt het zuurstofgehalte in stand gehouden door groene planten en algen in de oceanen. Beide hebben daarin een ongeveer even groot aandeel. 
 
http://www.meteo-julianadorp.nl/Meteo-Julianadorp2/meteorologie/De-atmosfeer_bestanden/samenstelling.jpg
Gassen in de atmosfeer   Bron: Kees floor
 
Atlantic Multidecadal Oscillation: (AMO)
Hiermee wordt een schommeling bedoeld van de temperatuur van het oceaan water. Deze variatie, met een periode van 60 to 80 jaar, is een aantal jaren geleden goed onderkend. De mate van variatie wordt aangegeven door de zgn. AMO-index .

Atmosferische straalbreking:

Straalbreking die het zonlicht ondervindt in de atmosfeer. Het principe daarvan is gelijk aan de lichtbreking in een bak met water. Wanneer men schuin in het water kijkt, bevindt een voorwerp op de bodem zich schijnbaar op een ander plaats. Doordat de dichtheid van de lucht naar beneden
toe steeds groter wordt, worden de lichtstralen, eveneens naar beneden toe, steeds sterker in neerwaartse richting gebroken.Dit houdt in dat de lichtstralen de aarde bereiken langs een neerwaarts gebogen lijn. Licht dat ons bereikt langs een weg die dicht boven de horizon loopt, moet de langste weg afleggenen heeft daardoor de grootste straalbreking. Deze breking bedraagt onder normale omstandigheden maximaal 0,5°. Dat betekend dat als de zon op de horizon staat, zij in werkelijkheid reeds is ondergegaan of nog moet opkomen.

Automatische metingen:

Het KNMI heeft het meteorologische meetnetvolledig geautomatiseerd. De automatische meetpunten worden ook wel AVW-stations genoemd: Automatisch gegenereerde Visuele Waarneming. Essentieel op de stations is de Present Weather Sensor (PWS), die ter plaatse het zicht bepaald. Bovendien geeft de PWS aan waardoor het zicht wordt belemmerd: stof in de lucht, mist of neerslag. Ook meet de PWS de neerslagintensiteit, dus hoe hard het regent of sneeuwt en of deze neerslag met tussenpozen valt of continu.

Aurassos:

Lokale wind in het zuiden van Frankrijk aan de zuidkant van het Centraal Massief. Het is een sterke noordnoordwestenwind met de mistralkenmerken.

Austru:

Lokale wind in Roemenië. Het is een warme valwind met föhneigenschappen. De naam is afgeleid van het Latijnse auster, hetgeen zuidenwind betekent. De austru is een zuidwestenwind, die in het noordoosten van Roemenië waait vanuit de Karpaten. De austru levert doorgaans helder en droog weer op. 
 
Windstromingen
  Autan:
Is een warme wind die zijn oorsprong heeft aan de Middellandse Zee. Hij blaast uit de ZO-sector
tussen Montpellier en Perpignan. De gemiddelde windsnelheid ervan bedraagt rond de 50 km/h,
met windstoten die kunnen oplopen tot 70 à 80 km/h. Er bestaan twee types "autan":

"Autan blanc":

is het meest voorkomende type. Deze is krachtig en droog en kan gerust een week lang waaien.
Hij ontstaat wanneer er zich boven Centraal-Europa een anticycloon bevindt waarvan de zuidelijke
grens zich aan de Golf van Lyon uitstrekt. De lucht wordt door de Middellandse Zee vochtig en geeft aanleiding tot vorming van regen en mist boven het Languedoc en de Roussillon. Ten westen van de Cévennes en de Montagne Noir is hij droog en warm.  
 
 "Autan noir":
Deze is zwakker maar duurzamer dan het andere type. Deze ontstaat wanneer er zich boven de golf van Biskaje een laag bevindt waarvan de noordoost-kant boven het Langueoc uitsteekt waar de hemel betrokken en regenachtig is. Ten westen van de Cévennes wordt het weer beter en neemt de temperatuur toe.
 
Avondrood:
De fraaie kleuren bij schemering houden verband met de lange weg die het zonlicht van de laagstaande avondzon door de aardatmosfeer aflegt. Het zonlicht wordt tijdens deze lange route verstrooid door minuscule stofdeeltjes of waterdamp. Daardoor wordt het witte zonlicht ontleed in verschillende kleuren die we zien in de ochtend- of avondschemering. Het rode licht komt vooral uit de richting van de zon omdat die
golflengte het minst wordt verstrooid, dit heet het Tyndall-effect.

Avondrood ontstaat voornamelijk bij verstrooiing van zonlicht door stof. Op mooie warme dagen gaat er in de regel vervuiling in de lucht omhoog. In het licht van de laagstaande avondzon leidt dit stof tot roodkleuring. Dan hangt het dus vaak samen met verontreiniging en fraai weer.
 's Ochtends zweeft er meestal nog niet zoveel stof in de lucht.
Is de lucht dan rood dan wijst dat in de regel op waterdamp en een
hoge luchtvochtigheid. Morgenrood hangt samen met uiterst kleine waterdruppeltjes en een grotere neerslagkans. Dat laatste blijkt echter niet uit statistieken. Een roodkleuring van de atmosfeer kan ook veroorzaakt worden door vulkaanstof. Bij een explosieve uitbarsting komt het stof soms tot tientallen kilometers hoogte.
 
Avondrood  Foto: J.Bakker 
 
Op die hoogte valt geen regen zodat het vulkaanstof zich daar verzamelt; het kan jaren duren voordat het weer goeddeels is verdwenen.
Met de sterke winden die op grote hoogte waaien, wordt het stof wereldwijd verspreid. De rode gloed door vulkaanstof is alleen te zien bij stabiel
weer en door de grote hoogte waarop het zich bevindt zo'n half uur na zonsondergang. Opmerkelijke rode schemeringskleuren in Nederland kunnen dus veroorzaakt worden door vulkaanuitbarstingen uit verre landen, zoals de Filipijnen of Indonesië. 

Azimut:
Term in gebruik bij de presentatie van ontvangen echo's van een weerradar. Het is de windrichting waarin een radardoel wordt waargenomen.

Azoren-hoog:

Het hogedrukgebied in de buurt van de Azoren, een Portugese eilandengroep in het midden van de Atlantische Oceaan. Het behoort tot de subtropische gordel van hoge luchtdruk op het noordelijk halfrond. Het Azorenhoog vormt dikwijls het centrale gebied voor mooi weer situaties in Midden-Europa, maar het kan ook in samenwerking met het Ijsland-lagedrukgebied een westcirculatie tot stand brengen.