Meteorologische encyclopedie hoofdstuk B
 
Badland:
Engelse benaming voor gebieden met sterke regenerosie. Het proces is het sterkst bij zachte gesteenten in onbegroeid gebied. Het regenwater schuurt geultjes uit die samenkomen en groter worden. Op den duur ontstaat een dicht geulstelsel waarin al het vruchtbare bodemmateriaal wordt weggespoeld.
 
Backbent-occlusie:
Een backbent-occlusie is een occlusiefront dat om de kern van een depressie heen begint te krullen. Op satellietfoto's is deze herkenbaar als de depri de vorm van een 'krul' krijgt. Op weerkaarten of op de SatRep gaat het herkennen nog sneller. 
Op de laatstgenoemde staat er soms "BB-OCCL" bij vermeld.

De knijpzone is in dit geval de plaats nabij of net buiten het "uiteinde" van het teruggebogen occlusiefront, wanneer deze voor het eerst terug de depressiekern in begint te krullen. De isobaren zitten daar heel dicht op elkaar. Dat betekent een grote gradiënt met als gevolg veel wind. Beide meteorologische eigenaardigheden zijn op de geplaatste SatRep te zien.

De backbent van een stormdepressie die in de kracht van zijn leven is, passeert doorgaans snel. Zoals je ziet op de kaart, bevindt het occlusiepunt zich net buiten
de depressiekern en veroorzaakt de backbent-occlusie ter plekke een vore van lagedruk.
 
 
De passage van een backbent gaat op de barometer gepaard met een snelle, nog verdere daling van de luchtdruk, gevolgd door een bijna explosieve stijging. Op een barogram kan je een stijgklap goed herkennen. Maar op de al eerder genoemde isallobarische kaart zijn de luchtdrukstijgingen- en dalingen voor bijvoorbeeld heel Europa geplot.`Op dergelijke kaarten is de werkelijke waarde van
een stijgklap beter af te lezen dan op een barogram.
 
Ballonvaart:
Ballonvaarders en hun passagiers moeten alles van het weer weten alvorens ze veilig de lucht in kunnen. Voor ballonvaarders worden daarom speciale, gedetailleerde weersverwachtingen gemaakt. Een luchtballon heeft geen eigen aandrijving en is volledig afhankelijk van weer en wind;
het hangt van de wind af waar de ballon terechtkomt. Zowel bij de start als de landing zijn de windcondities van het grootste belang. Speciale verwachtingen zijn te vinden op internet en NOS Teletekst pagina 707.

Bandbliksem:

Op een band of lint lijkende bliksem. Het verschijnsel wordt veroorzaakt doordat het kanaal waardoor de ontlading plaatsvindt zich, waarschijnlijk onder invloed van de wind, horizontaal verplaatst. De deelontladingen gaan alle door hetzelfde kanaal. Duurt het nu maar lang genoeg voordat de gehele ontlading is voltooid, dan kan op een foto zo´n bliksem als een lint of band te zien zijn. Er is een groot aantal ontladingen nodig om een bandbliksem te laten ontstaan. Men heeft een bandbliksem waargenomen die 20 seconden duurde.

Banenkaart:

Weerkaart waarop door een meteoroloog de door de kern van een bepaald weersysteem gevolgde route is aangegeven. Voorbeelden daarvan zijn de kernen van lagedrukgebieden, hogedrukgebieden, daalgebieden en stijggebieden. De meteoroloog kan op deze wijze ook schattingen maken van toekomstige verplaatsingen. Tegenwoordig maakt de meteoroloog ook voor dit doel steeds vaker gebruik van de computer.

Bar:

Een oudere eenheid gebruikt voor druk. 1 bar is het equivalent van 100 kiloPascal. Een millibar (= 1/1000 bar) is hetzelfde als 1 hectoPascal (hPa).

Barat:

Buiige en soms hevige schade brengende wind, die waait over de Celebeszee tot aan de noordoostkust van het eiland Sulawesi (Celebes). De barat komt het meeste voor van december tot februari. Het is een plaatsgebonden en dus lokale wind, maar heeft geen specifieke eigenschappen.

Barber:

Lokale wind in Canada. Het is een hevige blizzard. De naam betekent barbier, ofwel kapper. Dat heeft alles te maken met de harde sneeuwkristallen die in die stormwinden met zeer koude continentaal polaire lucht (cPL) op de huid erg pijnlijk aan kunnen komen.

Baro:

Is Latijns voor 'druk'. Een barometer is dus eigenlijk een drukmeter van de lucht.

Barocline:

Een barocline is een golfvormige verstoring in de luchtstroming op de plaats waar warme en koude lucht elkaar ontmoeten. 
 
Barograaf:
Deze barograaf bestaat uit enige boven elkaar geplaatste bijna luchtledige dozen.
Bij vermeerdering van de luchtdruk gaat de bovenkant ervan omlaag en deze beweging wordt door de hefboom overgebracht waardoor de wijzer omhoog gaat. Wordt de luchtdruk kleiner, dan gaat de bovenkant van de dozen door de veerkracht naar boven en daardoor gaat de wijzer naar beneden.

Het uiteinde van de wijzer is voorzien van een pen met inkt. Deze pen rust tegen de papieren rol. Deze cilinder wordt weer door een mechanisme gedurende een week regelmatig rond- gedraaid. De pen beschrijft zo in het algemeen een kromme lijn.Op het einde van de week haalt men het papier van de rol af en kan men lezen hoe de luchtdrukverhouding
de afgelopen week is geweest. Op de papieren rol is een weekprogramma af te lezen.
Op de horizontale lijnen bevinden zich de getallen van de luchtdruk van beneden naar boven de cijfers 960 mb tot 1060 mb. En op de verticale lijnen weer de dag en uur indeling.   
 
Barograaf 
 
Barogram:
De continue registratie van een barograaf. Met name het karakter van de luchtdrukverandering is een belangrijk gegeven. De grootte van de luchtdrukverandering wordt telkens over een periode van drie uur bepaald en vermeid in de weerrapporten. 

Barokliene Atmosfeer:
ook wel: barokliene onstabiliteit) Ontwikkelende onstabiliteit ten gevolge van temperatuurverschillen in de atmosfeer boven een groot gebied. Voorbeelden daarvan zijn de slecht weergebieden bij een front, op de grens dus tussen twee luchtsoorten. Tegenover een barokliene atmosfeer
staat een barotrope atmosfeer.
 
Barometer
  Barometer:
De luchtdruk wordt gemeten met een barometer. In de meeste barometers zit een luchtledig doosje dat afhankelijk van de drukverandering meer of minder ingedrukt wordt. Die beweging wordt overgebracht op een wijzerplaat, waarop de luchtdruk kan worden afgelezen. De luchtdruk is de kracht die het gewicht van de lucht in de atmosfeer op een oppervlak uitoefent. In de weerberichten wordt de luchtdruk opgegeven in hectopascal (hPa).

Snelle veranderingen van druk gaan meestal vergezeld van veel wind of zijn voorbode van storm. Als de stand van de barometer snel oploopt of daalt betekent dat vaak dat het weer gaat veranderen. Uit onderzoek naar het verband tussen de barometerstand en het weer blijkt dat in 80% van de gevallen een stijgende luchtdruk tot een weersverbetering leidt en een dalende luchtdruk tot slechter weer.  
 
Barometercorrecties:
Om de barometeraflezingen op de verschillende plaatsen, met ook verschillende omstandigheden, te kunnen vergelijken dienen, volgens internationale afspraak, op de aflezing van een kwikbarometer diverse correcties te worden toegepast in een vaste volgorde.  

In de eerste plaats de zgn. B indexcorretie, waarmee onvolkomenheden van het instrument zelf worden gecompenseerd. Verder een temperatuurcorrectie. De lengte van een kolom kwik hangt immers mede af van de temperatuur van dat kwik. Vervolgens wordt gecorrigeerd naar
de geografische breedte waarop het instrument zich bevindt. Tenslotte wordt een hoogtecorrectie toegepast. De stand van de barometer wordt
herleid tot de waarde die zou worden afgelezen indien het instrument zich op gemiddeld zeeniveau zou bevinden. In Nederland wordt het NAP (Normaal Amsterdams Peil) aangehouden.

Barometrische druk:

Een andere naam voor luchtdruk. Het is de druk uitgeoefend door de atmosfeer op een gegeven punt. Deze wordt meestal weergegeven in hectoPascal (hPa).

Barotrope Atmosfeer:

Een luchtmassa (boven een bepaald gebied) waarin weinig temperatuurverschillen voorkomen. In een barotrope atmosfeer komen in het algemeen storingen moeilijk of niet tot verdere ontwikkeling. De barotrope atmosfeer staat tegenover de barokliene atmosfeer.

Beaufort schaal:

In vroegere tijden werd de windsnelheid geschat met name door zeelieden. Hierbij konden verschillen ontstaan doordat niet iedereen op dezelfde manier waarnam. In 1805 bepaalde een Engelse admiraal Sir Beaufort de graden van de naar hem genoemde schaal volgens de kracht van de wind op de zeilen en de snelheid van een fregatschip bij verschillende windsterkten. Vanaf 1838 stelde de Britse Marine het gebruik van de Beaufort's schaal verplicht. Deze "schaal van Beaufort" wordt niet meer in deze betekenis gebruikt. Tegenwoordig zijn deze graden vertaald in effecten van de wind op de golven en op verschijnselen boven land.
 
Beaufort Snelheid m/sec Snelheid km/h Kopen  Benaming stoomschepen sinds 1898
0 0.0 - 0.2 0 - 1 0 - 1  Stilte
1 0.3 - 1.5 1 - 5 1 - 3  Flauw en stil  /  Zwakke wind
2 1.6 - 3.3 6 - 11 4 - 6  Flauwe koelte  /  Zwakke wind
3 3.4 - 5.4 12 - 19 7 - 10  Lichte koelte  /  Matige wind
4 5.5 - 7.9 20 - 28 11 - 16  Matige koelte  /  Matige wind
5 8.0 - 10.7 29 - 38 17 - 21  Frisse bries  /  Vrij krachtige wind
6 10.8 - 13.8 39 - 49 22 - 27  Stijve bries  /  Krachtige wind
7 13.9 - 17.1 50 - 61 28 - 33  Harde wind
8 17.2 - 20.7 62 - 74 34 - 40  Stormachtig
9 20.8 - 24.4 75 - 88 41 - 47  Storm
10 24.5 - 28.4 89 - 102 48 - 55  Zware storm
11 28.5 - 32.6 103 - 117 56 - 63  Zeer zware storm
12 > 32.6 > 117 > 63  Orkaan
 
BECMG:
Afkorting van het Engelse becoming (= wordend). Wordt vooral gebruikt in de TAF en de TREND. Zij betekent dat er zich in een aangegeven periode naar verwachting een bepaalde verandering in weersgesteldheid zal voltrekken.

Bedekkingsgraad:

De mate waarin de hemel bedekt is met wolken. Deze wordt aan de hand van schattingen bepaald en uitgedrukt in achtsten. 0/8 is onbewolkt,
4/8 is halfbewolkt en 8/8 is geheel bewolkt. 
 

wolkenloos 

1/8

2/8

3/8

4/8

5/8

6/8

7/8

bewolkt

hemel niet zichtbaar
 
Belat:
Lokale wind in Saoedi-Arabië. Het is een noordwestelijke sirocco-achtige landwind, die vanuit de woestijnen erg warme continentaal tropische lucht (cTL) aanvoert. De belat manifesteert zich met name aan de zuidwestkust van het schiereiland en waait in de periode van december tot maart.

Benauwd:

Warm weer wordt als benauwd ervaren wanneer de lucht erg vochtig is. Men spreekt ook wel van drukkend, zwoel, klam of broeierig. Of iemand het benauwd heeft hangt ook af van inspanning, de gezondheid, de kleding en de mate van transpireren.

Benauwd weer: (drukkend weer)

Beschrijvende term voor een bepaald weerbeeld, dat samenhangt met de aanwezigheid van warme lucht met een zeer hoge relatieve vochtigheid.
Van de huid van het menselijk lichaam kan dan weinig vocht verdampen, waardoor een benauwd gevoel ontstaat. Dit weerbeeld is karakteristiek in
de zomer vlak voor onweer.

Bengalen-cycloon:

Tropische cycloon, die woedt in de Golf van Bengalen ten zuidoosten van India. Deze wervelstorm ontstaat in het zuidwestelijke deel van de
Golf van Bengalen en trekt vervolgens doorgaans in de richting van de klok langs de kusten van India en Birma, vooral in de maanden juni tot en
met november.

Beregenen:

Techniek in de fruitteelt om bij strenge vorst grote schade aan de fruitbomen te voorkomen. Wanneer er in het voorjaar strenge vorst wordt verwacht, bestaat het gevaar dat de jonge vrucht kapot vriest. De fruitteler sproeit dan water over de bomen. Dat water bevriest wel, maar omdat dat beregenen continu plaatsvindt, wordt de vrucht op de temperatuur van smeltend ijs gehouden: 0°C. Dit levert vaak de sprookjesachtige taferelen op van lange ijspegels die aan de bomen hangen.

Bergklimaat: (gebergteklimaat)

Klimaat dat sterk beïnvloed wordt door de hoogteligging. Met de toename van de hoogte daalt de gemiddelde temperatuur elke 300 m ca. 2°C,
wordt het verschil tussen ´in de schaduw´ en ´in de zon´ groter en neemt de neerslag toe. Op grote hoogte blijft ook in de zomer de temperatuur onder 0°C. Naarmate men hoger komt, neemt de windactiviteit toe. Deze omstandigheden maken dat de vegetatie naar boven toe minder wordt en daardoor de erosie sterker, zodat vaak kaal gesteente zichtbaar wordt (zonder bodemlaag), eventueel afgedekt door een laag sneeuw of ijs. De weersgesteldheden zijn uitzonderlijk: veelvuldig zijn er heftige onweersbuien, terwijl valwinden het weer in de lagere delen op slag kunnen doen veranderen. Als het gebergte hoog genoeg is zal er een E-klimaat ontstaan, waar de gemiddelde temperatuur in de warmste maand niet hoger
wordt dan 10°C.

Bergstation:

Waarnemingsstation in de bergen. Vanwege de grotere hoogte waarop het station is gebouwd ten opzichte van zeeniveau, zijn er wel eens
problemen ten aanzien van de herleiding van de Luchtdruk. Ook zijn er soms, doordat nu eenmaal in het bergland het weerbeeld van dal tot dal
sterk uiteen kan lopen, grote verschillen in de door naburige bergstations gerapporteerde weersomstandigheden.

Bergwind:

Tegenovergestelde van de dalwind. Beide winden zijn, net als de land- en zeewind, Lokale winden die optreden ten gevolge van de dagelijkse gang, van de temperatuur. De bergwind is een koude wind en waait tijdens de avond en de nacht vanaf de bergen naar het dal. Hij ontstaat in het algemeen tijdens heldere nachten met weinig wind. Na zonsondergang koelt de lucht tegen de berghellingen sterker af dan de lucht op gelijke hoogte boven het dal. De koudere lucht heeft een grotere dichtheid en op die manier ontstaat er een koude luchtstroming vanaf de berghellingen naar het dal.
De bergwind wordt vaak in de nanacht nog versterkt, doordat in de loop van de nacht de lucht in het dal verder afkoelt. Het temperatuurverschil met
de lager gelegen, en dus ook warmere uitgang van het dal wordt daardoor groter. Er ontstaat een klein relatief hogedrukgebied boven het koude dal
en een klein relatief lagedrukgebied boven de warmere dal uitgang. Op die manier komt er een extra luchtstroming op gang van het hoge- naar het lagedrukgebied, dus vanuit het dal naar de daluitgang, met als gevolg een windtoename.

Bestendige wind:

Vrij zwakke wind van gelijkmatige sterkte die continu voelbaar is. Het tegenovergestelde hiervan is een vlagerige wind of buiige wind.

Bestendig weer:

Rustig weertype dat gedurende een lange periode weinig van beeld verandert. Doorgaans is daar sprake van in de nabijheid van een groot en
krachtig hogedrukgebied.

Bergen:

Vooral hoge bergen hebben grote invloed op het weer. De lucht heeft vaak moeite om een berg te passeren zodat het aan de ene kant van de berg heel ander weer kan zijn dan aan de andere. Bergen hebben ook invloed op de wind en kunnen zorgen voor een versnelling van de wind. Bovendien kunnen bergen de vorming van wolken en neerslag versterken.
 
Betrokken:

Volledig (8/8) bewolkt. In metarberichten dikwijls afgekort tot OVC (overcast).

Bevriezen:

Natuurkundig proces. Het overgaan van water van de vloeibare naar de vaste fase. Voorbeelden zijn het bevriezen van een plas water en het bevriezen van mistdruppels tegen de bladeren van een plant (rijp). Het bevriezen is een exotherm proces. Bij een ander materiaal dan water heet dit proces ´stollen´.

Bewolking:

Bedekkingsgraad van de hemel met wolken. In de meteorologische rapporten wordt deze doorgaans in octa´s (achtsten) aangegeven.
In de luchtvaartberichtgeving gaat dat anders. Dat is te zien op pagina 707 van Teletekst.
feu = 1 en 2 octa´s bewolking
sat = scattered = 3 en 4 octa´s bewolking
brkn = broken = 5,6 en 7 octa´s bewolking
ovc = overcast = geheel bewolkt
Achter deze code is een getal vermeid en dat is de hoogte van de betreffende wolkenbasis in honderden voeten.
De soort bewolking wordt hier niet vermeld. 
 
Bijzon:
Bijzonnen verschijnen als twee heldere plekken aan beide kanten van de zon. Hierdoor ontstaat de illusie dat er 3 zonnen aan de hemel staan. Ze komen vaak in een combinatie
met een 22-graden-halo voor en worden onder dezelfde omstandigheden geproduceerd.

Bijzonnen zijn het resultaat van zonlicht dat door een dunne laag ijskristallen gaat, die zich binnen een Cirruswolk bevinden of op lager niveaus vallen. Bijzonnen komen alleen voor als
de hexagonale ijskristallen een horizontale oriëntatie hebben. Dat wil zeggen met de grote platte kanten (van het achthoekig ijskristal) naar beneden gekeerd. Er is dus een groot aantal willekeurige vallende ijskristallen nodig om bijzonnen in stand te houden.

Als ze goed ontwikkeld zijn, kunnen beide bijzonnen licht gekleurd zijn. Rood aan de binnenkant en blauw aan de buitenkant. Soms verschijnt er maar een bijzon of is de ene bijzon merkelijk helderder dan de andere. Ze zullen echter meestal als twee heldere of oplichtende plekken zonder een bepaalde kleur aan beide kanten van de zon
 
Bijzon aan de rechterkant van de zon.  
Foto: A.C. Hoegen
 
Bijzonnen kunnen ook ontstaan door lichtreflecties in een dunne laag ijskristallen binnen een Cirruswolk verschijnen. Een ongewoon heldere maan kan hetzelfde effect teweegbrengen, maar deze zogenaamde bijmanen komen zeer zelden voor.

Bijzonnen kunnen soms in de loop van de dag samen met de zon aan hoogte winnen, hoewel dit niet verder kan gaan dan tot een hoek van 45° boven de horizon. Als de bijzonnen door een Cirruswolk worden teweeggebracht, kan dit duiden op de nadering van een frontaal systeem of op een zich ontwikkelend lagedrukgebied. 
 
Bimetaalthermometer:
Deformatiethermometer waarbij het temperatuurgevoelige element bestaat uit een stuk bimetaal. Dit is een, meestal gebogen, strook van twee op elkaar bevestigde strippen van metalen met een verschillende uitzettingscoëfficiënt. Bij verandering van temperatuur verandert de strook van vorm, doordat het ene metaal anders op de temperatuurverandering reageert dan het andere. De strook buigt meer of strekt zich juist. Op een achter het uiteinde van de strook gemonteerde schaalverdeling is vervolgens de heersende temperatuur af te lezen.

Binnenzee:

Zoutwatergebied dat geheel of vrijwel geheel omsloten is door land. Door de beschermde ligging heeft een binnenzee meestal een karakteristieke flora en fauna. De stroming van het water in binnenzeeën wordt bepaald door windrichting, eb- en vloedbeweging en door dichtheidsverschillen die ontstaan door verschil in temperatuur of zoutgehalte.

Bioklimatologie:

Tak van de klimatologie die het verband tussen levensvoorwaarden en klimaten en dus ook de invloed van bepaalde klimatologische verschijnselen op mensen, dieren en planten onderzoekt. Bijvoorbeeld de vraag of de gemiddelde mens op een grijze en druilerige dag een slechter humeur heeft dan op een stralende zomerdag.

Biosfeer:

Het dunne buitenste laagje van de aardbol en het gedeelte van de lucht daarboven waarin zich het leven afspeelt. Binnen de biosfeer bestaat een evenwicht tussen opbouwen verbruik van organische stoffen, de basis van alle leven. Alle organismen hebben een eigen functie bij het handhaven van het biologisch evenwicht. De mens is het enige organisme dat zozeer ingrijpt dat het evenwicht ernstig en onherstelbaar verstoord dreigt te worden.

Bise brune:

Lokale wind in Frankrijk. Noordwestelijke bise aan de Rhöne in de Dröme-vallei.

Bise nègre:

Lokale wind in Frankrijk. Noordoostelijke bise die voorkomt aan de zuidwestkant van het Centraal Massief.

Bise noire:

Lokale wind in Frankrijk en Zwitserland. Bise uit het noorden tot noordoosten in het kanton Genève, in de zuidelijke Jura en de Morvan. De naam heeft deze wind te danken aan het feit dat hij doorgaans gepaard gaat met een donkere wolkenlucht.

Bjerknes, paradox van:

De paradox van Bjerknes (een Noorse fysicus en een van de belangrijkste meteorologen van de 20e eeuw) heeft betrekking op het feit dat het kort na de passage van een koufront vaak warmer is dan ervoor. Weliswaar heeft de luchtlaag van enige dikte dan een lagere temperatuur dan een luchtlaag van eenzelfde dikte vóór het koufront, maar voor het koufront uit kon een dunne koude plaklaag aanwezig zijn. Ook kan na de passage van een koufront de zon schijnen in een veel meer onstabiele atmosfeer dan ervoor. Daardoor kan de temperatuur aan de grond gemakkelijk een paar graden hoger zijn, terwijl die op een hoogte van 1000 meter graden kouder is.
 
B-klimaat:
Een droog klimaat of aride klimaat is een klimaat waar zo weinig neerslag valt, dat boomgroei niet mogelijk is en waar permanente rivieren niet hun oorsprong kunnen hebben. Volgens de klimaatclassificatie van Köppen is dit een B-klimaat. De classificatie wordt bepaald door middel van de droogte-index die uitgaat van de jaarlijkse verdamping. Deze index bepaald ook de grens tussen het zeer droge woestijnklimaat en het minder droge steppeklimaat.

Woestijnklimaat:

als de neerslag r (in cm) minder is dan de temperatuur T (in graden Celsius) waarbij een constante waarde C is opgeteld (r<T +C).

Steppeklimaat:

geldt dat r<2(T +C). De constante C is naar gelang de neerslag in de winter, zomer of over het hele jaar verdeeld valt, respectievelijk 0, 14 en 7.
 
Bijzon aan de rechterkant van de zon.  
Foto: A.C. Hoegen
 
Door voor de contante verschillende waarden te nemen benadrukte Köppen het belang van de verdamping. In de zomer is door de grotere warmte de verdamping sterker dan in de winter. Bij een gelijke hoeveelheid neerslag zal er eerder een woestijn ontstaan wanneer de neerslag in de zomer valt, dan wanneer de neerslag in de winter valt. Vandaar ook, dat Köppen aan het steppeklimaat de code Bs gaf en aan het woestijnklimaat de code Bw, waarbij de s en de waangeven dat de droge periode in de zomer resp. de winter valt.

Droge klimaten bevinden zich in gebieden waar dalende luchtbewegingen overheersen. Deze gebieden staan onder invloed van de subtropische hogedrukgebieden, rond de 30° NB en ZB (o.a. Sahara, Saoedi-Arabië, Centraal-Azië, Zuid-Afrika en Australië). Daarnaast vindt men droge streken
in gebieden die in de regenschaduw van bergketens liggen (o.a. delen van Argentinië).
 
Blauwe lucht met enkele wolken. Goed te zien is dat het blad bovenaan dieper van kleur is 
  Blauwe lucht:
Het licht van de zon is wit, maar toch is een hemel zonder wolken blauw. Het witte zonlicht is ook niet puur wit: het is samengesteld uit verschillende kleuren met uiteenlopende golflengten. In volgorde van afnemende golflengte zijn dat: rood-oranje-geel-groen-blauw-indigo-violet. Lucht moleculen verstrooien alleen licht met korte golflengten. Daarom zien we tegen de zwarte achtergrond van de wereldruimte alleen blauw: de blauwe lucht dus.

Grotere deeltjes verstrooien alle kleuren in het witte zonlicht en leveren dus ook wit licht op. Als er dus veel stof of vocht (waterdruppeltjes) in de atmosfeer zit, dan wordt de blauwe kleur fletser wordt of zelfs witachtig. In een industriegebied zien we daarom zelden een diepblauwe lucht. Tijdens opklaringen na een regenbui, die de lucht heeft schoon gewassen, en in schone lucht aangevoerd uit de poolstreken is de lucht donkerblauw.Hoe droger en schoner de lucht, hoe blauwer de kleur. Vandaar dat we ook hoog in de bergen vaak een prachtige blauwe hemel zien. Een diepblauwe lucht wijst meestal op een lage relatieve vochtigheid.
 
Het hemelblauw is alleen zichtbaar tegen een donkere achtergrond. Hoog aan de hemel recht boven ons hoofd is dat de zwarte sterrenhemel,
maar om de stralen nabij de horizon te zien moeten we over een grotere afstand door een dikke luchtlaag bij het aardoppervlak heenkijken.
Laag in de atmosfeer zitten meer grotere deeltjes en waterdruppeltjes waardoor we de zwarte achtergrond niet meer kunnen zien. Daarom is de blauwe kleur bij de horizon vaak bleker of bijna wit. Als er in de verte bergen te zien zijn fungeren die als donkere achtergrond. Daar ligt dan soms een blauwig waas overheen.
 
Buiten onze dampkring, waar het licht niet wordt verstrooid, is de hemel inktzwart en zijn ook overdag de sterren zichtbaar. In de weerrapporten wordt een hemel waarin de waarnemer geen of vrijwel geen wolk kan bekennen aangegeven als onbewolkt. Dunne sluierwolken waar de zon doorheen schijnt worden als licht bewolkt gerapporteerd, ook al bedekken ze de hele hemel.  

Black Frost:

Zeer snelle afzetting van ijs op de bovenbouw van masten van schepen als gevolg van nevel, mist of (onderkoelde) motregen. De koude, vooral stalen delen van de schepen worden bedekt met een dikke laag, vaak hard en doorzichtig ijs. Het ijs kan plotseling zo dik worden dat de stabiliteit van het schip in gevaar komt en het schip zelfs kan kapseizen.

Soms wordt 'black frost' ook wel 'glaze' genoemd. De tegenhanger op zee van 'black frost' is 'white frost', dit is ijsafzetting als gevolg van overkomend zeewater. Dit vormt veel witter ijs. 
 
Black Frost Bron: groupocean
 
Bliksem:
De sterke elektrische ontlading in onze atmosfeer die bij onweer voorkomt. Voor de hoofdontlading vindt er er een (zwakke) inleidende voorontlading plaats. De lucht in de directe omgeving van het bliksemkanaal warmt in korte tijd (enkele miljoenste seconde) zodanig op en expandeert enorm.
De verplaatsing van deze lucht nemen we waar als de donder. Spanningen kunnen snel oplopen tot enkele honderden kilovolts en de stromen in het bliksemkanaal bereiken gemakkelijk ettelijke duizenden ampère.

Bliksemgevaar:

De bliksem is n van de gevaarlijkste weersverschijnselen. Het is dan ook raadzaam om bescherming te zoeken, zeker wanneer het onweer nabij is en de tijd tussen bliksem en donder minder dan 10 seconden bedraagt. Het is verstandig om al alerte zijnlset gerommelanneer in de verte hoorbaar is.et gevaar om persoonlijk door de bliksem getroffen te worden is relatief gering, maar de gevolgen kunnen ernstig zijn. Gemiddeld worden tegenwoordig in Nederland 1 of 2 mensen per jaar dodelijk door de bliksem getroffen, vroeger waren dat er waarschijnlijk meer.
 
  Blikseminslag:
Het inslaan van de bliksem. In principe is het niet zo, dat de bliksem altijd op het hoogste punt inslaat. De bliksem zoekt altijd de gemakkelijkste weg door de atmosfeer. Deze weg wordt vooral bepaald door de verspreiding van de elektrische lading in de lucht. Pas in de onderste 100 m wordt bepaald op welke plaats de bliksem in zal slaan.

In veel gevallen zal dat inderdaad een hoog punt, zoals een schoorsteen, of een punt van een goed geleidend materiaal zijn. Metalen zijn natuurlijk goed geleidende materialen. Maar dat geldt ook voor het menselijk lichaam. Daardoor loopt een mens in een weiland evenveel kans door de bliksem te worden getroffen als een metalen paal in de buurt die ongeveer dezelfde grootte heeft.
 
In de hele wereld zijn op elk moment zo´n 1800 onweders actief, die bij elkaar zorgen voor maar liefst tussen 8 en 9 miljoen inslagen per dag.
In feite zijn er twee soorten bliksem. De eerste is een felle, zeer korte stroomstoot van minder dan één duizendste seconde met een stroomsterkte van 5000 tot 200.000 ampère. Door de zeer hoge temperatuur kanin de onmiddellijke nabijheid van de straal een luchtdruk ontstaan van 100 maal
de atmosferische druk. Deze bliksem veroorzaakt explosieve schade, stukken uit schoorstenen e.d., en maar zelden brandschade. De andere is
een stroomstoot die veel langer duurt, enkele tienden van seconden, en die een veel lagere sterkte heeft, nl. van 100 tot 300 ampère. Bij licht ontvlambare materialen, zoals rieten daken, veroorzaakt hij vaak brand. Deze laatste bliksem wordt ook wel ´warme bliksem´ genoemd.

Bliksemstraal: (bliksemflits)
Bliksemstralen komen zowel horizontaal (tussen wolken of binnen een wolk) als verticaal (tussen een wolk en het aardoppervlak) voor. De verticale stralen zijn gemiddeld zo´n 6 km lang; de horizontale ontladingen tussen de 8 en 16 km. De doorsnede is 2 tot 3 cm. De bliksemstraal heeft een snelheid in de orde van 60.000 km, ongeveer anderhalf maal de omtrek van de aarde, per seconde. De temperatuur in de bliksemstraal ligt rond de 30.000°C, ongeveer vier maal zo heet als het oppervlak van de zon. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, gaan de meeste bliksemstralen van beneden naar boven. Voorafgaand aan deze ontladingen heeft er wel een vrijwel onzichtbare voorontlading plaats vanuit de wolk naar het aardoppervlak. De ontlading bestaat uit een groot aantal deelontladingen, die alle door hetzelfde bliksemkanaal gaan.

Bliksemontlading:

Een bliksemontlading bestaat uit 3 deelprocessen: de voorontlading ("stepped leader"), de hoofdontlading, en een eventuele vervolgontlading door hetzelfde ionisatiekanaal ("return stroke"). De voorontlading ontstaat van de wolk en springt in stappen van 50-100 m naar het aardoppervlak en
maakt daarmee het ionisatiekanaal. Dit betekent dat op een hoogte van 50-100 m boven het aardoppervlak de bliksem "beslist" waar hij gaat
inslaan binnen een gebied van zeg 50 m rond het uiteinde van de voorontlading. De daadwerkelijke inslag volgt het ionisatiekanaal geproduceerd
door de voorontlading. Op een hoogte van 50-100 meter maakt een geleidende pen van 2 meter hoogte weinig indruk en zal dus een zeer geringe aantrekkende werking hebben.

Blizzard:

Zeer koude, noordelijke lokale wind in Canada en Noord-Amerika. Blizzards zijn hevige sneeuwjachten, die optreden bij passages van koufronten in de winter. Achter het koufront wordt continentaal polaire lucht (cPL) aangevoerd waardoor sterke temperatuurdalingen optreden. Deze striemende winden zijn vaak beladen met verblindende poedersneeuw, die onderweg van de grond wordt meegenomen. Dank zij de noord-zuid ligging van de gebergten kunnen de noordenwinden tot diep in het binnenland van de VS doordringen, waar zij op de warme zuidenwinden stoten.
De arctische lucht dringt dan soms door tot de subtropen. In Europa hebben deze stormen veel minder invloed omdat de arctische lucht daar eerst een lange weg over de relatief warme zee heeft afgelegd.

Bloedregen:

Regen die door rood Saharastof (-zand) is gekleurd.

Blokkade:

We spreken van een blokkade als een hogedrukgebied ook in de hogere luchtlagen sterk aanwezig is. Het hogedrukgebied blokkeert de doorgang van depressies en stuurt ze naar het noorden of zuiden. Blokkades veroorzaken in Nederland vaak winters met schaatsijs en zomers met warmte

Bloknummer:

Ten behoeve van de meteorologische berichtenuitwisseling is de geografische wereldkaart verdeeld in een groot aantal genummerde kleine gebieden. Zo heeft Nederland, samen met België, Luxemburg, Denemarken en Zwitserland het bloknummer 06. De Britse eilanden hebben het bloknummer 03, Frankrijk 07, Spanje en Portugal 08, enz. Aan dit bloknummer wordt vervolgens het stationsnummer toegevoegd.

Blue jets:

Dit zijn blauwachtige stralen die verticaal schuin omhoog schieten en een hoogte bereiken van 40-50 kilometer. Ze komen niet zo hoog als de rode sprites, maar lijken wel duidelijker. De blue jets schieten omhoog met een snelheid van 350.000 kilometer per uur. Ze worden in verband gebracht met de hagel in buien.

Bohorok:

Lokale wind, genoemd naar het gelijknamige gebied waar hij voorkomt. Bohorok is een streek ten noordwesten van Medan op het eiland Sumatra in de Indonesische archipel. Het is doorgaans een warme valwind vanuit het westen tot zuidwesten met duidelijke föhneigenschappen. In bepaalde omstandigheden kan de bohorok zich echter ook wel als een koude valwind gedragen. De bohorok komt op vrijwel geheel Sumatra voor, aan de lijzijde van de bergketens over de hele lengte van het eiland: van het Karogebergte in het noorden tot het Barisan-gebergte in het zuidwesten. De wind komt vanaf de Indische Oceaan, is oorspronkelijk vrij vochtig, maar verliest zijn meeste vocht bij het overschrijden van de gebergten.

Bolbliksem:

Een eigenaardig type bliksem in de vorm van een bol die zich traag voortbeweegt. Deze bol kan plotseling verdwijnen in het niets, ofwel met een explosie. De afmetingen ervan variëren van de grootte van een tennisbal tot zo'n 10 à 20 cm in diameter. Over het ontstaan ervan zijn verscheidene theorieën, echter geen enkele is tot nu toe bewezen.

Bolle wind:

Een warme luchtstroming uit het zuiden wordt in de zeilwereld ook wel een bolle wind genoemd. Tegenovergesteld is een holle wind voor een koude luchtstroming uit het noorden.

Bovenraakboog:

Optisch verschijnsel, dat op het hoogste punt van een kring om de zon vaak in gebogen V-vorm te zien is en in wezen een onderdeel vormt van een andere lichtkring.

Bora:

Lokale wind, die langs vrijwel de gehele kust van het voormalige Joegoslavië voorkomt. Bora komt van ´boreas´, in het Grieks de ´noordenwind der Hellenen´. De bora is het prototype van een koude valwind en laat zich het meest in het winterhalfjaar voelen. Het is een katabatische wind,
stromend vanuit het hooggelegen binnenland, in dit geval dus de Balkan, naar de warmere kusten. Boven hooggelegen, met sneeuw bedekte en dus koude, plateaus is de lucht relatief zwaar en bevindt zich daardoor doorgaans een zwak hogedrukgebied. De Adriatische Zee is daartegenover dan relatief warm. Aangezien warme lucht lichter is dan koude lucht, ontstaat daar dus een zwak lagedrukgebied. Op deze manier komt er een stroming op gang van het hogedrukgebied naar het lagedrukgebied. Wanneer de stroming aan de rand van het kustgebergte is aangeland, valt deze ijskoude en zware luchtmassa als het ware naar beneden. Ondanks de adiabatische verwarming, van ongeveer 1°C per 100 m, die de lucht ondergaat, is de lucht die vanuit de bergen naar de kust stroomt aanmerkelijk kouder dan de lucht die daar in eerste instantie aanwezig was. De ijzige winden van de bora bereiken soms snelheden van 200 km per uur.

Boswind:

Lokale wind, die voorkomt aan de rand van bosgebieden. De boswind waait vanuit het bos in de richting van de aangrenzende velden en is het tegenovergestelde van de veldwind. Deze winden zijn vergelijkbaar met zee- en landwind en met berg- en dalwind. Het zijn allemaal winden die ontstaan ten gevolge van het dagelijkse verloop van de temperatuur. Het bos is in de nacht warmer en overdag koeler dan de aangrenzende velden. Boven het koudere vlak ontstaat een relatief hogedrukgebied en boven het warmste vlak ontstaat een relatief lagedrukgebied. Er komt dan een zwakke stroming op gang van het hogedrukgebied naar het lagedrukgebied. Door verwarming door de zon is de oppervlakte van het veld overdag doorgaans warmer dan het bos. De boswind waait dus vooral overdag, tijdens warme dagen.

Bosbranden:

Bosbranden ontstaan niet alleen door droogte maar ook de blikseminslagen. In grote delen van de Verenigde Staten en Australië is dat zelfs een van de belangrijkste oorzaken van bosbranden. Voor het opsporen van bosbranden maken de Amerikanen gebruik van beelden van de Terra-satelliet. Het Duitse KNMI (Deutscher Wetterdienst) hanteert een waarschuwingssyteem voor bosbranden en onderscheidt vijf waarschuwingsfasen: bij fase 1 is het risico op bosbranden zeer gering, fase 5 staat voor zeer groot gevaar.

Bourdon-thermometer:

Dit is, evenals de bimetaalthermometer, een deformatiethermometer. Het principe is echter anders. De Bourdon-thermometer is een dunwandige, gebogen metalen buis, gevuld met een organische vloeistof. Ook hier is de mate waarin het element van vorm verandert een indicatie voor de heersende temperatuur. Bij toename van de temperatuur zet de vloeistof in de buis uit, waardoor de buis zich meer strekt. Een aan het element bevestigde wijzer maakt de temperatuur op een schaalverdeling zichtbaar.
 
Bovenlucht:
Term voor de verzameling van luchtlagen boven de grenslaag. Het deel van de meteorologie
dat zich met de bestudering van de bewegingen in de boven lucht bezighoudt is de aërologie. De richting en snelheid van de stromingen in de bovenlucht zijn uitermate belangrijk voor de weersverwachtingen. Ze bepalen immers waarvandaan de lucht op de diverse hoogten wordt aangevoerd en welke eigenschappen de lucht in onze omgeving dus zal gaan hebben 

Bracknell:

Plaats in Engeland, ongeveer 60 km ten westen van Londen, waar de computers van het Europese regionale inzamelcentrum van het Global Telecommunication System (GTS) staan. In deze plaats is tevens de Engelse nationale weerdienst gevestigd.
 
 Luchtdruk  Hoogte
 850 hPa  ca. 1500 mtr hoogte
 700 hPa  ca. 3000 mtr hoogte
 500 hPa  ca. 5500 mtr hoogte
 300 hPa  ca. 10.000 mtr hoogte
 
Breedtegraad:
Afstand tussen twee breedtecirkels of parallellen. De breedtecirkels lopen parallel aan elkaar. Tussen de evenaar en de noordpool zijn 90 breedtegraden, evenals tussen de evenaar en de zuidpool. De afstand tussen de breedtecirkels is telkens iets meer dan 110 km. Nederland bevindt zich op een breedte van ongeveer 52° noorderbreedte. Zie ook: coördinaten.

Brekingsindex:

De mate waarin licht wordt gebroken, uitgedrukt in een verhoudingsgetal. In de meteorologie de mate van breking van het zonlicht. Het zonlicht is wit licht en is dus opgebouwd uit alle kleuren. Doordat elke kleur een verschillende brekingsindex heeft en dus, in bepaalde omstandigheden, onder een andere hoek door de atmosfeer heen gaat, ontstaan fenomenen als regenboog, avondrood, enz.

Breva del lago:

Lokale wind op de grens van Zwitserland en Italië. Het is een landwind aan het Meer van Lugano. Door de ligging van het meer in de bergen heeft de wind ook de kenmerken van een dalwind.

Breva di Como:

Lokale wind in het noorden van Italië. Het is een landwind aan het Comomeer. Door de ligging van het meer in de bergen heeft de wind ook de kenmerken van een dalwind.

Brickfielder:

Lokale wind aan de zuidoostkust van Australië bij Sydney. Het is een hete, stofbeladen sirocco-achtige noordenwind, die vanuit het Australische binnenland continentaal tropische lucht (cTL) aanvoert. De naam dankt deze wind aan het feit dat hij heel veel stof oppikt bij de passage langs de steenbakkerijen in de buurt van de stad.

Bricklayers:

Lokale winden in het zuiden van de Verenigde Staten. De vertaling van de naam is ´metselaars´. Het zijn sirocco-achtige noordenwinden, die enorme hoeveelheden zand en stof meevoeren, waarmee de huizen als het ware worden bedekt. Ze worden ook wel ´hot winds´ of ´heat waves´ genoemd.

Briefing:

Het verstrekken van meteorologische informatie aan een specifieke gebruiker. Met name op vliegvelden worden vertrekkende piloten routinematig gebrieft. Een piloot is verplicht zich op de hoogte te stellen van de meteorologische omstandigheden die tijdens de vlucht aangetroffen kunnen worden. Daartoe kan hij ten behoeve van de vluchtvoorbereiding van elke luchthaven mondelinge voorlichting ontvangen en bovendien in het bezit komen van relevante meteorologische vluchtdocumentatie. Deze documentatie bevat doorgaans één of meer hoogtestromingskaarten, een significant weather chart (SWC) en de TAF´s van de bestemmings- en enkele uitwijkhavens.

Bries:

Uit de zeevaart afkomstige benaming van de wind.

Brisa:

Lokale wind in Argentinië. Het is een zeewind nabij Montevideo, in de monding van de Rio de La Plata.

Broebroe: (brubru)

Lokale wind in het zuidwesten van Sulawesi (Celebes), in de Indonesische archipel. De wind waait van juni tot en met oktober, in hoofdzaak uit het zuiden. Het is een buiige, maar warme valwind.

Broeikaseffect:

Is de naam die gegeven wordt aan de algemene opwarming van onze atmosfeer die veroorzaakt wordt door de zogenaamde broeikasgassen zoals waterdamp, koolstofdioxide (CO2) etc. (Klimaatverandering en Broeikaseffect)

Brongebied:

In het algemeen in de meteorologie een gebied waar de voor een bepaalde verwachtingstermijn te beschouwen lucht zijn oorsprong heeft.
Met betrekking tot het ontstaan van een luchtsoort een uitgestrekt gebied met een min of meer homogeen aardoppervlak, zoals zee, woestijn, begroeiing, sneeuw­of ijsvlakte. Daarnaast moeten de waarden van de oppervlaktetemperatuur en -vochtigheid in het hele brongebied ongeveer gelijk zijn. Op die manier krijgt een hoeveelheid lucht die enige tijd in dat brongebied verblijft een tamelijk homogene samenstelling. Voorbeelden van brongebieden zijn de Atlantische Oceaan, de Sahara, de Russische steppen (zowel ´s zomers als ´s winters), en het gebied rond de noordpool.
Op het zuidelijk halfrond het binnenland van Australië, de tropische regenwouden, Antarctica, enz.
 
BS-klimaat:
Het s teppeklimaat is eigenlijk een soort overgang tussen het subtropisch klimaat en het woestijnklimaat (tussen de evenaar en de keerkringen) en beslaat 14% van het aardoppervlak.

Volgens de klimaatclassificatie van Köppen is het steppeklimaat een
BS-klimaat. Het is daarom een droog klimaat (B-klimaat). Het verschil tussen een steppeklimaat, woestijnklimaat en de andere hoofdklimaten wordt door Köppen bepaald aan de hand van de droogte-index.

BSh:
warm steppeklimaat; de gemiddelde jaartemperatuur is hoger dan 18°C

BSk:
koud steppeklimaat; de gemiddelde jaartemperatuur is lager dan 18°C
 
Steppen klimaat
 
Bui:
Een bui is een wolk, waaruit korte tijd neerslag valt, in het algemeen korter dan een uur. Een bui kenmerkt zich meestal door wisselende intensiteit van de neerslag. Een winterse bui is een bui met sneeuw, natte sneeuw of hagel. In maart ook wel maartse bui genoemd. Daarnaast kennen we onweersbuien en sneeuwbuien. In de zeilwereld heeft bui een andere betekenis en wordt er een windvlaag mee bedoeld Een gemiddelde bui heeft
een levensduur van ongeveer een half uur en maakt verschillende stadia van ontwikkeling door. Het begint met convectie, waarbij in gunstige omstandigheden (voldoende vocht en onstabiliteit) in het convectief condensatieniveau een kleine wolk van het geslacht cumulus ontstaat: een cumulus humilis.

Vervolgens ontwikkelt de wolk zich via de cumulus mediocris en de cumulus congestus tot de cumulonimbus: de buienwolk. In dat laatste stadium
is de cumulonimbus voorzien van een ijskap in de vorm van een aambeeld: de incus. Ten slotte vallen de neerslagelementen in de vorm van regen, sneeuw, hagel, of een combinatie daarvan uit de wolk naar het aardoppervlak. De intensiteit en de vorm van de neerslag hangt af van de hoeveelheid vocht in de lucht en de mate van onstabiliteit. Hoe groter de onstabiliteit, des te sterker zijn de stijgende luchtbewegingen en des te langer worden
de neerslagelementen als het ware vastgehouden en kunnen zij zich ontwikkelen. Zodra ze te groot en te zwaar geworden zijn, vallen ze, met medenemen van de omringende lucht, naar beneden. De lucht die op deze wijze door de neerslagdelen wordt meegenomen, spreidt zich aan het aardoppervlak naar alle zijden uit. Dat zijn de beruchte windstoten, die soms tot grote verkeershinder kunnen leiden. Soms gaat een bui gepaard
met onweer. Wanneer alle neerslag uit de buienwolk verdwenen is, blijft doorgaans alleen de ijskap over, die overgaat in cirrus.

Buien:

In de weerberichten wordt onderscheid gemaakt tussen buien en regen. Bij gebruikt van de term "bui" wordt bedoeld dat het korte tijd regent, in het algemeen korter dan een uur.

Buienlijn:

Een reeks Cumulonimbuswolken naast elkaar, van de grond af gezien als een muur van buien. Op de weerkaart: een lijn, die enigszins met een koufront overeenkomt. Op de satellietfoto: een langgerekte lijn van witte plekken (buien).

Buiig:

Weerbeeld, waarbij buien een grote rol spelen. Er zijn droge perioden, maar van tijd tot tijd valt er een bui.

Buiige wind:

Vlagerige wind, die in een situatie met buien vaak voorkomt. De buiige wind kan in sommige gevallen bij zware buien grote snelheden bereiken en zeer hinderlijk zijn voor verkeer en kleine lucht- en scheepvaart.
 
Buienradar:
Op de tv zijn tegenwoordig steeds vaker bewegende gekleurde plaatjes te zien, die een indruk geven van plaats en intensiteit van de neerslag. Deze plaatjes worden gemaakt
van radarecho's die door regendruppels of sneeuwvlokken worden teruggekaatst.
De buienradar zendt elektromagnetische straling uit. De golflengte is zo gekozen dat kleine wolkendruppetjes de straling niet terugkaatsen, maar grotere (regen)druppels en sneeuwvlokken wel. Hoe meer straling wordt teruggekaatst, dus hoe intenser de echo,
des te actiever is de neerslag.

Proefondervindelijk is gebleken dat de zwakste echo's staan voor een neerslagintensiteit van rond de 0,2 mm per uur, terwijl de zwaarste echo's garant staan voor minimaal 30 mm per uur. Door nu meerdere plaatjes als een film achter elkaar af te spelen, krijg je een indruk hoe de neerslag trekt en zich ontwikkelt.

De afstand kan worden berekend uit het tijdverschil tussen het uitzenden van het signaal en het weer terugontvangen daarvan. In 1938 werden voor het eerst op deze manier vliegtuigen waargenomen en gevolgd.
 
Werking buienradar
 
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het principe verder uitontwikkeld en radar raakte meer en meer in gebruik. Daarbij bleek dat niet alleen schepen en vliegtuigen op het radarscherm verschenen; ook neerslaggebieden waren zichtbaar.
 
Buienwolk:
Een stevig uitgebouwde stapelwolk die tot ettelijke kilometer hoogte reikt. Meestal is er langs boven een aambeeld te zien. Typisch aan een buienwolk is de vezelachtige structuur bovenaan. De wolk behoort tot het geslacht cumulonimbus.

Buran:

Zeer gevreesde lokale wind in Rusland en Siberië. De naam is de Russische vertaling van ´storm´. Het is een hevige, bijtende en koude,
sneeuwstorm uit noordoostelijke richting, die continentaal polaire lucht (cPL) aanvoert.

Burgelijke schemering:

We spreken van de burgelijke (of civiele) schemering vanaf het moment dat het middelpunt van de zon beneden de horizon zakt en deze duurt
totdat het middelpunt van de zon 6 graden onder de horizon zit.
 
Christophorus Henricus Didericus Buys Ballot (10 oktober 1817- 3 februari 1890)
  Buys Ballot:
Beroemd meteoroloog en oprichter van het KNMI in 1854. Professor Christophorus Henricus Diedericus Buys Ballot (1817-1890) is vooral bekend geworden door zijn Wet waarin hij het verband tussen wind en luchtdruk uit waarnemingen aantoonde. Daarmee maakte hij de mogelijk weersverwachtingen te maken. Ook wind- en stormwaarschuwingen zijn door hem geïntroduceerd en hij speelde een grote rol in de internationale samenwerking
in de meteorologie en was grondlegger in 1873 van de Internationale Meteorologische Organisatie (IMO), de voorloper van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO).

De familie Buys Ballot kocht in de periode 1848 en 1861 een viertal landgoederen in de omgeving van Epe, Heerde
en Wapenveld. De meteoroloog verbleef in de zomermaanden op zijn buitenverblijf op het landgoed de Dellen, een landgoed waarin hij veel investeerde. De aanplant door Buys Ballot van grove den veranderde het aanzicht van de landgoederen bij Epe.
 
Buys-Ballot, De wet van:
Deze wet geeft de windrichting weer in functie van het luchtdrukveld en wordt als volgt geformuleerd:  Een waarnemer met zijn wind in de rug heeft
op het noordelijk halfrond de lagedruk aan zijn linker- en de hogedruk en zijn rechterzijde; op het zuidelijk halfrond is dit precies omgekeerd.
In het noordelijk halfrond draait de wind rond een hogedrukgebied in wijzerzin en in tegenwijzerzin rond een lagedrukgebied.  Op het zuidelijk halfrond is de bewegingszin omgekeerd
 
BW-klimaat:
Het woestijnklimaat komt vooral voor in de Sahara (Noord-Afrika), Arabië en Australië,
en op hoog gelegen droge vlaktes in bergen. Volgens de klimaatclassificatie van Köppen is het woestijnklimaat een BW-klimaat en is daarom een droog klimaat (B-klimaat).
Het verschil tussen een woestijnklimaat en een steppeklimaat wordt door Köppen bepaald aan de hand van de droogte-index. Het woestijnklimaat beslaat 12% van het aardoppervlak. Er is weinig begroeiing, voornamelijk sterke planten die lang zonder water kunnen, zoals cactussen en andere succulenten. In de buurt van een oase groeien soms palmen.

Er valt bijna geen neerslag (ongeveer meer dan 200 mm per jaar), maar als het regent (één keer in de paar jaar) komt het met grote hoeveelheden tegelijkertijd uit de hemel. De grond in dit klimaat is droog, onvruchtbaar en bestaat meestal uit zand en rotsen. In gebdieden met dit klimaat wonen daarom ook heel weinig mensen.
 
Woestijn klimaat
 
Het woestijnklimaat kent een groot temperatuurverschil tussen dag en nacht. Overdag is het tussen de 25 ºC en 45 ºC en 's nachts dalen de temperaturen onder de 0 °C.

BWh: warm woestijnklimaat; de gemiddelde jaartemperatuur is hoger dan 18°C

BWk: koud woestijnklimaat; de gemiddelde jaartemperatuur is lager dan 18°C