Meteorologische encyclopedie hoofdstuk C
 
Cabauw meetmast:
In Cabauw, vlak bij Lopik, staat een meetmast van het KNMI met een hoogte van 213 meter.
De mast wordt gebruikt voor meteorologische metingen in de onderste paar honderd meter van de atmosfeer, de zogenoemde grenslaag. Juist in die onderste meters spelen zich processen af, die van groot belang zijn voor het weer aan het aardoppervlak en het klimaat.

De meetmast Cabauw, die in 1972 in gebruik is genomen, was één van de eerste weerstations waarvan de gegevens automatisch in De Bilt worden ingezameld.
Op verschillende hoogtes van de mast staan instrumenten voor metingen van temperatuur, wind, vochtigheid en straling. Op elke niveau zijn drie uithouders aangebracht waarop de metertjes staan. Zo worden voor elke windrichting betrouwbare metingen verkregen.
Ook op het terrein rond de meetmast is apparatuur, zoals stralingsmeters, opgesteld.

Eén van de meest geavanceerde apparaten is een profiler: een radar waarmee wind en temperatuur in de onderste kilometers van de atmosfeer worden gemeten. Al deze metingen hebben inmiddels veel vruchten afgeworpen, niet alleen voor de weersverwachtingen en de luchtvaart, maar ook voor onderzoek van klimaat en milieu. Tal van onderzoekers zijn de laatste jaren gepromoveerd op onderzoek gebaseerd op gegevens van deze mast.
 
Meetmast in Cabauw
 
Calamiteit:
Bij ernstige ongevallen zoals explosies of branden, waarbij schadelijke stoffen vrij kunnen komen speelt het weer een belangrijke rol.
De weersomstandigheden, met name de wind en het temperatuurverloop tot grote hoogte in de atmosfeer, bepalen of de gevaarlijke stoffen zich
snel in een bepaalde richting verspreiden en verdunnen. Om dat te berekenen heeft het KNMI een trajectoriënmodel ontwikkeld.
Dat model kan elk gewenst moment worden gedraaid en levert de benodigde informatie voor het maken van verwachtingen van de verspreiding van gifwolken over grote afstanden. Speciaal voor gerichte meteorologische informatie bij rampen, beschikt het KNMI over calamiteiten-meteorologen
die dag en nacht paraat zijn. Het trajectoriënmodel van het KNMI werd eerder succesvol gebruikt voor berekeningen van de verspreiding van radioactieve stoffen na de ontploffing van de kerncentrale in Tsjernobyl in 1986 en voor verspreidingsberekeningen van rook door de oliebranden in Koeweit. Het KNMI is opgenomen in rampenplannen waardoor overheidsinstanties, brandweer en politie rechtstreeks contact opnemen met de calamiteiten-meteoroloog. Bij kernongelukken wordt nauw samengewerkt met het Internationaal Atoom Agentschap (IAEA) in Wenen.
 
Verspreiding bij de ramp in Tsjernobyl
  Calamiteitenmeteorologie:
Deel van de meteorologie dat zich bezighoudt met de verspreiding van gevaarlijke stoffen bij calamiteiten. Bij ongevallen in nucleaire installaties, in chemische industrieën, tijdens transporten van gevaarlijke stoffen e.d. geeft het KNMI voorlichting over de te verwachten verspreiding van de verontreinigingen. Die verspreiding hangt af van plaats en tijdstip van het ongeval, de aard van de vrijkomende stof, de emissieduur en -grootte en de effectieve bronhoogte.

Bovendien is van belang of er sprake is van warmteontwikkeling (evt. ten gevolge van brand). Hoe hoger de temperatuur op de ongevalplaats, des te hoger de verontreiniging in de atmosfeer doordringt en des te groter het verspreidingsgebied doorgaans is.
Vervolgens bepalen de meteorologische omstandigheden de mate van verspreiding van de verontreinigingen, zoals de windrichting en -snelheid en de verandering daarvan, de stabiliteit en het al dan niet optreden van mist of regen. Onder de calamiteitenmeteorologie worden
niet de meteorologische calamiteiten als zodanig, zoals stormen, mist- en ijzel situaties begrepen. Die horen thuis bij de normale werkzaamheden binnen de operationele meteorologie.
 
Calamiteitenmeteoroloog:
Meteoroloog die zich in voorkomende gevallen bezighoudt met de meteorologische afhandeling van calamiteiten ten gevolge van lozing van gevaarlijke stoffen in de atmosfeer. Deze stoffen kunnen van nucleaire of industriële aard zijn. De meteoroloog geeft informatie aan de bestrijdingsorganisaties betreffende de mate van verspreiding van verontreinigingen in calamiteitensituaties.

Calima:

De Calima is een oost- tot zuidoostelijke wind die een tijdelijke onderbreking is van de doorgaans waaiende noordoostpassaat. U treft deze wind vooral op de Canarische Eilanden aan. Wanneer het hogedrukgebied van de Azoren zich tijdelijk in de richting van het Middellandse-Zeegebied uitbreidt, kan deze wind ontstaan en veel stof, zand en hete woestijnlucht meenemen. Op enkele tientallen kilometers uit de kust ziet men dan
vaak een bruingele muur naderen die deze Calima aankondigt. In een korte tijd veroorzaakt dit een snelle temperatuurstijging van meer dan
10 graden en kan de temperatuur binnen enkele uren oplopen tot soms meer dan 40°C. Het zicht neemt zienderogen af, vaak tot minder dan 5 km. De gemiddelde snelheid varieert en kan soms een windkracht 7 halen.

Californië-stroming:
Koude zeestroming in de Grote Oceaan. Deze stroming is de zuidelijke afsplitsing van de Aleoeten­stroming. De tak die in noordelijke richting afbuigt, is de Alaska-stroming.
 
Calvus: (kaal)
Vorm van het wolkengeslacht cumulonimbus. De cumulonimbus calvus is een vervolg op de cumulus congestus. Er is een krachtige verticale ontwikkeling. De contouren aan de bovenkant van de wolk zijn aan het vervagen, de wolk verliest de bloemkoolstructuur.
Dat betekent dat de toppen aan het verijzen zijn. Een duidelijke ijskap is echter nog niet te zien.

Campbell John:

Engelsman die in 1853 de zonneschijnmeter uitvond. Dit instrument bestaat uit een glazen
bol die als brandglas werkt. Achter de bol was een papieren strook gespannen met een indeling in uren. De "bewegende" zon brandde in de papierstrook een brandspoor. Zodra er wolken voor de zon kwamen werd dat spoor onderbroken. Uit de totale lengte van het brandspoor kon de duur van de zonneschijn worden ingeschat. De Ierse natuurkundige
George Stokes bracht verbeteringen aan waardoor het instrument uiteindelijk als Campbell-Stokes bekend zou worden.
 
Meetmast in Cabauw
 
Canadese trog:
Grootschalige trog in de algemene luchtcirculatie, die in de winter op ca. 75° westerlengte te vinden is. Tijdens de zomer is deze trog ongeveer
10° in oostelijke richting verschoven.

Canterbury föhn:

Lokale wind op de zuidelijke eilanden van Nieuw-Zeeland. Het is een warme valwind uit het westen tot noordwesten en heeft, zoals de naam al doet vermoeden, duidelijke föhneigenschappen.

CAPE:
Is de afkorting voor de Engelse term "Convective Available Potential Energy". Het is een maat voor de beschikbare energie voor convectie.
Deze wordt uitgedrukt met behulp van een wiskundig standaard meting van energie uitgedrukt in Joule per kilo.

Bij een zeer instabiele atmosfeer wordt de term "grote instabiliteit" dan heeft men het over een CAPE waarde die hoger is dan 2500 J/kg en deze
zou voldoende energie kunnen leveren voor sterke stijgende luchtstromen,hieruit kunnen zeer zware buien tot ontwikkeling kunnen komen.
 
Cape waarde  Convectie potentiële energie
 0  Stabiel
 0 - 1000  Licht instabiliteit
 1000 - 2500  Redelijke instabiliteit
 2500 - 3500  Zeer instabiel
 > 3500  Extreem instabiel
 
De CAPE is in het diagram te vinden links van de gele lijn en rechts van de rode lijn. De lucht is bij de gele warmer dan bij de rode lijn en het witte gebied geeft de CAPE aan. Hoe groter het gebied is, hoe meer energie er is voor het opstijgen van de lucht.

Een CAPE waarde is geconcentreerd in de onderste helft van het diagram zou een sterkere luchtstijging hebben dan een gelijke waarde dat is uitgerekt hoger en smaller is.
Ook CAPE is direct gerelateerd aan de potentiële maximale verticale snelheid binnen een luchtstijging.   Bij krachtige luchtstijgingen kunnen zich grote hagelstenen, supercellen en tornado's ontwikkelen. De tabel geeft de CAPE waarde aan als indicatie van instabiliteit van de convectie van de lucht.
 
CAPE T-Diagram
 
Capillatus: (langharig)
Vorm van het wolkengeslacht cumulonimbus. Aan de bovenkant van de cumulonimbus is een langharige, ongeordende wolkenontwikkeling te zien, helemaal bestaande uit ijskristallen. Bij een dergelijke bewolking is er sprake van buiig weer.

Castellanus:

Vrij platte wolk, met daar bovenop torentjes in de vorm van kantelen. De castellanus duidt op een forse onstabiliteit op de hoogte waar deze wolkensoort voorkomt. Deze soort komt op alle niveaus voor bij de wolkengeslachten Cirrus, Cirrocumulus, Altocumulus en Stratocumulus. 
De Altocumulus castellanus is het beruchtst. Deze is bijna altijd de voorbode van een stevige onweersbui.

Cavok:

Codewoord, gebruikt in de METAR, de TAF en de SPECI. Deze code komt in bepaalde omstandigheden in de plaats van de codes voor het zicht,
het weer en de bewolking. Daarvoor moet het zicht 10 km of meer bedragen, de wolkenbasis mag niet lager zijn dan 1500 m (5000 voet) en er mag geen significant weer zijn (geen neerslag, onweer, grond­mist of lage driftsneeuw).
 
Laser Ceilometer
  Ceilometer:
Toestel voor het bepalen van de hoogte van de wolkenbasis. Dit instrument werkt volgens het LIDAR principe. LIDAR staat voor LIght Detection And Ranging.

De wolkenhoogtemeter kan de hoogte van de bewolking meten van vijfentwintig tot vijfentwintigduizend voet (acht meter tot ruim acht kilometer). Het apparaat zendt in bovenwaartse richting een lichtpuls uit. De puls bevat geen zichtbaar licht, maar straling in het nabije infrarood. Indien de lichtpuls wolkendruppels of andere deeltjes treft, wordt een gedeelte van het uitgezonden licht teruggekaatst.

De hoogte waarop die deeltjes zich bevinden wordt dan bepaald uit het tijdsverschil tussen het
moment waarop de puls wordt  uitgezonden en het moment waarop de gereflecteerde puls wordt terugontvangen.

Uit het verticale verloop van de sterkte van het terugontvangen signaal, wordt de basishoogte van wolkenlagen afgeleid. Als de bewolking niet te zwaar is kan de wolkenhoogtemeter
ook twee of drie wolkenlagen detecteren. (Lees meer over de wolkenhoogtemeter)
 
Celcius:
Temperatuurschaal gebruikt in onze regio en ontworpen door de Zweed Anders Celsius (1701-1744).
0° komt overeen met het vriespunt van zuiver water en 100°C met het kookpunt van zuiver water bij een druk van 1013.25 hPa.
 
CF-kliaat:
Het zeeklimaat, maritiem klimaat of regenklimaat is een klimaat dat sterk wordt beïnvloed door de nabijheid van een zee.

Volgens de klimaatclassificatie van Köppen is het zeeklimaat een Cf-klimaat en is daarom een gematigd klimaat (C-klimaat). Dit klimaat karakteriseert zich door dat de droogste
maand van het jaar een gemiddelde maandneerslag heeft van tenminste 30 mm en de neerslag ongeveer verspreid valt over het hele jaar.

Voor Nederland en België geldt dat het klimaat sterk beïnvloed wordt door de warme Golfstroom in de Atlantische Oceaan, die ook de Noordzee opwarmt, en de overheersende westelijke tot zuidwestelijke winden. De warme golfstroom zorgt ervoor dat het
Noordzeewater niet veel kouder wordt dan circa 5°C. De laagste temperatuur wordt daarbij bereikt in maart.
 
Gebieden met een gematigd of koel zeeklimaat
(Cfb en Cfc)
 
Cfa: warm zeeklimaat; de warmste maand van het jaar heeft een gemiddelde maandtemperatuur van tenminste 22°C.

Cfb:
gematigd zeeklimaat; de warmste maand van het jaar heeft een gemiddelde maandtemperatuur van minder dan 22°C.

Cfc:
koel zeeklimaat; maximaal vier maanden per jaar hebben een gemiddelde maandtemperatuur van 10°C of meer.

Chamsin Khamsin: (Egypte)

Dit is een warme woestijnwind die verzengende hitte aanvoert uit het zuidwesten van Egypte. De wind verplaatst zich richting Middellandse Zee
en komt voor tussen februari en mei. De naam Chamsin Khamsin betekent vijftig in het Arabisch en duidt op de mogelijke periode dat de wind
kan voorkomen. Deze wind hangt samen met depressies boven de Middellandse Zee.

Chanduy:

Lokale wind in Ecuador. Het is een koude oostelijke valwind in de buurt van de kustplaats Guayaquil en waait vanuit het Andesgebergte.

Chaostheorie:

Wetenschappelijke theorie, die ervan uitgaat dat er in de natuur altijd een zekere chaos heerst. Aan de hand van computerberekeningen
beschreef Lorenz in 1961, dat in theorie het fladderen van de vleugels van een vlinder die opstijgt van een takje ergens op de evenaar hele kleine luchtbewegingen kunnen veroorzaken, die uit kunnen groeien tot een heuse orkaan elders op de wereld. De grafische weergave van de spreiding
van de uitkomsten van de berekeningen heeft de vorm van een vlinder. Vandaar dat deze theorie ook bekend is als ′vlinder van Lorenz′.

Er zijn natuurlijk vele miljarden vlinders en ook door andere oorzaken ontstaat een ongelooflijk complex aan microbewegingen in de atmosfeer. Uiteraard is het samenspel van dergelijke kleine luchtwervels niet, en zal ook nooit, te beredeneren en te begrijpen zijn voor de mens en ook niet te beschrijven in computermodellen. Hier is dus door de natuur al een grens bepaald aan de mogelijkheden van het voorspellen van de bewegingen in
de atmosfeer en dus ook aan de termijn van de weersverwachtingen. Over welke termijn dan wel met een redelijke kwaliteit weersverwachtingen te maken zijn lopen de meningen sterk uiteen. Algemeen wordt een maximale termijn tussen 5 en 10 dagen genoemd.

Chergui:

Lokale wind in Marokko. De chergui is een zuidoostenwind, die vanuit de Sahara continentaal tropische lucht (cTL) aanvoert. Het is een hete zandtransporterende wind met
sirocco-kenmerken, die bovendien nog duidelijke föhneigenschappen krijgt bij het overschrijden van het Atlas-gebergte.

Chili:

Lokale wind in Tunesië. De chili is een zuidelijke wind, die vanuit de woestijnen van Noord-Afrika en Saoedi-Arabië continentaal tropische lucht (cTL) naar het midden en oosten van de Middellandse Zee voert. Het is een hete zandtransporterende sirocco-achtige wind, die aan de voorzijde van lagedrukgebieden ook nog föhnkenmerken vertoont. De chili waait vooral in de lentemaanden.

Chinook:

Föhnwind in Amerika aan de oostzijde van de Rocky Mountains. De Chinook is genoemd naar de Indianenstam in deze regio en wordt ook wel 'snoweater' (sneeuweter) genoemd, omdat de warme wind de sneeuw snel doet smelten. De temperatuur kan dan in een uur twintig tot dertig graden stijgen. In Alberta komt deze lokale wind 's winters wel een keer of zes voor.

Chormosfeer:

De dunne laag net rond de zon (ongeveer 3000 km dik), die tijdens een eclips als een dunne ring rond de zon zichtbaar is.

Chubasco:

Lokale wind in Nicaragua en Costa Rica. Het is een heftige en vlagerige wind, die gepaard gaat met zware onweersbuien. De wind komt vooral voor
in het regenseizoen, in de maanden mei tot en met november, aan de westkusten van de beide landen.

Cierzo: (cierco)

Lokale wind in Spanje. Het is een koude noorden- tot noordwestenwind, die bij geschikte meteorologische omstandigheden opsteekt aan de
monding van de rivier de Ebro aan de Spaanse oostkust. De wind heeft duidelijke mistralkenmerken.

Circulatie:

Het weer wordt bepaald door de ligging van hoge- en lagedrukgebieden die zorgen voor luchtstromingen in de atmosfeer, circulaties genoemd. Meteorologen onderscheiden verschillende circulatietypes die horen bij bepaalde weersomstandigheden. De bekendste is de Grozwetterlagen,
een Duitse indeling op basis van circulatietypes. In ons land hebben we bijvoorbeeld vaak te maken met een zuidwestcirculatie met aanvoer van zachte of warme lucht met veel wolken en grote neerslagkansen.

Circulatieclassificatie:

Het weerbeeld op een bepaalde plaats op een bepaald moment wordt bepaald door de posities, die de grote druksystemen op dat moment innemen. Er zijn diverse classificaties in omloop. Een zeer bekende is een Duitse indeling: de zgn. Grosswetterlagen (GWL). Op grond van de ligging van de sturende hogedrukgebieden en lagedrukgebieden worden daarin 28 circulatietypen onderscheiden. Deze circulatietypen worden weer verder onderverdeeld in een drietal hoofdcirculatietypen: de zonale circulaties, de meridionale circulaties en de half-meridionale circulaties (of: half-zonale circulaties).
 
Circumzenitale boog:
De circumzenitale boog is een van de mooiste halo's. Deze boog is in ons land vrij algemeen, en is te verwachten bij laagstaande zon wanneer de twee bijzonnen te zien zijn. De boog ontstaat namelijk in hetzelfde soort ijskristallen (horizontaal zwevende plaatkristallen). Het zonlicht gaat het bovenvlak van zo'n kristal in, en komt er aan een van de zijvlakken weer uit.

De circumzenitale boog is een kleine regenboogachtige boog rondom het zenit, dat alleen aan de kant van de zon te zien is.
 
Circumzenitale boog Foto:KNMI
 
Cirrus Unicus (foto: B. Mühr)
 
De circumzenitale boog staat recht boven de grote kring (46 graden) om de zon en is zeer kleurrijk en helder. De bolle kant is naar de zon gekeerd en rood terwijl de binnenkant violet van kleur is.
De circumzenitale boog verschijnt vaak tegelijk met de bijzonnen als de zon niet te hoog staat (15-25 graden).   

Cirrus of windveren:

Dit zijn wolken die op een hoogte van 6 tot 12 kilometer voorkomen.
Ze bestaan volledig uit ijskristallen. Deze hoge wolken lijken heel langzaam te bewegen of zelfs stil te staan, maar door de grote hoogte geeft dat een vertekend beeld:
 
Cirrocumulus stratiformis  
(foto: B. Mühr)
 
Cirrocumulus nebulosos 
(foto: B. Mühr)
 
in werkelijkheid gaan ze snel, soms ruim 100 km/uur. Weerkundigen noemen ze sluierwolken, die het licht van de zon nog doorlaten. Deze wolken, die vaak te zien zijn als het (nog) mooi weer is, hebben een draderige structuur en kunnen zich ook rangschikken in kleinere of grotere plukken of smalle banden.Vandaar dat men wolken, die in de meteorologie Latijnse namen hebben gekregen, niet alleen indeelt naar geslacht, zoals cirrus, maar ook in soorten en variëteiten.

De cirrus kent soorten als:

Fibratus (vezelachtig, draderig), Uncinus (vergelijkbaar met een langgerekte komma), Spissatus (een dichtere wolk), Castellanus (torentjes), Floccus (watten flokjes). (Lees meer over Cirrus

Cirrocumulus:

Behoort tot de familie van de hoge bewolking. Dunne witte pluk, bank of laag van wolken zonder schaduwing, bestaande uit zeer kleine elementen in de vorm van korrels, ribbels, enz., al of niet gescheiden en min of meer regelmatig gerangschikt; de meeste elementen hebben een schijnbare afmeting van minder dan één graad. Cirrocumulus komt voor op een hoogte van meer dan 6kn en bestaat vrijwel uitsluitend uit ijskristallen; er kunnen in deze wolken sterk onderkoelde waterdruppeltjes aanwezig zijn, maar deze gaan gewoonlijk snel over in ijs. 
Cirrocumuluswolken zijn altijd doorzichtig genoeg om het de waarnemer mogelijk te maken te zien waar de zon of de maan staat. In Cirrocumulus wordt soms een krans of paarlemoeren glans (irisatie) waargenomen. (Lees meer over Cirrocumulus)
  
Cirrostratus:

Behoort tot de familie van de hoge bewolking. Cirrostratus is een dunne soort wolk van ijskristallen die voorkomt op hoogten van 10 tot 15 kilometer. Ze kunnen er uitzien als een tamelijk transparante deken, en soms heeft het een meer vezelige structuur. Ze zijn zo doorzichtig dat de zon en maan er zonder problemen doorheen schijnen. Soms veroorzaakt een cirrostratuswolk dan een halo om de zon of maan. Hoewel er uit cirrostratus geen neerslag valt, kan dit type bewolking onder invloed van een warmtefront wel afdalen in een altostratus en bij verdere afdaling veranderen in een regenwolk of nimbostratus. (Lees meer over Cirrostratus)
 
C-Klimaat:
De term mediterraan klimaat verwijst naar het klimaat in landen rond de Middellandse Zee.
De zomers zijn warm en de winters, waarin de meeste regenval plaatsvindt, zijn mild.
Het mediterraan klimaat wordt vaak bij het traditionele subtropisch klimaat gerekend, echter dit geldt alleen voor het warme mediterraan klimaat (Csa-klimaat), zover je het systeem van Köppen en de traditionele klimaatzones met elkaar kan vergelijken.

Volgens de klimaatclassificatie van Köppen is het mediterraan klimaat een Cs-klimaat en is daarom een gematigd klimaat (C-klimaat). Dit klimaat karakteriseert zich door dat de droogste maand in de zomer een gemiddelde maandneerslag heeft van minder dan 30 mm
en dat de natste maand in de winter tenminste gemiddeld driemaal zoveel neerslag heeft als de droogste maand in de zomer.
 
Gebieden met een mediterraan klimaat
 (Csa en Csb)
 
Men treft dit klimaat aan rond de Middellandse Zee, maar ook in het zuidelijk deel van Californië, Chili, zuidelijk en zuidwestelijk Australië en de Kaapprovincie in Zuid-Afrika. De aanwezigheid van een grote watermassa zorgt altijd voor een matigende werking op de temperatuursverschillen.
De winterse regenval wordt veroorzaakt door cyclonen die zich op gematigde breedtegraden bevinden. Deze cyclonen voeren vochtige lucht van
over de zee aan waar het door condensatie als regen neervalt.  

Csa:
warm mediterraan klimaat; de warmste maand van het jaar heeft een gemiddelde maandtemperatuur van tenminste 22°C.

Csb:
gematigd mediterraan klimaat; de warmste maand van het jaar heeft een gemiddelde maandtemperatuur van minder dan 22°C.

Coalescentie:

Het samengaan of samensmelten van minuscule waterdruppeltjes tot grotere waterdruppels in een wolk. Uiteindelijk, wanneer de druppels zwaar genoeg zijn, vallen deze als regendruppels neer.

Colla:

Lokale wind in de Filippijnen. Het is een zuidzuidwestenwind zonder specifieke kenmerken. De wind houdt meerdere dagen aan en gaat gepaard
met hevige windstoten. Hij treedt op wanneer een depressie ten noorden van de eilanden voorbijtrekt.

Condensatie:

Natuurkundig proces waarbij water overgaat van dampvormige in vloeibare toestand: de waterdamp gaat over in waterdruppeltjes. Dit proces doet
zich voor bij afkoeling tot het dauwpunt, de temperatuur waarop de lucht verzadigd is met waterdamp. Bovendien moeten er condensatiekernen (bijvoorbeeld zee- of zoutkristallen, klein of zandstof of verontreiniging) aanwezig zijn die het proces van druppelvorming op gang brengen. Wolkenvorming begint in het algemeen door condensatieprocessen in de atmosfeer.

Condensatiekernen:

Zijn uiterst kleine (hygroscopische) deeltjes, zoals stof en zout, die in de lucht aanwezig zijn waarop waterdamp neerslaat en wolkendruppeltjes
zich vormen.

Condensatieniveau:

Is de hoogte waarop de lucht volledig verzadigd is met waterdamp. Het is op deze hoogte dat de wolkenbasis zich bevindt bij convectieve bewolking (cumulus / cumulonimbus).

Condensatietemperatuur:

Temperatuur waarbij condensatie plaatsvindt. Deze temperatuur hangt af van de relatieve vochtigheid van een bepaalde hoeveelheid lucht.
Droge lucht moet veel verder afkoelen alvorens de waterdamp condenseert.

Condensatiewarmte:

Warmte die vrijkomt bij condensatie. Ten gevolge van het vrijkomen van deze latente (verborgen) warmte zal bij stijgende luchtbewegingen de omringende lucht minder snel afkoelen of zelfs weer iets in temperatuur stijgen, waardoor de convectie wat verder wordt versterkt.

Condenseren:

Overgang van gasvormige naar vloeibare toestand. Is het tegengestelde van verdampen.

Confluente stroming:

Stromingspatroon van de lucht, waarbij de stroomlijnen dichter bij elkaar komen en er in de stromingsrichting dus sprake is van een
stroomversnelling van de lucht.

Congentus:

Ophoping tot bloemkoolachtige wolkenformaties.

Conditioneel onstabiel:

Een atmosfeer die stabiel is t.o.v. een niet-verzadigde massa lucht, maar onstabiel t.o.v. een verzadigde massa lucht.
 
Conductie:
Warmtetransport tussen twee voorwerpen die met elkaar in contact zijn.

Continentaal klimaat:

In een continentaal of landklimaat is de invloed van zee heel gering. Het klimaat wordt meestal gekenmerkt door hete zomers en strenge winters, maar er zijn ook continentale gebieden waar de winters minder streng zijn. De meeste neerslag valt in de zomer en de dagelijkse en jaarlijkse gang in de temperatuur (verschil tussen hoogste en laagste) is vrij groot. In de klimaatindeling van Köppen (met temperatuur en neerslag als uitgangspunten) komt het D-klimaat, zoals hij het continentaal klimaat noemt, alleen voor op het Noordelijk Halfrond.

Continentale lucht:

Luchtsoort die zich boven het vasteland heeft gevormd. De continentale lucht heeft als eigenschap dat ze veel minder vocht bevat dan maritieme lucht op dezelfde geografische breedte.

Contra-Barometer:

De contra-barometer behoort samen met de Torricelli-barometer tot de gevoeligste precisie weerinstrumenten, waarmee men de heersende luchtdruk kan meten. Het grote voordeel van en contra-barometer is de zéér duidelijke afleesbare maataanduiding.
Een wijziging van 1 mm in de kwikbuis wordt 10-voudig vergroot weergegeven in de rechterbuis, gevuld met gekleurde vloeistof en veroorzaakt daar dus een wijziging van 1 cm. De schaalindeling op een contra-barometer geeft de heersende luchtdruk weer in
millimeter en/of hectopascal.

De aanduiding is 'contra', dat wil zeggen als de luchtdruk daalt, stijgt de indicatievloeistof en omgekeerd. Omschrijvingen op de schaal zoals 'regen, veranderlijk, enz...' zijn meestal om traditionele reden vermeld en hebben slechts een beperkte geldigheid. Belangrijk bij de interpretatie van de aflezing is de tendens, (stijgend of dalend). Om deze te kunnen vaststellen, is er op een contra-barometer een verschuifbare indicator aangebracht naast of op de rechter glazen buis welke gevuld is met de indicatievloeistof. 
 
 
Contrails Foto: KLM 
  Contrail:
De witte condenssporen (ook wel vliegtuigstrepen of contrails genoemd) die het licht van de zon iets kunnen temperen, zijn kunstmatige wolken die ontstaan doordat uitlaatgassen van vliegtuigmotoren de hoeveelheid waterdamp en roetdeeltjes in de lucht op de vliegroute doen toenemen. Dat gebeurt meestal rond 10 kilometer hoogte in de atmosfeer, waar de lucht
zeer koud is en het meer dan 40 graden vriest.Koude lucht kan maar weinig waterdamp bevatten en de extra waterdamp, die daar in de lucht wordt gebracht, leidt daarom direct tot wolkenvorming (condensatie) in de vorm van strepen. De streep begint meestal een eindje achter het vliegtuig, omdat de warmte van de uitlaatgassen wolkenvorming dichtbij de
motoren belemmert.

De Engelse term "contrails" is een samenvoeging van condensation en trails. De strepen verraden veel over de atmosfeer op grote hoogte. Lossen ze snel op dan wijst dat op droge lucht en is de kans op een weersomslag klein.
 
Lossen de vliegtuigstrepen langzaam op en groeien ze flink uit dan is er in de regel een weersverandering op til, die hooguit een paar dagen op
zich laat wachten. De meer uitgestrekte wolkensluiers zijn soms moeilijk te onderscheiden van natuurlijke hoge bewolking en blijven lang intact.
Uit satellietwaarnemingen blijkt dat vliegtuigstrepen in omgeving Nederland en België in veel gevallen langer dan een dag blijven bestaan en in een kwart van de gevallen zelfs langer dan twee dagen. De wolken op die hoogte bestaan geheel uit ijskristallen. Door breking en weerkaatsing van zonlicht zijn er soms optische verschijnselen in te zien, zoals een gekleurde bijzon.  

Convectie:

Lucht die wordt verwarmd en warmer wordt dan de lucht in de omgeving, heeft de neiging op te stijgen. De stijgende beweging wordt convectie of thermiek genoemd. Zweefvliegers maken dankbaar gebruik van de opstijgende luchtbellen die ontstaan door verwarming van het aardoppervlak door de zon. Wanneer de stijgende luchtstromingen te krachtig worden kan het ook gevaar opleveren.

Convectief condensatieniveau:

Hoogte waarop bij convectie condensatie plaatsvindt en dus de onderkant van de convectieve bewolking te vinden is. De convectie vindt pas plaats wanneer de onderste luchtlaag onstabiel van opbouw is geworden en verloopt volgens een adiabatisch proces. De hoogte van de wolkenbasis hangt
af van de hoeveelheid vocht in de stijgende lucht en is grafisch te bepalen op het θ s,p-diagram of te berekenen aan de hand van de volgende
formule: h(meters) = 125 (t - td) of h(voeten) = 400 (t - td).

Convectietemperatuur:

Temperatuur waarbij de convectie gaat beginnen, waarbij dat deel van de atmosfeer waarin de convectie plaats moet vinden voldoende onstabiel van opbouw is geworden.

Convectieve bewolking:

Bewolking die wordt gevormd ten gevolge van convectie. Typische bewolking bij dit proces is de cumuliforme bewolking, ofwel bewolking van het geslacht cumulus, eventueel cumulonimbus. In convectieve wolken komen krachtige verticale luchtstromingen voor met stijgsnelheden in het algemeen groter dan 1 m/sec. Zodra de wolk ijskristallen bevat, vindt het neerslagproces op dezelfde wijze plaats als in stratiforme bewolking,
maar dat proces verloopt hier veel sneller. Door de krachtige verticale bewegingen in de wolk kunnen onderkoelde waterdruppels tot op grote
hoogten voorkomen, zodat de wolkenelementen de kans krijgen veel andere elementen in te vangen en zodoende uit te groeien tot grote neerslagelementen. De bijbehorende neerslag is daardoor, in vergelijking met die uit de stratiforme bewolking, doorgaans tamelijk intensief.
De bedekkingsgraad van de convectieve bewolking is te schatten aan de hand van de volgende formule: N=4/5 * (R/6-6) waarin:
R = actuele relatieve vochtigheid in het berekende convectief condensatieniveau.

Convergentie: (samenkomst in één punt)

Een luchtstroom waarin de luchtdeeltjes naar elkaar toestromen. Het meest komt de cyclonale luchtbeweging rondom een lagedrukgebied voor.
Maar ook door plaatselijke vergroting van de luchtdrukgradiënt kan een luchtstroom convergeren. Verder kan de orografie een rol spelen, waarbij de lucht als het ware wordt gedwongen tussen twee bergruggen door te stromen. Convergentie in de bovenlucht geeft aanleiding tot de vorming van een hogedrukgebied aan het aardoppervlak. De naar elkaar toestromende luchtdeeltjes veroorzaken een ′overschot′ in de bovenlucht. Dat overschot stroomt onder meer naar beneden weg. Grootschalige dalende luchtbewegingen hangen samen met stijgingen van de Luchtdruk aan het aardoppervlak en dus de vorming van een hogedrukgebied. Convergentie is het tegenovergestelde van divergentie.

Convergentie zone:

Het gebied waar de noordoost- en de zuidoostpassaat elkaar ontmoeten. Specifieke kenmerken ervan zijn veel bewolking, neerslag en relatief
weinig wind.

Coördinaten:

De lengte- en breedtegraden van een plaats. Via dit systeem is het mogelijk om elke positie op het aardoppervlak vast te leggen. Van een punt bepaalt men de boogafstand langs de meridiaan door dat punt tot de evenaar in booggraden, minuten en seconden. Dit is de geografische breedte. De boogafstand van het snijpunt van deze meridiaan met de evenaar tot het snijpunt van de meridiaan van Greenwich met de evenaar is de geografische lengte. Deze lengte en breedte zijn dan de coördinaten waardoor de positie van het betreffende punt is vastgelegd. Gezien vanuit het nulpunt, d.w.z. het snijpunt van de Greenwich-meridiaan met de evenaar, maakt men onderscheid in noorder- en zuiderbreedte
en ooster- en westerlengte.

Cordonazo:

Naam van een tropische cycloon aan de westkust van Centraal-Amerika. Deze wervelstorm kan ontstaan langs het gehele kustgebied van de
Golf van Tehuantepec, in het zuiden van Mexico, tot aan de Revillagigedo-eilanden, aan de kust van Canada rond de 55ste breedtegraad, boven het relatief warme zeewater van de Alaska-stroming. Vanaf het zuiden van Mexico verplaatst de cordonazo zich in noordwestelijke richting naar Californië, en eventueel verder in de richting van Hawaï. De cordonazo komt vooral voor in de maanden september en oktober.
 
Corriolis kracht:
Deze kracht wordt veroorzaakt door de draaiing van de aarde. Door de corioliskracht krijgt de stroming een afbuiging, afhankelijk van de plaats op aarde en van de windsnelheid.
Deze afwijking is op het noordelijke halfrond naar rechts en op het zuidelijke halfrond naar links voorop gesteld dat de waarnemer met zijn rug naar de wind staat. Verder geldt dat naarmate de windsnelheid hoger is, de lucht sterker afbuigt.  
 
 
Coromell:
Lokale wind in Noord-Amerika. Het is een typische landwind in de buurt van La Paz, in het zuiden van Californië, die in de maanden november tot
en met mei met grote regelmaat over de Golf van Californië waait. 

Corona: (krans)
Buitenste gasomhulsel van de zon. De corona is een zeer ijl plasma met een temperatuur van meer dan 1 miljoen °C. Zij is alleen waarneembaar wanneer de heldere zonneschijf wordt afgedekt, bijvoorbeeld tijdens een totale zonsverduistering.

Coulisseneffect:

Het verschijnsel dat wolken op even grote afstand van elkaar niet gelijk over de hemelkoepel verdeeld lijken. Dichtbij de horizon schermen ze het hemelblauw meer af (ze staan meer vóór elkaar) vergeleken met het gebied recht boven uw hoofd.

CS-klimaat:

Een andere naam voor een gematigd zeeklimaat met een drogere periode tijdens het zomerseizoen; wordt ook een Middellands zeeklimaat of mediterraan klimaat genoemd. (Zie C-klimaat)

CW-klimaat:

Een andere naam voor een gematigd zeeklimaat met een drogere periode tijdens het winterseizoen; wordt ook een China-klimaat genoemd.
(Zie C-klimaat)

Cumulatieve temperatuur: (temperatuursom)
Manier om een zomer of een winter te classificeren. De maximum- of minimumtemperaturen worden eenvoudig steeds opgeteld. Wanneer bijvoorbeeld in de winter dagelijks de minimumtemperaturen worden opgeteld, krijgt men een indruk hoe koud of hoe zacht die winter is.

Cumiliform:

Gevormd als Cumulus; lijkend op een cumuluswolk, dus opbollend.

Cumulogenitus:

Uit een of andere cumulussoort ontstaan.

Cumulonimbus:
Behoort tot de familie van de zich vertikaal ontwikkelde wolken. Zware en dichte wolk van aanzienlijke vertikale afmeting, in de vorm van een berg
of van een groep hoog oprijzende torens. Zijn bovenzijde is gewoonlijk, althans ten dele, effen of vezelachtig of streperig, en bijna altijd afgeplat; dit gedeelte spreidt zich vaak uit in de vorm van een aambeeld of een omvangrijke pluim. Onder de basis van deze wolk, die dikwijls zeer donker is, bevinden zich veelal lage wolkenflarden, die er al of niet mede zijn versmolten, er zijn soms valstrepen (virga) te zien. Het zijn dus zeer grote stapelwolken die bovenaan geheel uit ijskristallen bestaan. De wolkenbasis ligt vaak beneden de 2 kilometer, terwijl de top vaak ettelijke kilometers hoger terug te vinden is. Een sterk afgelijnde bovenkant laat zien dat het ijsstadium nog niet bereikt is.
 
Cumulonimbus (foto: B. Mühr) 
 
Cumulus humulus 
 
Cumulonimbus Calvus:
Als de verijzing van de top van de wolk nog niet zo lang bezig is, is alleen de bovenrand vervaagd. We noemen deze soort daarom de 'kale' cumulonimbus.

Cumulonimbus Capillatus:

De verijzing van de top is in een ver gevorderd stadium en er heeft zich een ijsscherm gevormd dat als een pruik (of omgekeerde lampenkap) op de kop van de buienwolk staat. Als er een sterke bovenwind staat, is de ene zijde van de verijsde wolkentop langer dan de andere zijde en loopt in een scherpe punt uit. De punt wijst in de richting van de verplaatsende lucht. De top van de wolk krijgt hierdoor het aanzien van een aambeeld.
De volledige naam van de wolk is dan cumulonimbus capillatus incus.

Cumulus:

Behoort tot de familie van de zich vertikaal ontwikkelde wolken. Afzonderlijke, over het algemeen dichte wolken met scherpe omtrekken, die zich
in vertikale richting ontwikkelen in de vorm van kopjes, koepels of torens waarvan het bovenste, opbollende gedeelte dikwijls op een bloemkool lijkt. De door de zon beschenen delen van deze wolken zijn meestal verblindend wit; hun onderzijde is betrekkelijk donker en vrijwel horizontaal.
Soms ziet Cumulus er gerafeld uit. Ze behoren tot de categorie van de lage wolken met vertikale ontwikkeling (wolkenbasis beneden de 2km).
Ze kunnen echter uitgroeien tot grotere hoogtes en zelfs het stadium van cumulonimbus bereiken. Cumuli met geringe vertikale ontwikkeling zijn mooi-weer wolken, de zgn. 'cumulus humilis' (humilis = onaanzienlijk) welke meestal optreden bij standvastig weer.