Meteorologische encyclopedie hoofdstuk D
 
Dagelijkse gang:
Het verloop van het weer op een dag onder invloed van de zon wordt dagelijkse gang genoemd. In de middag is het meestal warmer dan ’s ochtends, waait het vaak harder en is de kans op een bui groter. Het weer kent een dagelijkse gang, die aangestuurd wordt door de zon. Het principe is eenvoudig: de bodem wordt overdag warmer gevolgd door afkoeling na zonsondergang. Hoe gemakkelijker de ondergrond opwarmt des te groter het verschil in temperatuur tussen dag en nacht en des te groter de dagelijkse gang.
Nabij het aardoppervlak, met name vlak boven zand en asfalt is de dagelijkse gang het grootst. Boven zee is nauwelijks verschil tussen de temperatuur ’s nachts en ’s middags.
De dagelijkse gang van de wind hangt samen met de temperatuur. Op zonnige dagen zijn de veranderingen het grootst. De minste wind is gemiddeld zo’n 2 tot 3 uur na zonsopkomst te verwachten, de meeste ongeveer 3 tot 4 uur na de hoogste zonnestand. Zeilers kunnen rond vier of vijf uur profiteren van de meeste wind. Daarna neemt de wind af en ’s avonds is het
vaak bladstil. Behalve een afname van de snelheid blijkt de wind ’s avonds vooral op zonnige dagen ook te krimpen, dat is draaien tegen de richting van de wijzers van de klok.
De draaiing hangt samen met de grotere wrijving van de wind boven land. Boven zee is van een winddraaiing in de loop van de dag geen sprake. Ook de neerslag vertoont een dagelijkse gang, zo is de intensiteit van de regen in de middag en avond het grootst.
  
Daglengte:

De daglengte, zonnedag of etmaal genaamd is het tijdsverloop tussen twee opeenvolgende doorgangen van de Zon door de meridiaan, een denkbeeldige cirkel over het aardoppervlak die door de beide polen gaat. Dat tijdsverloop is volgens afspraak gelijkgesteld aan 24 uur.
 
Temperatuur amplitude
 
Dagzicht:
Grootste afstand, vanaf de waarnemer, waarop een zwart voorwerp van voldoende grootte tegen een heldere horizon te zien en te herkennen is.
Het als zichtmerk gekozen voorwerp moet zowel horizontaal als verticaal in een vlak van 0,5 tot 5 booggraden passen.

Dalwind:

Tegenovergestelde van een bergwind. Beide winden zijn, net als de land- en zeewind, lokale winden die optreden ten gevolge van de dagelijkse
gang van de temperatuur. De dalwind is een warme wind, die overdag vanuit het dal bergopwaarts waait. Hij ontstaat doordat de lucht aan de grond
in het dal overdag door de zon sterker wordt verwarmd dan de lucht daarboven. De warme lucht stijgt op langs de berghellingen.

Dalmist:
Wordt ook heuvelmist genoemd. Deze mist ontstaat als stralingsmist. Vanwege het gebrek aan wind en menging met de boven lucht kan deze
mist in heuvel- en bergachtige gebieden in de luwte van de dalen bijzonder hardnekkig zijn. Een hoeveelheid vochtige lucht die in zo′n dal ′gevangen′ zit, komt er maar heel moeilijk weer uit.

Dampdruk:

De druk die het gas waterdamp, als onderdeel van het gasmengsel lucht, uitoefent op zijn omgeving (ook wel dampspanning genoemd).

Dampkring:

Ook atmosfeer genoemd: een gasvorming omhulsel van de aarde dat door de zwaartekracht aan de aarde wordt gebonden. Zonder atmosfeer of dampkring zou op aarde geen leven mogelijk zijn. Zo tempert de dampkring het zonlicht tegen schadelijke ultraviolette straling en wordt de energiebalans van de aarde in stand gehouden. Daaraan danken we dat de aarde niet veel te warm of te koud wordt om te leven.
 
Dauw:
Druppeltjes op sterk afgekoelde voorwerpen (vooral planten of gras) ontstaan door rechtstreekse condensatie van waterdamp (overgang van damp in water). Bij temperaturen onder nul ontstaat geen dauw maar gaat deze over in ijskristallen en ontstaat rijp.

Dauw- en ijsvorming treedt vooral op tijdens kalme wolkeloze nachten.
Zo'n drie eeuwen geleden was dauw, dat vooral op een spinnenweb of grassprietjes in de zon fraai glinstert, nog een mysterie. Zelfs de beroemde Utrechtse natuurkundige Petrus van Musschenbroek dacht rond 1735 nog
dat het uit de aarde of planten zelf kwam.
 
Dauw op plant
 
Dauwpruppels spinnenweb
 
Dauwboog:
Vrijwel op de grond liggende regen boog, die wel wordt waargenomen op bijv. bedauwde weilanden. Deze boog ontstaat op dezelfde manier als de regenboog, echter nu niet in regendruppels, maar in dauwdruppels op de grond.

Dauwpunt:
Het dauwpunt is de temperatuur waarbij waterdamp begint te condenseren door afkoeling van de lucht zonder dat vocht wordt toegevoerd of afgevoerd. Zodra de dauwpuntstemperatuur wordt bereikt is de lucht verzadigd met waterdamp en bedraagt de relatieve vochtigheid 100%.
Denk maar aan de bril die beslaat zodra je in een warmere vochtige omgeving komt. Eerst is de temperatuur van de bril nog lager dan het dauwpunt van de lucht rond de bril, waardoor het vocht op de brillenglazen condenseert en de bril tijdelijk beslaat.

Dauwpunt depressie:

Verschil tussen de actuele temperatuur en het dauwpunt. De dauwpunt depressie is een maat voor de hoeveelheid vocht in de lucht.

Decade:

Een periode van 10 dagen. De eerste decade is dus van dag 1 t/m dag 10 van de maand, de tweede decade is van dag 11 t/m dag 20 en de derde decade is van dag 21 t/m de laatste dag van de maand

Decadegemiddelde:

Gemiddelde van een bepaalde meteorologische grootheid over een periode van tien dagen.

Declinatie:

Afwijking, die de kompasnaald aangeeft ten opzichte van de geografische noordpool. De kompasnaald wijst niet altijd precies naar het noorden.
De oorzaak daarvan is dat de magnetische polen en de geografische polen niet exact samenvallen. De waarde van de declinatie hangt af van de plaats waar men zich op aarde bevindt. Bovendien liggen de magnetische polen niet vast, maar bewegen zij langzaam in de buurt van de geografische polen. Dit betekent dat ook de declinatie niet altijd gelijk is.

Deflatie: (uitblazing)

Transport van materiaal vlak boven het aardoppervlak door de wind. Bij sterke wind kan in een droog gebied, wanneer het bedekt is met los
materiaal zoals zand, het fijnere zand tussen het grovere worden uitgeblazen, waardoor grote stofwolken ontstaan. Uiteindelijk kan dit proces zo
ver doorgaan, dat aan het oppervlak alleen nog maar grotere stenen een laagje vormen (keienvloer). Het is een vorm van eolische erosie, waardoor woestijnen ontstaan en zich verplaatsen.

Deformatiethermometer:

Soort van thermometer waarbij gebruik wordt gemaakt van de verandering van vorm van bepaalde stoffen bij verandering van temperatuur.
De mate van de vormverandering is dan een indicatie voor de heersende temperatuur. Voorbeelden van deformatiethermometers zijn de bimetaalthermometer, de Bourdon-thermometer en de kwik-in-staalthermometer.

Depositie:

Is het neerslaan van allerhande luchtdeeltjes (aerosolen genaamd) op het aardoppervlak.

Depressie:

Een depressie is een gebied met lage luchtdruk die ontstaat in het grensgebied tussen twee verschillende luchtsoorten. Bijvoorbeeld tussen koude lucht van noordelijke breedten en tropische lucht van zuidelijke breedten. In het grensvlak van de beide luchtsoorten kan door een veelheid aan oorzaken een golf vormige uitstulping ontstaan die verder kan uitgroeien tot een lagedrukgebied of zelfs tot een heuse diepe stormdepressie.
Een depressie zou je voor kunnen stellen als een enorme atmosferische stofzuiger op zo'n 8 tot 10 kilometer hoogte, die de lucht naar boven zuigt. De lucht stroomt spiraalsgewijs naar het centrum van lagedruk toe.

Depressiebaan:

Route die een lagedrukgebied volgt. Door deze op een weerkaart vast te leggen kan de meteoroloog hieruit, in combinatie met de patronen van de isallobaren, een indicatie verkrijgen omtrent de vermoedelijke vervolgkoers van de depressie. Tegenwoordig leveren vooral de meteorologische modellen hierover bruikbare informatie.

Depressiefamilie:

Reeks van lagedrukgebieden, die alle bij hetzelfde front horen. Die lagedrukgebieden (L) worden doorgaans gescheiden door een zwakke rug van hoge luchtdruk (H). Wanneer we eenmaal met zo′n depressiefamilie te maken hebben heeft het weer een uitermate wisselend karakter.

Depressiekern:

Punt in een lagedrukgebied waar de laagste luchtdruk wordt gevonden. Alle lucht, met inbegrip van wolken en eventuele slecht weergebieden,
draait in een cyclonale luchtbeweging rondom dit punt.

Dichte wind:

Benaming uit de zeilwereld van een koude wind uit het noorden. Tegenover gestelde is een bolle wind voor een warme wind uit het zuiden.
Een dichte wind wordt ook wel een holle wind genoemd.

Diepvrieskou:

Als de minimumtemperatuur beneden de -20°C komt spreken we van diepvrieskou. Dit is voor Nederland uitzonderlijk.

Diffluante stroming:

Stromingspatroon van de lucht, waarbij de stroomlijnen verder van elkaar af komen te liggen en er in de stromingsrichting dus sprake is van een snelheidsafname van de luchtstroming.

Diffractie:

Is het afbuigen van een golf langs een ondoordringbaar obstakel. Meestal gaat het om de zijdelingse verbreding door interferentie van een golf die
een opening in een ondoordringbaar scherm passeert. Diffractie leidt tot verschillende optische verschijnselen aan de hemel.

Diffuus:

Naar alle richtingen verstrooid; bij lucht of warmtestraling.

Diffuus front:

Vooral wanneer een front langere tijd boven een bepaald gebied blijft hangen en zelfs stationair wordt, vervagen vaak de verschillen in eigenschappen aan beide kanten van het front. Het front is dan op een bepaald moment nauwelijks meer te herkennen.

Dikte:

Bij de analyse van een weersituatie wordt onder meer gezocht naar temperatuurverschillen. Aangezien de dikte van een luchtlaag evenredig is aan
de heersende temperatuur, is deze dikte een bruikbare grootheid. Een luchtlaag reageert vergelijkbaar met een homogeen materiaal. Bij hogere temperaturen zet de luchtlaag uit en wordt dus dikker. Een groot verschil in dikte over een relatief kleine afstand, een grote diktegradiënt dus,
duidt op een grens tussen verschillende luchtsoorten: de aanwezigheid van een front.

Diktekaart:

Relatieve topografie. Weerkaart met diktelijnen. Diktekaarten zijn nuttige hulpmiddelen voor de meteoroloog bij het analyseren van weersituaties.
De dikte van een luchtlaag is evenredig aan de heersende temperatuur in die laag. Bij een groot verval, dus op de grens tussen luchtlagen met verschillende dikten, zal een front gevonden kunnen worden. Op de diktekaarten worden doorgaans de dikten van de lagen tussen 1000 hPa,
850 hPa en 500 hPa beschouwd.

Diktelijn:

Lijn die punten verbindt met gelijke dikte van een bepaalde luchtlaag. Vaak wordt hierbij de laag tussen 1000 en 500 hPa beschouwd.
De thermische wind waait ongeveer evenwijdig aan de diktelijnen (isobathen).
 
Districten:
Het KNMI hanteert in zijn berichtgeving een regio indeling (noordwest, noord, zuidoost, oost, zuid en midden) zoals in het kaartje aangegeven. Om zo goed mogelijk en ook regionaal te waarschuwen voor
wind en storm zijn de gebieden langs de kust en boven zee ingedeeld in verschillende districten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kustwateren (districten die geheel op de Noordzee liggen) en ruime binnenwateren.

Onder de kustwateren vallen de districten die geheel op de Noordzee liggen:

Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden. Texel en Rottum.

Tot de ruime binnenwateren horen de districten:

Zierikzee (Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren), Marken (Markermeer zonder randmeren), IJsselmeer (zonder randmeren), Harlingen (westelijk deel van de Waddenzee) en Delfzijl (oostelijk deel van de Waddenzee met de Eems en de Dollard).
 
 
Divergentie:
Het van één punt uiteenlopen. Een divergerende luchtstroom is een luchtstroom waarin de luchtdeeltjes van elkaar wegstromen.
Een hogedrukgebied heeft aan het aardoppervlak een divergerende luchtstroming. Divergenties in de bovenlucht hangen samen met drukdalingen
en dus met de vorming van een lagedrukgebied aan het aardoppervlak. Door het uiteenstromen van de luchtdeeltjes dreigt in de bovenlucht een
′tekort′ aan lucht, hetgeen van onderaf wordt aangevuld. De stijgende luchtbewegingen, die daarvan het gevolg zijn, geven aan de grond dalingen van de luchtdruk en dus de vorming van een lagedrukgebied. Divergentie is het tegenovergestelde van convergentie.

Dobson:

De dikte van de ozonlaag wordt uitgerukt in eenheden Dobson. De Engelse natuurkundige G.M. Dobson ontwierp halverwege de vorige eeuw een apparaat om te meten hoeveel ozon zich tussen hem en de zon bevond. Op de Zuidpool is de dikte van de ozonlaag normaal 300 Dobsoneenheden, maar in het gat in de ozonlaag dat sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw ieder najaar ontstaat is de hoeveelheid ozon afgenomen tot de helft.

Doctor:

Lokale wind in Australië. Het is een typische zeewind, die aan de in het zuidoosten gelegen kusten van West-Australië waait.

Doldrum:

Equatoriale stiltegordel. Continu thermisch lagedrukgebied in de omgeving van de evenaar. In de tijd van de handelsvaart met zeilschepen waren
deze doldrums, vanwege het soms langdurig totaal ontbreken van wind, uiterst hinderlijk. Deze stiltegordel verplaatst zich in onze zomer tot
ongeveer 12° NB op de oceanen en tot dichtbij de kreeftskeerkring op de continenten. In de winter verplaatst de gordel zich weer zuidwaarts.
De doldrums maken deel uit van de algemene luchtcirculatie

Donder:

Rommelend of explosief geluid bij onweer dat ontstaat door de zeer hoge temperatuur die in minder dan een duizendste van een seconde ontstaat
in een bliksemschicht. De lucht zet daar zeer sterk uit en door die uitzetting ontstaat een drukgolf die te horen is als donder. Het geluid verplaatst zich met een snelheid van 340 meter per seconde. Is de donder dus drie seconden na het zien van een bliksemflits te horen dan is de onweersbui nog slechts een kilometer verwijderd en daarmee gevaarlijk dichtbij.
 
Donderglas:
Een donderglas, ook wel stormglas genoemd, is een weerglas dat het weer voorspelt. De eerste weerglazen stammen uit het begin van de zeventiende eeuw en toen is ook het donderglas uitgevonden. Een donderglas heeft de vorm van een langwerpig glas van zo'n 4 à 6 cm in doorsnede. Aan het glas is een tuit bevestigd, waardoor de latere wijdere modellen lijken op een koffiepot. Het glas is voor twee derde gevuld met water, soms met een kleurstof erin.

De voorspellende betekenis hangt samen met de invloed van luchtdruk op het water. Daalt de druk dan zal het waterniveau
in de tuit omhoog komen. Het instrument reageert ook op de temperatuur: ook bij hoge temperaturen komt het water in de tuit omhoog. Warm weer en onweer komen 's zomers vaak voor bij betrekkelijk lage of dalende luchtdruk en onder die omstandigheden werkt het donderglas het best. Zowel door de hoge temperatuur als door de dalende druk gaat het water
in de tuit omhoog en soms lekt komt het zo hoog dat het eruit lekt. Vandaar de benaming donderglas, als aankondiger van onweer.
  
Dooi:

In het eerste etmaal na een vorstperiode wanneer de temperatuur weer boven nul komt wordt door de meteorologen van het KNMI gesproken van dooi. Naar gelang de snelheid van de temperatuurstijging is het een langzame of snelle dooi. Een dag of twee na een vorstperiode hebben de weerkundigen het nog over aanhoudende of doorzettende dooi. Het verkeer ondervindt er veel hinder van door sneeuw of ijzel, maar ook vanwege de grote kans op mist of gladheid.
 
 
Doorlatendheid:
Mate waarin licht door een hoeveelheid lucht heen kan dringen. De doorlatendheid wordt o.m. bepaald door het gehalte aan vocht in de lucht.
Bij nevel of mist is er veel vocht in de lucht aanwezig, waardoor weinig licht wordt doorgelaten. Maar ook aërosolen kunnen het horizontale zicht
sterk beperken. In onze omgeving is vrijwel uitsluitend sprake van industriële aërosolen. Deze worden door de eigen industrie in de lucht gebracht, maar bij geschikte (zuidoosten) wind ook uit het Duitse Ruhr-gebied aangevoerd. Er wordt in deze gevallen niet van nevel of mist gesproken,
maar van heiigheid.
 
Doppler effect
  Doppler-effect:
Dat is gebaseerd op het principe dat een door een bron uitgezonden trilling anders wordt waargenomen als de bron zich ten opzichte van de waarnemer verplaatst. De Oostenrijker Johann Christian Doppler (1803-1853) hield op 25 mei 1842 in Praag zijn beroemde voordracht: ""Ueber das farbige Licht der Doppelsterne und einige anderer Gesterne des Himmels"", waarvan een jaar later een publicatie volgde.

Hierin begint Doppler met een herhaling van de theorie over de golflengte van licht en legt uit dat de kleur van het licht afhankelijk is van de frequentie. Vervolgens stelt hij dat de frequentie toeneemt als de waarnemer beweegt in de richting van de bron en afneemt als hij zich van de bron af beweegt. Ter illustratie vergelijkt hij dit effect met een schip dat varend tegen de golven in frequenter golven ontmoet dan wanneer hij met de golven meevaart. 
 
Het Doppler-effect wordt tegenwoordig veel toegepast, in de meteorologie bij het gebruik van radar. De Dopplerradar heeft het voordeel dat ook windsnelheden in buien kunnen worden gemeten, wat belangrijk is voor waarschuwingen.  
 
Downburst:
Een sterke neerwaartse stroming onder een zware bui. Zodra de snel dalende lucht het aardoppervlak raakt moet ze horizontaal uitwijken, waarbij een verdere versnelling optreedt. Aan de grond uit zich dit in zware tot zeer zware windstoten, vaak in combinatie met intensieve neerslag. Downbursts kunnen schade veroorzaken die vergelijkbaar is met die van een windhoos. Het schadepatroon wijkt echter af.
1: Het schadespoor is meestal vele honderden meters tot enkele kilometers breed en is minder scherp
    begrensd.
2: Het schadespoor kan zich over een aantal kilometers uitstrekken. Materiaal wordt niet opgezogen en wordt
    in de nabijheid teruggevonden
4: In de VS worden downbursts ook wel "straight line winds" genoemd. Dit slaat op het schadepatroon.
    Objecten (bv bomen) liggen in min of  meer rechte lijnen, parallel aan de windrichting
 
Animatie van de ontwikkeling van een downburst. Bron. VWK
 
Bij een hoos betreft het meestal een smal, langgerekt spoor waarbij bomen door de draaibeweging in de hoos over korte afstand in verschillende richtingen geveld worden. Downbursts komen in Nederland incidenteel voor, evenals windhozen.  
 
Dramundan:
Lokale wind in het zuiden van Frankrijk. Het is een koude noordwestenwind, die langs de Pyreneeën bij Perpignan waait, met mistralkenmerken.

Drakenhuidijs.

Drakenhuid-ijs is een heel zeldzaam, bizar bewijs voor een duistere chaos in het cryosferische (door sneeuw en ijs gedomineerde) rijk, iets wat sinds 2007 niet meer in Antarctica is waargenomen.” Wanneer je het ijs van dichtbij bekijkt, begrijp je vast waarom het ijs vergeleken wordt met een drakenhuid. Het oppervlak van het ijs doet denken aan elkaar overlappende schubben.

Drakenhuidijs ontstaat door valwinden, Ze tillen net gevormd zee-ijs op, waardoor het onderliggende water bloot komt te liggen en weer ijs gevormd wordt. Zo ontstaat letterlijk een opeenstapeling van ‘ijzige schubben’ wat op een drakenhuid lijkt.
 
Drakenhuidijs 
Foto: Guy Williams / University of Tasmania
 
Door driftsneeuw wordt het
verkeer gehinderd 
  Driftsneeuw:
Sneeuw kan door de wind op drift raken. Driftsneeuw, zoals dat in de meteorologie wordt genoemd, is sneeuw die van de grond opwaait. Het hoeft dan dus niet te sneeuwen. Zodra er ook sneeuw valt wordt dat in de meteorologische berichten gecodeerd als sneeuw. Daarbij kan het zicht aanzienlijk teruglopen, in de regel tot minder dan 1000 meter en soms tot minder dan 50 meter vergelijkbaar
met zeer dichte mist. Weerkundigen maken onderscheid tussen hoge en lage driftsneeuw:
Van lage driftsneeuw is sprake als de sneeuw door de wind tot geringe hoogte boven de grond wordt opgewerveld, waarbij het horizontale zicht op ooghoogte (1,8 meter) niet merkbaar vermindert.
Hoge drifstneeuw is sneeuw die door de wind zo hoog wordt opgewerveld dat het horizontale zicht ook op ooghoogte aanmerkelijk verminderd is.

Driftstroom:

Zeestroom die een direct gevolg van de wind is. Bekende voorbeelden zijn de zeestromen die ontstaan door de passaten, de moessondriften en de zeestromen als gevolg van overheersende westenwinden op middelbare breedten. 
 
Drijfijs:
Drijvende ijsschotsen. De ijsschotsen ontstaan door breken van een ijslaag op het water ter plaatse of worden met de stroming aangevoerd.

Drizzle:

Engels woord voor motregen.

Droge Bol Temperatuur:

De temperatuur gemeten met een thermometer met een droog reservoir. Zie ook psychrometer en natte bol temperatuur.

Droge lucht:

Lucht die niet is verzadigd met waterdamp.

Droog adiabatisch:

Een adiabatisch proces, waarbij de verdampings- of condensatiewarmte geen rol speelt.

Droogte:

Droogte is lastig te definiëren. Periodes met droogte laten zich moeilijk vergelijken omdat het verloop van de neerslag, van jaar tot jaar verschilt.
Ook de voorgeschiedenis is van belang: als het ook eerder in het jaar droog was, loopt het tekort op. Langdurige droogte komt in ons land weinig voor. Door de vele meren en de gestage aanvoer van water van de rivieren, leidt droogte hier zelden tot ernstige problemen. Het neerslagtekort of -overschot is de hoeveelheid neerslag verminderd met de verdamping. Uit vergelijkingen tussen verschillende plaatsen en met vroegere situaties
kan globaal vastgesteld worden waar in ons land sprake is van droogte en hoe ernstig die is.

Droogte periode:

Onder een droogteperiode wordt verstaan een aaneengesloten periode van minstens 20 dagen zonder meetbare (<0,1 mm) neerslag.

Drukbal anemometer:

Anemometer die werkt op de drukkracht van de wind. Op een verticaal geplaatst verend onderstel is een bolletje bevestigd. De verplaatsing van de bol ten gevolge van de winddruk is hierbij maat voor de windsnelheid.

Drukbuis anemometer:

Anemometer waarbij gebruik wordt gemaakt van de winddruk. Met behulp van een windvaan wordt een buis met de opening tegen de wind in gehouden. Doordat de binnenkomende lucht niet onbelemmerd de buis weer kan verlaten, zal in de buis een overdruk ontstaan. De grootte van het drukverschil binnen en buiten de buis is maat voor de windsnelheid. Een anemometer van dit type werd al in 1890 door de Engelsman Dines geconstrueerd.

Drukgradiënt:

Is het verschil in druk over een bepaalde afstand. Hoe groter de drukgradiënt is, hoe groter de windsnelheid. Bij een zeer kleine drukgradiënt is het haast windstil.

Drukkend:

Warm weer wordt als benauwd ervaren wanneer de lucht erg vochtig is. Men spreekt ook wel van drukkend, zwoel, klam of broeierig. Of iemand het benauwd heeft hangt ook af van inspanning, de gezondheid, de kleding en de mate van transpireren.

Drukplaat anemometer:

Zeer oud type anemometer. De Italiaan Leon Battista Alberti gebruikte dit principe al rond het jaar 1450. Korte tijd later experimenteerde ook Leonardo da Vinci (1452-1519) met de drukplaat. Het principe is dat de winddruk een verticale, scharnierend opgehangen plaat uit de neutrale
stand brengt. De hoek waaronder die plaat komt te hangen, is dan maat voor de windsnelheid. Een voorbeeld van een drukplaatanemometer is de zgn. wildse vaan.

Drukveld:

Patroon van de luchtdrukverdeling in een bepaald gebied. Hoe groter de luchtdrukgradiënt in het drukveld, des te groter de windsnelheid in dat gebied.

Drukvlak:

Isobarisch vlak waarop de luchtdruk overal gelijk is. Een vlak van gelijke luchtdruk golft door de atmosfeer, omdat de luchtdruk niet overal gelijk is. Voor het verkrijgen van een driedimensionaal beeld van de atmosfeer zijn analyse en prognose van een weerkaart onvoldoende. Er is ook behoefte aan inzicht in de onderlinge samenhang van de meetresultaten van meerdere weerballonnen. Omdat de luchtdichtheid met toenemende hoogte afneemt, worden vergelijkingen tussen de diverse hoogten erg moeilijk. Daarom worden er geen beschouwingen gemaakt van diverse horizontale vlakken, maar van een aantal drukvlakken. Doorgaans worden de drukvlakken op 1000 hPa (op onze geografische breedte gemiddeld op ongeveer
150 m hoogte), 850 hPa (ca. 1500 m), 700 hPa (zo′n 3000 m), 500 hPa (ongeveer 5500 m) en 300 hPa (ongeveer 10.000 m hoogte) beschouwd.

Dryline: (droogtefront)

Is de Engelse term voor een gebied met zeer sterke gradiënt in dauwpuntstemperatuur. Ofwel een scherpe begrenzing tussen vochtige,
warme lucht en heel droge, zeer warme lucht. We moeten dan denken aan temperaturen van meer dan 32°C en een relatieve vochtigheid van
minder dan 20%. In dit gebied kunnen zeer zware onweders ontwikkelen die dikwijls leiden tot tornado′s.

Duplicatus:

Uit twee of meer (wolken)lagen bestaand.

Dust bowls:

Stofstormen die ontstaan door verkeerd gebruik van landbouwgronden in droge gebieden, zoals in de Verenigde Staten vanaf 1930.
Door o.a. intensieve beweiding van en zelfs akkerbouw op de prairie werd het grasland volledig vernietigd. Na enkele tientallen jaren was de bodem volkomen uitgeput en nauwelijks meer begroeid. In de uitzonderlijk droge zomer van 1930 kregen de zomerstormen vat op de bodem en ontstonden
er reusachtige stofstormen waardoor duizenden boeren en veehouders uit het prairiegebied wegtrokken. De Amerikaanse regering heeft in de jaren zestig en zeventig o.a. bos laten aanplanten om verdere erosie te voorkomen.

Dwarswind: (zijwind)

Windrichting loodrecht op een bepaald voorwerp. Vooral voor vliegtuigen is een teveel aan dwarswind vaak lastig. Om die reden hebben veel vliegvelden de beschikking over landingsbanen in diverse richtingen, zodat de vliegtuigen zoveel mogelijk recht tegen de wind in kunnen landen en opstijgen.

Dynamische klimatologie: (luchtsoortenklimatologie)

Men kan een klimaat van een bepaalde plaats beschrijven aan de hand van de eigenschappen van de optredende luchtsoorten in de verschillende seizoenen op die plaats. Bovendien is het belangrijk te weten hoe vaak een luchtsoort op die plaats gemiddeld voorkomt. Bijvoorbeeld: lagedrukgebieden boven de noordelijke Atlantische Oceaan en een hogedrukgebied boven de Azoren veroorzaken in onze omgeving een stroming uit het zuidwesten. De aanvoer van maritiem gematigde lucht (mGL) levert in het najaar doorgaans een overwegend bewolkt en wat druilerig, maar vrij zacht weertype op. Deze kennis is vanzelfsprekend een dankbaar hulpmiddel voor de meteoroloog. De methode heeft grote opgang gemaakt door een in 1952 verschenen publicatie, opgesteld door de Duitse meteorologen Hess en Brezowsky: Katalog der Groszwetterlagen Europa′s. Aan de hand van algemene meteorologische situaties en circulaties worden tabellen met bijbehorende weerkarakteristieken vermeld.

Dynamische meteorologie:

Deel van de meteorologie dat zich bezighoudt met de natuurkundige en wiskundige beschrijving van de bewegingen in de atmosfeer. De dynamische meteorologie is de basis van de numerieke meteorologie.