Meteorologische encyclopedie hoofdstuk G
 
GAFOR:  (General Aviation Forecast)
Vroegere codenaam van een luchtvaartverwachting ten behoeve van de lichte luchtvaart in het Nederlandse luchtruim. Tegenwoordig is deze verwachting opgenomen in het zgn. weerbulletin op pagina 707 van Teletekst. Deze berichten worden gemaakt door de Luchtvaart Meteorologische Dienst (LMD) te Schiphol.

Galerne:  (giboulée)

Een lokale wind in Frankrijk zonder specifieke kenmerken. Het is een noordwestenwind aan de westkust, die samenhangt met de passage van een koufront uit het westen, dat koude maritieme lucht aanvoert. De wind gaat gepaard met sterke windvlagen en zware regenbuien.
 
Galilei thermometer:
Hoewel eigenlijk de Franse natuurkundige Jean Rey de eer toekomt, wordt door sommigen de Italiaanse geleerde Galileo Galilei genoemd als uitvinder van deze thermometer die al drie en een halve eeuw geleden werd gebruikt en nu in een geheel eigentijdse vormgeving te koop is.

Het principe is als volgt: voorwerpen in een vloeistof, bij gelijkblijvende grootte en gewicht, hebben de neiging te zinken als
die vloeistof warm wordt. De opwaartse kracht van de vloeistof wordt namelijk bij verwarming minder. Wordt de vloeistof kouder, dan neemt de opwaartse kracht juist toe en daarmee het drijfvermogen van de voorwerpen die zich in die vloeistof bevinden.

Een Galilei thermometer maakt gebruik van deze eigenschap. De voorwerpen in deze thermometer zin meestal glazen bolletjes gevuld met een gekleurde vloeistof. Het gewicht van elk bolletje is zodanig gekozen dat dit bolletje stijgt of daalt als de omringende vloeistof een bepaalde temperatuur bereikt. Meestal is onderaan het glazen bolletje een metalen schijfje bevestigd met daarop de temperatuurwaarde in graden Celcius.
  
Garbe:

Een lokale zeewind in Spanje aan de kust van Catalonië.

Garbin:

Een lokale zeewind in Frankrijk die vanaf de Middellandse Zee waait, aan de kusten van de Zuid-Franse Basse-Languedoc
en Roussillon.

Geheel bewolkt:

Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Verwacht wordt dan dat de zon in de gehele verwachtingstermijn achter de wolken zal schuilgaan. Deze term wordt zowel voor overdag als 's nachts gebruikt.
 
 
Geleidelijk:
Een in de weersverwachtingen veelvuldig gebruikte term. Bedoeld wordt dat een verandering van een weerbeeld zich niet plotseling of abrupt voltrekt.

Geluidsmetingen:

Het KNMI beschikt op de vliegbasis Deelen over een netwerk van microbarografen voor registratie van infrageluid, met onhoorbare frequenties
onder de 20 Hertz. De metingen worden gebruikt voor onderzoek van knallen afkomstig van vliegtuigen die sneller vliegen dan het geluid, maar het systeem legt ook andere explosies vast, zoals op 13 mei 2000 de geluidsgolven de vuurwerkramp Enschede, bovengrondse kernproeven en het binnendringen van meteoren in de aardse atmosfeer. De seismologen van het KNMI hebben met het speciale meetsysteem voor detectie van laagfrequente geluidsgolven het infrageluid vastgelegd van vulkaanuitbarstingen, zoals die van de Etna op Sicilië. Ook het geluid van vuurbollen bij binnenkomst in de atmosfeer wordt geregistreerd. Een meteoor die met supersone snelheid (35 km/s) door de atmosfeer reist genereert
laag frequent geluid. Vallende sterren of vuurbollen, zoals dergelijke hemelverschijnselen ook worden genoemd, komen geregeld voor.

Gematigde breedte:

Geografisch: over het algemeen het gebied tussen 40°N.B. en 65°N.B.

Gematigde lucht: (GL)

Een Luchtsoort, die zijn oorsprong heeft tussen de polaire en tropische luchtsoorten. De maritiem gematigde lucht (mGL) heeft als brongebied de Atlantische Oceaan en de continentaal gematigde lucht (cGL) ontstaat boven Rusland. De eigenschappen van gematigde lucht liggen dan ook
tussen die van polaire lucht en tropische lucht in. Als koude massa lijkt deze luchtsoort het meest op polaire lucht, als warme massa het meest
op tropische lucht, zij het in beide gevallen met minder uitgesproken kenmerken. Een overgang van tropische lucht naar polaire lucht of omgekeerd
hoeft niet altijd door de aanwezigheid van gematigde lucht te worden voorafgegaan.

Gematigde luchtstreek:

Gebied gelegen tussen de tropen en de polen. Volgens een zeer algemene indeling is elk halfrond verdeeld in drie zones: de tropen, de gematigde luchtstreek. en de poolstreken. In de gematigde luchtstreekzone worden warme of hete jaargetijden afgewisseld met koude. De gematigde zone wordt wel gekenschetst als het gebied op aarde begrensd door de 10°C isotherm van de warmste maand en de 18°C isotherm van de koudste maand.

Gematigd klimaat:

Klimaat dat wordt gevonden op de gematigde breedten, tussen 40 en 60° NB en ZB. Het kenmerkt zich door niet al te hete zomers en niet te koude winters. Het zeeklimaat in het westen van Europa kan een gematigd klimaat worden genoemd.

Gemengde wolk:

Wolk waarin zowel, al dan niet onderkoelde, vloeibare wolkenelementen als vaste elementen (ijskristalletjes) voorkomen. Boven het nulgradenniveau zijn de wolkendruppels in onderkoelde toestand. Hoe lager de temperatuur in de wolk, des te groter de kans dat de onderkoelde waterdruppels bevriezen. Boven een zekere hoogte (niveau) zal al het onderkoelde water overgaan in ijs. De temperatuur waarbij dat gebeurt, varieert sterk van wolk tot wolk, namelijk van -15 tot -40°C. In de meeste wolken zullen echter bij een temperatuur lager dan -23°C alleen maar ijskristallen voorkomen.

Gemiddelde dagtemperatuur:

Dit is het etmaalgemiddelde van de temperatuur. Deze wordt berekend door alle temperaturen van gehele dag op te tellen en te delen door 24.

Gemiddelde jaartemperatuur:

Deze temperatuur wordt berekend door de gemiddelde maandtemperaturen bij elkaar op te tellen en te delen door 12.

Gemiddelde maandtemperatuur:

Deze temperatuur wordt berekend door de gemiddelde dagtemperatuur van alle dagen van een maand op te tellen en te delen door het aantal dagen van die maand.

Gemiddeld zeeniveau: (MSL = mean sea level)

Alle barometerstanden in weerrapporten moeten zijn herleid tot het gemiddelde zeeniveau. In Nederland neemt men voor MSL: NAP (Normaal Amsterdams Peil).

Gending:

Een lokale wind in het oosten van Djawa. Het is een warme valwind met föhneigenschappen.

Genitus:

Ontstaan uit.

Genualaag:

Een lagedrukgebied dat vaak in de Golf van Genua (in de Middellandse Zee) te vinden is. Samenhangend met het Genualaag steekt in het
Zuid-Franse Rhöne-dal vaak de mistral op. Het Genualaag begint vaak als een lijvore achter het Alpengebied bij een noordelijke stroming.

Geografische breedte:

Kortste afstand van een punt tot aan de evenaar, gemeten in graden langs de meridiaan van dat punt.

Geografische lengte:

Kortste afstand van een punt tot aan de nulmeridiaan, gemeten in graden langs de parallel van dat punt.

Geografische noordpool:

Het noordelijke punt waar de denkbeeldige aardas door het aardoppervlak steekt.

Geografische zuidpool:

Het zuidelijke punt waar de denkbeeldige aardas door het aardoppervlak steekt.

Geopotentiaal:

Door de Noorse meteoroloog Bjerkness ingevoerd begrip, gedefinieerd als: De potentiële energie van een eenheidsmassa in het zwaartekrachtveld van de aarde. Bij het bepalen van de dikte van een luchtlaag speelt de aantrekkingskracht van de aarde een rol. Deze is niet overal op aarde gelijk. Daar waar de zwaartekracht het grootst is (aan de beide polen), wordt het hardst aan een luchtlaag getrokken en is een luchtlaag dus relatief dun,
al zijn de bedoelde verschillen uiterst gering. De bijbehorende eenheid heet de geopotentiële meter (gpm). Daarin is de zwaartekracht van de aarde verrekend. Deze eenheid wordt dan ook bij hoogte- en dikteberekeningen van luchtlagen op de hele aarde gebruikt in plaats van de normale meter.
De geopotentiële voet komt overeen met 0,3048 gpm.

Geopotentiële hoogte:

Benadert de actuele hoogte van een bepaald drukvlak boven gemiddelde zeeniveau. Bijvoorbeeld: een geopotentiële hoogte van 1500 is het aantal meter boven gemiddeld zeeniveau om het drukvlak van 850 hPa te bereiken.

Geostationair:

Stilstaand t.o.v. de aarde. Meestal gebruikt in de context van geostationaire weersatellieten; dit zijn satellieten die schijnbaar stil hangen t.o.v. de aarde zodat deze steeds beelden nemen van hetzelfde deel van de aardbol. Deze satellieten bevinden zich op een hoogte van ca. 36200 km.

Geostrofische wind: (geowind)

De ongestoorde windrichting en windsnelheid die bij rechtlijnige en evenwijdige isobaren zou heersen, alleen ten gevolge van de gradiëntkracht en
de Coriolis-kracht. Er mag dus geen invloed van de wrijvingskracht meer zijn. Zodra een luchtdeeltje (op het noordelijk halfrond) gaat bewegen van
een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied, dus haaks op de isobarenrichting, treedt de Coriolis-kracht in werking, waardoor het deeltje naar rechts zal worden afgebogen. Dat zal net zo lang doorgaan tot er evenwicht is tussen de gradiëntkracht en de Coriolis-kracht. De geostrofische wind waait dan dus evenwijdig aan de isobaren, met de hoge luchtdruk aan de rechterkant. Op dit verschijnsel is de wet van Buys Ballot gebaseerd.

Geostrofische windschaal:

Een grafische windschaal waarmee op een weerkaart aan de hand van de afstand tussen de isobaren en de geografische breedte de geostrofische wind kan worden afgelezen. De geostrofische windsnelheid is omgekeerd evenredig met de isobarenafstand. Anders gezegd: hoe groter de afstand tussen de isobaren, des te kleiner de geostrofische wind.

Gevoelstemperatuur:
Gedurende koude en winderige winterdagen is het niet de actuele luchttemperatuur wat het direkt koud maakt, maar de zogenaamde gevoelstemperatuur of windchill. Deze waarde is niet een temperatuur zoals weerkundigen deze m.b.v. een thermometer meten, maar een maat
voor de hoeveelheid aan warmte die delen van blote huid verliezen. De windchill is afhankelijk van de temperatuur en de windsnelheid (liefst gemiddeld). Hoe sneller lucht (de wind) over onze huid stroomt, hoe sneller de warmte hiervan zal worden afgevoerd. Wij ervaren dit als het sneller koud krijgen, aangezien de oppervlakte van de blootgestelde huid hierdoor sneller afkoelt.

Voor de berekening van deze gevoelstemperatuur bestaan verschillende methoden. Door het verschil in de gebruikte factoren en formules komen verschillende uitkomsten voor bij dezelfde aanvangswaarden van temperatuur en windsnelheid. In Nederland maakt men gebruik van de formule die een Amerikaanse textielfabrikant heeft ontwikkeld. Deze Robert Steadman baseerde zijn berekening op het evenwicht tussen warmteverlies en warmteproduktie van een gezond persoon. Bij zijn formule gaat hij uit van kleding dat is aangepast aan de weersomstandigheden en dat de persoon met een snelheid van bijna vijf kilometer per uur voortbeweegt.

Verder betrekt Steadman in zijn formule behalve de genoemde factoren ook de luchtvochtigheid en zonnestraling. Voorbeeld: een wandelaar zal een paar graden vorst bij een matige wind (windkracht 3) al als enkele graden kouder ervaren. Bij een stormachtige wind is het voor zijn gevoel 15 tot 20 graden kouder. Een (brom)fietser zal de kou weer heel anders ervaren, zeker wanneer hij de wind tegen heeft. U weet het eigen ervaring: bij -10 en windstil weer voelt het minder koud aan dan bij -10 en bijvoorbeeld windkracht 5. Het heeft geen zin de windchill te berekenen bij temperaturen van meer dan ca. 5 graden boven nul en bij windsnelheden lager dan ongeveer 2 m/sec. Hieronder ziet u een tabel van de windchill zoals deze in o.a. Nederland gebruikt wordt (bovenaan de normale temperatuur en links de windsnelheid/windkracht):
 
Wind snelheid Temperatuur
km/u m/s Bft 10 5 0 -5 -10 -15 -20 -25 -30
5 1.4 1 10 4 -2 -7 -13 -19 -24 -30 -36
10 2.8 2 9 3 -3 -9 -15 -21 -27 -33 -39
15 4.2 3 8 2 -4 -11 -17 -23 -29 -35 -41
20 5.6 4 7 1 -5 -12 -18 -24 -31 -37 -43
25 7.0 4 7 0 -6 -12 -19 -25 -32 -38 -45
30 8.3 5 7 0 -6 -13 -20 -26 -33 -39 -46
35 9.7 5 6 0 -7 -14 -20 -27 -33 -40 -47
40 11.1 6 6 -1 -7 -14 -21 -27 -34 -41 -47
45 12.5 6 6 -1 -8 -15 -21 -28 -35 -42 -48
50 13.9 7 5 -1 -8 -15 -22 -29 -35 -42 -49
55 15.3 7 5 -2 -8 -15 -22 -29 -36 -43 -50
60 16.7 7 5 -2 -9 -16 -23 -30 -36 -43 -50
65 18.1 8 5 -2 -9 -16 -23 -30 -37 -44 -51
70 19.5 8 5 -2 -9 -16 -23 -30 -37 -44 -51
75 20.8 9 5 -2 -10 -17 -24 -31 -38 -45 -52
80 22.2 9 4 -3 -10 -17 -24 -31 -38 -45 -52
 
WCET berekeningen (volgens Steadman bij referentiewindsnelheid = 1,3 meter per seconde (4,8 kilometer per uur)

Gharbi:

Dit zijn lokale winden in de Adriatische en Egeïsche Zee, in het noordelijke en oostelijke Middellandse-Zeegebied. Het zijn hete, stofbeladen, zuidelijke winden vanuit de Sahara, die onderweg boven de Middellandse Zee nogal wat vocht oppikken. De winden gaan gepaard met zware
regenval. Het mengsel van vocht en Sahara-zand veroorzaakt vaak de rode regen.

Ghibli:

In voor- en najaar waait af en toe de Ghibli in Libië. Het is een hete droge zuidelijke Sahara-wind die vergelijkbaar is met de Sirocco. De wind voert zand en stof mee, waardoor de lucht roodbruin kleurt en het zicht daalt tot minder dan dertig meter. Omdat Libië vrijwel geen natuurlijke barrières heeft bereikt de wind het hele land. Als de Ghibli de Middellandse Zee bereikt loopt de temperatuur snel op en daalt de luchtvochtigheid binnen enkele uren. Een stijging van 40 naar 50 graden Celsius en een luchtvochtigheid van 80 naar 10 procent is mogelijk. De Ghibli waait vooral in mei,
juni en oktober en duurt één tot vier dagen. Het openbare leven ligt zo goed als stil tijdens het waaien van de Ghibli. De Ghibli hangt samen met het passeren van depressie op de Middellandse Zee. De aanzuigende werking van deze Middellandse Zee depressies is doorgaans de oorzaak van de krachtige wind. De Ghibli is daarom voorspelbaar.

Gidsverwachting:

Statistische verwachtingsmethode ten behoeve van het opstellen van weersverwachtingen. Met behulp van computers wordt het meest waarschijnlijke weerbeeld berekend, uitgaande van de heersende en de verwachte grootschalige luchtcirculatie. Als basis voor deze berekeningen wordt de uitvoer van de meteorologische modellen van het ECMWF gebruikt.

Glaciaal:

1. Onder invloed van landijs of gletsjers gevormd.
2. IJstijd. Tijdens de laatste 2,5 miljoen jaar zijn er ongeveer 2 glacialen geweest, afgewisseld met wat warmere perioden, de interglacialen.

We spreken van een ijstijd als de gemiddelde temperatuur van de warmste maand hier tot gemiddeld beneden de 10 graden Celsius daalt. In Skandinavië vormde zich het brongebied van het ijs dat grote delen van Europa bedekte en ook Nederland bereikte. In het brongebied werd het ijs
wel 4000 meter dik. Ook in andere delen van de wereld heeft een ijstijd invloed gehad. De zeespiegel werd bijv. 100 tot150 m. lager dan nu.
Ook werden klimaatzones opgeschoven of ingedrukt.

Glaciale erosie:

Uitschurende werking van met materiaal beladen ijs. Een langzaam naar beneden bewegende gletsjer schuurt een U-vormig dal uit.
De schurende werking van het ijs is ook te zien aan de gletsjerkrassen, die door in het ijs opgenomen stenen in de dalwand worden gekrast.
De polijstende werking van het ijs herkent men aan bultrotsen: door ijs afgeschaafde rotsen, die veel regelmatiger zijn dan de rotsen die boven het
ijs uit bleven steken. Ook de Noorse fjorden zijn het resultaat van glaciale erosie.

Gladheid:

Een temperatuur van enkele graden boven het nul kan al leiden tot ijsvorming en gladheid. Het kan glad worden door bevriezing van natte weggedeelten, opvriezing of neerslag in de vorm van ijzel, onderkoelde regen of sneeuw.

Glasthermometer:

Vloeistofthermometer waarvan het omhulsel, het reservoir met capillair en (meestal ook) de afleesschaal gemaakt is van glas. De vulvloeistof is kwik of een organische vloeistof (meestal alcohol). De schaalverdeling is doorgaans aangebracht op een stuk opaalglas, zo dicht mogelijk achter het capillair. Voorbeelden van glasthermometers zijn de droge-bolthermometer, de natte-bolthermometer, de maximumthermometer en de minimumthermometer.
 
Gletsjer:
Een gletsjer is een ijsmassa die gevormd wordt op land en dik en groot genoeg is om bergafwaarts te stromen. Gletsjers, inclusief de Antarctische en Groenlandse ijskap, bedekken circa 15 miljoen km² aardoppervlak en bevatten 29 miljoen km³ ijs, ongeveer 87% van alle zoetwater op aarde. Gletsjers oefenen door hun enorme gewicht en sterke slijpende werking grote invloed op het land eronder uit.
Een gletsjerdal heeft een U-vormige doorsnede, in tegenstelling tot een rivierdal dat meer V-vormig is.

Waar in de winter meer sneeuw valt dan er afsmelt in de zomer zal deze zich opstapelen.
Een gletsjer wordt gevormd wanneer dikke sneeuwlagen door hun eigen gewicht aan de onderkant tot ijs worden verdicht. Dat gaat in fasen. Sneeuw wordt eerst omgezet tot firn, een korrelige ijsmassa die gevormd wordt doordat sneeuwkristallen onder de toenemende druk van de bovenliggende lagen van vorm veranderen en zich herordenen.

Onder invloed van sijpelend smeltwater kan dit proces sneller plaatsvinden. Later, en dus dieper in de gletsjer, vormt firn door de toenemende druk wit gletsjerijs. Tenslotte wordt het verdicht tot blauw gletsjerijs. Het ijs wordt door de enorme druk plastisch en kan onder invloed van de zwaartekracht langzaam bergafwaarts gaan stromen.

Klimatologische voorwaarden voor het ontstaan van gletsjers zijn voldoende neerslag en voldoende
lage temperaturen. Deze omstandigheden doen zich voor in hooggebergten en in de poolgebieden. Aan het eind van de gletsjer vindt afsmelting plaats. Het smeltwater stroomt hier uit de gletsjerpoort
en vormt een riviertje.Gletsjers kunnen worden getypeerd aan de hand van hun vorm en grootte:
 
Glacier de Taconnaz met Dome de
 Gouter, Franse Alpen
 
Cirquegletsjer:
Dit is een kleine gletsjer (0,1 - 4 km²) die wordt aangetroffen in cirques, bijna cirkelvormige uitsparingen in een berg. Een voorbeeld van een Europese cirquegletsjer is de Glacier de Saint Sorlin in de Franse Alpen.

Valleigletsjer:

Deze verzamelt doorgaans zijn massa in een gletsjerbekken tussen bergen, waarna het een dal in stroomt. Bekende Europese valleigletsjers zijn
de Aletschgletsjer in Zwitserland, de Pasterzegletsjer in Oostenrijk, Mer de Glace in Chamonix in Frankrijk en de Jostedalsbreen in Noorwegen.

Pedmontgletsjer:

Dit is een valleigletsjer die uitstroomt op een laagvlakte, en daardoor 'uitwaaiert' in een cirkelvorm. In Europa zijn geen piedmontgletsjers maar wel
op Groenland en in Alaska (de Malaspinagletsjer).

Doordat de lengte en omvang van een gletsjer bepaald wordt door het plaatselijke klimaat (temperatuur en neerslag), en omdat een gletsjer voornamelijk reageert op langdurige klimaatveranderingen, is de lengte en het volume van een gletsjer een goede en robuuste graadmeter voor veranderingen in het lokale klimaat. In Europa trekken sinds 1850 vrijwel alle gletsjers zich terug, na het einde van de Kleine IJstijd. Het feit dat op
dit ogenblik veruit de meeste gletsjers overal op aarde kleiner worden geeft aan dat wereldwijd de gemiddelde temperatuur aan het oppervlak stijgt.

Gletsjerwind:

Lokale wind die voorkomt in de directe omgeving van gletsjers. Deze wind is in feite nergens in te delen, maar als lokale (duidelijk plaatsgebonden) wind te vergelijken met de bergwind. De gletsjerwind is echter niet gevoelig voor de dagelijkse gang van de temperatuur, omdat de lucht direct aan
het gletsjerijs bijna altijd kouder is dan de aangrenzende lucht. Door de grotere dichtheid van de koude lucht ontstaat daardoor een, in dit geval continue, luchtstroming langs de gletsjer naar beneden.

Globale straling:

Hoeveelheid zonnestraling per oppervlakte-eenheid. De globale straling wordt gemeten met een pyranometer en uitgedrukt in Joules per vierkante meter. Hieruit wordt de duur van de zonneschijn berekend.

Global Telecommunication System: (GTS)

Wereldomvattend meteorologisch communicatienetwerk ten behoeve van de uitwisseling van meteorologische gegevens. Het systeem is opgezet onder auspiciën van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO). Om het verzamelen en uitwisselen van gegevens te stroomlijnen, heeft de
WMO in 1967 de World Weather Watch (WWW) ingesteld. Er zijn drie hoofdcentra in de wereld, namelijk in Washington, Moskou en Melbourne, waar alle gegevens worden verzameld. Vanuit deze drie wereldcentra gaan de gegevens naar een aantal regionale centra. Voor Europa is dat de Engelse plaats Bracknell, met als backup het Duitse Offenbach. De Nederlandse gegevens worden via De Bilt naar deze beide plaatsen gestuurd.
De wereldinzamelcentra en de regionale inzamelcentra hebben na onderlinge communicatie complete bestanden van allerlei soorten waarnemingen
in hun computers.

Een nationale weerdienst, zoals het KNMI, is vervolgens geabonneerd op een selectie uit al die gegevens. Alle gegevens die van meteorologisch belang worden geacht, worden door de nationale weerdiensten op het GTS gezet. Het totale netwerk is erg complex en bestaat uit een groot aantal soorten verbindingen, die uiteenlopen van telexlijnen, tot computercomputerverbindingen en satellietverbindingen. Het netwerk is in de loop der jaren opgebouwd.
 
 Glorie   Foto: P.Visser
  Glorie:
Merkwaardig verschijnsel dat bestaat uit een gekleurd aureool dat zich rond de schaduw van het hoofd van de waarnemer vormt. De glorie treedt slechts op als de schaduw op kleine druppeltjes valt, zoals wolken- of mistdeeltjes. Het is dus geen halo, die zijn ontstaan dankt aan ijskristallen. Om de glorie te kunnen zien moet de waarnemer zich dus boven de mist of wolken bevinden. Vanuit een vliegtuig, die boven de wolken vliegt is de glorie vaak goed te zien. De afmeting hangt af van de grootte van de druppeltjes; het middelpunt van de glorie ligt precies tegenover de zon. Hoe precies de glorie tegenover de zon staat blijkt als men door een vliegtuig naar voren wandelt: de glorie gaat dan mee langs de schaduw van het vliegtuig.

Op aarde is de glorie te zien boven laaghangende mist of nevel. De glorie kent een helder gebied rond de schaduw en daaromheen gekleurde ringen met blauw binnen en rood buiten. De verklaring voor het ontstaan van de glorie is ingewikkeld. De glorie hangt niet alleen samen met breking, weerkaatsing en buiging van licht maar ook met oppervlaktegolven, golven die niet worden weerkaatst maar zich langs een oppervlak voortplanten.
 
G.M.T:
Greenwich Mean Time, een tijdsaanduiding die over de gehele aardbol dezelfde is in tegenstelling tot de plaatselijke tijd.  

Gold temperatuur:

Naar de Britse fysicus Gold vernoemde theoretische maximumtemperatuur op een wolkenloze dag met maximale instraling van de zon, bepaald volgens een objectieve methode. Deze waarde wordt berekend uit het Θs,p-diagram aan de hand van de in het diagram geplotte temperatuurkromme. Voor de meteoroloog is dit een handig hulpmiddel bij het opstellen van zijn temperatuurverwachtingen.
 
Golfhoogte:
De golfhoogte is de afstand tussen de golftop en het golfdal, het hoogste punt en het laagste punt van een golf ook wel amplitude genoemd. Op zee komen kleinere en grotere golven voor.
Wie met een boot vaart zal allerlei afmetingen van (oppervlakte)golven tegenkomen.
In de praktijk is gebleken dat de kleinste golven voor de gebruikers niet zo belangrijk zijn.
Het belangrijkste signaal wordt geleverd door de grotere golven. Daarom wordt voor gebruikers vrijwel altijd in zowel metingen als verwachtingen een waarde gegeven die bekend staat als de significante golfhoogte. Deze wordt bepaald aan de hand van een meetreeks van golven (over bijvoorbeeld 10 minuten). Van het totale aantal wordt derde geselecteerd op basis van de grootste. Vervolgens wordt van de selectie van die grootste golven het rekenkundig gemiddelde bepaald. Meestal wordt de op die manier berekende golfhoogte aangeduid als Hs.
 
 Golven op zee (foto: M. Appelman, Ameland)
 
Golfstroom:
De Golfstroom begint in de Golf van Mexico (vandaar de naam) en brengt warm water naar het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan.
Omdat het water daar relatief zout is kan het na afkoeling naar beneden zinken, waarna het in zuidelijke richting terugstroomt.
De ""warme"" Golfstroom wordt waarschijnlijk aangestuurd door enorme wervels in de wateren rond Zuid-Afrika.  

Daardoor lekt warm water uit de Indische Oceaan naar de Zuidelijke Atlantische Oceaan. Dankzij onderzoek vanaf het Nederlandse onderzoeksschip Pelagia zijn de wervels en zeestromingen rond Afrika in kaart zijn gebracht. Het weer en met name de temperatuur in West-Europa is sterkafhankelijk van de zeewatertemperatuur in de Atlantische Oceaan. Golven worden gevormd door de som van zeegang (door de ter plaatse waaiende wind) en deining (golven die elders zijn opgewekt en uit het brongebied zijn weggelopen). Het KNMI maakt verwachtingen van golfhoogtes. Voor de berekeningen wordt gebruik gemaakt van het computermodel (WAM), dat de onderzoekers van het instituut in samenwerking met een groot aantal landen hebben ontwikkeld.

De golfhoogte is het hoogteverschil tussen de top en het dal van de golf. De hoogte van golven hangt vooral af van de sterkte van de wind, maar ook de duur van een storm en de omvang en diepte van het water zijn van belang. Een harde wind (windkracht 7) veroorzaakt op de Noordzee golven van
4 meter hoog, terwijl tijdens een zware storm (windkracht 10) de golven huizenhoog kunnen worden. Het verwaaide schuim geeft de zee een witte aanblik en beperkt het zicht. Een belangrijke factor is ook het verschil in temperatuur tussen de lucht en het water. Vooral in najaar en winter is de aangevoerde lucht soms veel kouder dan het zeewater, waardoor de golven sneller aangroeien dan normaal. Bovendien vormen zich dan boven de Noordzee buien met windstoten die ook bevorderlijk zijn voor de golfgroei.

Graad:

Ofwel 1/360 deel van een cirkel. De windrichting wordt dikwijls in graden weergegeven. 0° komt overeen met het noorden, 90° met het oosten,
180° met het zuiden en 270° met het westen. Ofwel een eenheid op een windschaal.

Graaddag:

Het aantal graden dat de gemiddelde etmaaltemperatuur van de dag boven de 18,0°C ligt. Een dag met gemiddeld over 24 uur een temperatuur van 20,2°C heeft dus 2,2 graaddagen. Alle graaddagen bij elkaar opgeteld in de periode van 1 april t/m 31 oktober leveren het warmtegetal op.

Graadnet:

Verdeling van het aardoppervlak d.m.v. parallellen en meridianen. Om elke plaats op aarde te kunnen aangeven, zijn 180 breedtecirkels of parallellen evenwijdig aan de evenaar en 360 lengtecirkels of meridianen van noord- naar zuidpool getrokken. Elke plaats heeft een uniek snijpunt van een parallel en een meridiaan. De evenaar noemt men 0° breedte; evenwijdig hieraan zijn 90 parallellen in het noorden getrokken (noorderbreedte, NB)
en 90 in het zuiden (zuiderbreedte, ZB). De meridiaan over Greenwich is volgens afspraak de 0° lengtecirkel (nulmeridiaan). Van daaruit heeft men 180 lengtecirkels ten oosten van deze lijn getrokken (oosterlengte, OL) en 180 lengtecirkels ten westen van deze lijn (westerlengte, WL).
De 180° WL en 180° OL vallen samen.

Gradiënt:

Verval van de waarde van een bepaalde grootheid per afstandseenheid, loodrecht op de isolijnen. De gradiënt van de luchtdruk, bijvoorbeeld, is de mate waarin de luchtdruk per afstandseenheid daalt of stijgt.

Gradiëntkracht:

Één van de krachten, die te zamen de richting en snelheid van de horizontale luchtbeweging, oftewel de wind, bepalen. De gradiëntkracht werkt ten gevolge van de horizontale luchtdrukverschillen. Zij is gericht van de hoge naar de lage luchtdruk, staat loodrecht op de isobaren en is des te groter naarmate de horizontale luchtdrukgradiënt groter is, ofwel de isobaren dichter bij elkaar liggen. Als de gradiëntkracht de enig werkende kracht zou zijn, zouden de luchtdeeltjes in haar richting bewegen, dus rechtstreeks van de hoge naar de lage druk, waardoor de bestaande luchtdrukverschillen snel zouden zijn genivelleerd.

Gradiëntwind:

Theoretische windsnelheid en windrichting naar aanleiding van de heersende gradiëntkracht en de Coriolis-kracht, zonder invloed van de wrijvingskracht, in een al dan niet gekromd isobarenveld. Er kan sprake zijn van een cyclonale kromming met een bijbehorende cyclonale luchtbeweging, van een anticyclonale kromming met een bijbehorende anticyclonale luchtbeweging of van een rechtlijnig isobarenveld.
De theoretische wind, ten gevolge van de heersende gradiënt, die in een rechtlijnig isobarenstelsel evenwijdig aan de isobaren waait, heet de geostrofische wind (geowind)
 
Grasminimumthermometer:
Een minimumthermometer welke geplaatst is op een hoogte van 10 cm boven de grond. Boven de thermometer is een stralingsplaat aangebracht. Deze afdekplaat dient ervoor om de thermometer te beschermen tegen directe zonnestraling en de eigen warmtestraling. Een niet afgeschermde thermometer zou bij sterke uitstraling een veel te lage temperatuur aangeven.

Grastemperatuur:

Temperatuur gemeten op 10 cm hoogte boven de grond. Deze waarde wordt ook wel de temperatuur aan de grond genoemd. Afhankelijk van de grondsoort, heeft het aardoppervlak zelf, door zonnewarmte
 
 Opstelling grasthermometer
 
overdag en uitstraling in de nacht, een grote dagelijkse gang van de temperatuur. De temperatuur van de lucht vlak boven het aardoppervlak kan daardoor belangrijk afwijken van de huttemperatuur. De temperatuur wordt op weerstations gewoonlijk op 1,5 meter boven een grasvlakte gemeten. Vlak boven de grond (op 10 cm) kan het temperatuurverloop echter anders zijn. Dit wordt ook wel grastemperatuur genoemd. Tijdens een windstille en heldere nacht koelt het daar sterker af. Voorwerpen op het aardoppervlak en ook bomen, struiken, bladeren en grassprietjes zenden voortdurend straling uiten verliezen onder die omstandigheden snel warmte. Voor de land- en tuinbouw is het zeer belangrijk te weten wat de temperatuur bij het aardoppervlak is. Door tijdig maatregelen te nemen, zoals bijvoorbeeld beregening, kan veel schade aan gewassen worden voorkomen.

Greenland double föhn:

Een lokale wind op Groenland. Het is een, in principe, warme valwind met föhneigenschappen, die vanuit het binnenland zowel naar de west- als
naar de oostkusten waait.
 
Greenwich Obversatorium
  Greenwich Obversatorium:
Het Observatorium bevindt zich op een heuvel in het gelijknamige Londense stadsdeel Greenwich en is het meest bekend als ijkpunt van de meridiaan van Greenwich.
Deze meridiaan loopt midden door het gebouw, een feit dat wordt aangeduid door een grasstrook over het naburige plein, en sinds 2000 ook door een krachtige groene laser die
over Londen en Essex schijnt. Het observatorim werd ingehuldigd in 1675 door Koning Karel II van Engeland. Het oorspronkelijke huis werd ontworpen door Sir Christopher Wren, en was het eerste speciaal gebouwd wetenschappelijk onderzoeksstation in Groot-Brittannië.

In 1884 kwamen astronomen overeen de meridiaan door Greenwich als de nulmeridiaan te beschouwen. Alle tijdzones zijn gebaseerd op Greenwich. Nederland en het grootste deel
van Europa liggen in de zone ten oosten daarvan, waarin het een uur later is dan in Greenwich, de Midden-Europese Tijd.

In 1948 verhuisde het instituut naar het kasteel van Herstmonceux, bij am in Oost-Sussex op zoek naar een meer heldere hemel. De Isaac Newton Telescoop werd daar gebouwd in 1967. In 1990 verhuisde het instituut weer, en werd uiteindelijk in 1998 gesloten. Nog altijd valt een tijdbal elke dag op exact 13:00. Dit gebruik werd bedacht in 1833 door de astronoom John Pond. Er is een museum van astronomische instrumenten en navigatiehulpmiddellen.

Gregale:

Een sterke noordoostenwind in het midden en westen van de Middellandse Zee. Deze waait vooral in het winterseizoen en voert buien aan. De wind hangt vaak samen met een koudeput waardoor grote onstabiliteit optreedt. De buien gaan soms samen met hagel. Deze wind duurt meestel enkele dagen, maar soms bijna een week. Andere namen zijn Euroclydon, Euraquilo en Grigale.
 
Grenslaag:
De grenslaag wordt gevormd door de onderste paar honderd meter van de atmosfeer. De grenslaag is van groot belang voor weer en klimaat.
Wind, temperatuur en vocht in de onderste lagen van de atmosfeer kunnen van grote invloed op het weer aan de grond en zijn van belang voor de verspreiding van luchtverontreiniging. Mist reikt vaak niet verder dan de grenslaag.

Grenslaagmeteorologie:

Deel van de meteorologie dat zich bezighoudt met het bestuderen van de gedragingen van de grenslaag. Het is een erg moeilijk onderdeel van de meteorologie, omdat de luchtbewegingen in de grenslaag door de invloed van het aardoppervlak zeer gecompliceerd en klein van schaal zijn.

Gridpunt: (rasterpunt)
Ten behoeve van de computerberekening met (vaak wereldomvattende) meteorologische modellen wordt op verschillende hoogten, een netwerk van lijnen gelegd. Voor de snijpunten (gridpunten of roosterpunten) worden, aan de hand van de waarnemingen, de waarden van een groot aantal meteorologische grootheden berekend. De computer berekent vervolgens met behulp van een aantal natuurkundige wetten prognoses voor de verschillende meteorologische grootheden op die gridpunten.

Grijze nachten:

In Nederland is het gedurende de periode van 23 juli t/m 18 mei echt donker. De nachtelijke sterrenhemel wordt nu niet beïnvloed door het zonlicht, behalve als de maan schijnt. Deze weerkaatst dan het deels opgevangen zonlicht dat zich aan de nachtelijke hemel verspreidt. In de periode van
19 mei t/m 22 juli komt de zon niet lager dan 18 graden onder de horizon en is er astronomisch gezien geen sprake van duisternis. Dit zijn de 'grijze nachten'. De genoemde data gelden voor midden Nederland. Voor andere plaatsen in Nederland kan deze periode enige dagen afwijken.
 
Groene flits:
Een van de mooiste natuurverschijnselen is de groene flits. Wie eenmaal weet wat een
groene flits is, zal er bij iedere zonsondergang op uit zijn hem waar te nemen. Toch zal een echte groene flits in alle glorie slechts een paar maal in een heel leven te zien zijn.

De groene flits manifesteert zich wanneer het laatste randje van de ondergaande zon groen kleurt. Soms is dan alleen het bovenste stukje van de ondergaande zon groen, maar een heel enkele keer vormt de groene flits zich in een soort driehoek die qua afmeting even groot is als de net ondergaande zon. Het vercshijsel duurt bij ons niet langer dan één seconde.
In de poolstreken waar een zonsopkomst of -ondergang heel lang kan duren, is wel een groene 'flits' van vijftien minuten waargenomen.

Ontstaanswijze: Zonlicht dat door de atmosfeer gaat, volgt niet helemaal een rechte lijn, maar wordt een klein beetje afgebogen. Dit effect is sterk genoeg om de zon pas te zien ondergaan als de helft ervan in werkelijkheid al beneden de horizon is.  
 
Groene flits Foto: Harold Edens
 
Door dit effect is op 21 maart en op 23 september de daglengte overal op aarde langer dan twaalf uur. We noemen dit ook wel kimduiking. Nu is de hoeveelheid afbuiging afhankelijk van de golflengte en dus de kleur van het licht. Het is daarbij zo dat de blauwe en groene kleuren van de zon het laatst verdwijnen bij zonsondergang. De passage van alleen die kleuren duurt ongeveer 1,4 seconden. Vanuit de historie worden niet alleen groene flitsen gemeld, maar soms ook blauwe, en de duur daarvan komt precies overeen met de berekening.
 
Grondinversie:
Inversie aan het aardoppervlak, doorgaans met een hoogte van enkele tientallen meters. Grondinversies komen meestal in de nacht voor, het meest nadrukkelijk in het winterhalfjaar, tijdens een stralingsnacht. Vlak aan het aardoppervlak koelt de lucht sterk af, zodat deze veel kouder kan worden dan de luchtlaag daar direct boven.In dergelijke gevallen is er geen uitwisseling met de luchtlaag vlak boven de grondinversie. Overdag wordt, bij voldoende instraling van de zon, de lucht aan het aardoppervlak zodanig verwarmd dat de grondinversie verdwijnt. In de zomer gaat dit vanzelfsprekend gemakkelijker dan in de winter. Vandaar dat een hardnekkige grond inversie in de winter nogal eens aanleiding geeft tot de opzameling van vocht en luchtverontreiniging onder zon inversie en eventueel de vorming van mist en zelfs smog.

Grondmist:

Mistlaag dicht bij de grond beneden ooghoogte. Mist kan zich vormen door afkoeling van zeer vochtige lucht of door menging van koude met warme vochtige lucht. De eerste grondmist ontstaat vaak in de buurt van sloten en vochtige plaatsen boven weilanden. De koeien staan vaak alleen met
hun poten in de mist.

Grondtemperatuur: (bodemtemperatuur)

Temperatuur in de grond. Deze wordt op diepten van 5, 10,20, 50 en 100 cm gemeten. De grondtemperatuur is een grootheid van niet te onderschatten betekenis. Wanneer bijvoorbeeld na een langdurige vorstperiode de temperatuur aan de grond tijdens de nacht net boven het vriespunt blijft, maar in de grond de temperatuur een paar graden onder nul is, kunnen de wegen toch plotseling bevriezen door de kou die nog in de grond zit en door geleiding aan het oppervlak verschijnt. Dit verschijnsel is het beruchte opvriezen. Soms wordt ten onrechte de grastemperatuur, de temperatuur op 10 cm hoogte, ook grondtemperatuur genoemd.

Grondthermometer:

Instrument waarmee de grondtemperatuur wordt gemeten. Hiertoe wordt een glasthermometer met een verlengde steel gebruikt, die gevuld is met kwik. Het reservoir is ingegraven op de vereiste diepte. Tot een diepte van 50 cm hebben de thermometers een schaal van -20° tot +40° C, die van 100 cm loopt van -15° tot +40°C. Ook grondthermometers worden regelmatig geijkt.

Growler:

In zee drijvend brok ijs, afgebroken van een hummock of een ijsberg, met een doorsnede van ten minste een halve meter tot maximaal 10 m.

Gusting: (Uitschieters of windstoten)

De term wordt voornamelijk gebruikt in de luchtvaart waarmee men dan bijv. windstoten bedoeld. Bijvoorbeeld: wind 15 knopen, uitschietend tot 29 knopen.

Guur weer:

Beschrijvende term voor een weertype. Bij guur weer is er veel wind (boven land 5 Bft of meer), veel bewolking, een hoge relatieve vochtigheid en vallen er vaak ook nog buien. De term guur weer wordt vooral in het winterhalfjaar gebruikt.