Meteorologische encyclopedie hoofdstuk K
 
Kalender:
Lijst of tabel met de verdeling van een jaar in dagen, weken en maanden. Het woord wordt ook gebruikt voor aanduiding van de tijdrekening,
zoals de Juliaanse of Gregoriaanse kalender, een overzicht van feestdagen en agrarische of astronomische gegevens. De oudste kalender die in
druk is verschenen was een Duitse astronomische kalender uit 1447. Er bestaan ook weerkundige kalenders.

Kansen:

In de meteorologie waarschijnlijkheid of mogelijkheid dat het weer een bepaalde kant opgaat of dat bepaalde verschijnselen optreden.
De mate van (on)zekerheid wordt aangegeven door middel van een percentage. In de meerdaagse verwachting wordt de kans op neerslag en zon
aan door middel van een kanspercentage. In de weerberichten worden die percentages vaak vertaald in termen als ""kleine kans op, mogelijk, waarschijnlijk of hier en daar"". Bij een neerslagkans van 90% of meer is het vrijwel zeker dat er neerslag komt, bij een kans van 10% of minder
blijft het vrijwel zeker overal droog.

Kansterminologie:

In weersverwachtingen gebruikte terminologie, m.n. met betrekking tot zonneschijnverwachtingen in de meerdaagse verwachting op Teletekst en RTLtext. Men neemt tien plaatsen in gedachten, die gelijkmatig verdeeld zijn over het land. Een neerslagpercentage van 30 betekent dat er op drie van die tien plaatsen neerslag wordt verwacht. Daarbij geldt bovendien nog een minimumhoeveelheid van 0,3 mm.

Kantelthermometer:

Zie diepzeethermometer.

Karaburan:

Lokale wind in het noordoosten van China. Het is een zeer krachtige sirocco-achtige noordoostenwind. De karaburan voert continentaal polaire lucht (cPU) uit de Gobiwoestijn aan en waait van de vroege lente tot in de late zomer. De winden verplaatsen enorme stofwolken. Deze stofwolken zijn zo dicht, dat de zon soms verduisterd wordt. Vandaar dat de karaburan ook wel de 'zwarte storm' genoemd wordt. De karaburan raast vooral overdag.
In de nacht komt de woestijnlucht tot rust en klaart de hemel snel op. Op dit punt zijn er overeenkomsten met de harmattan.

Katabatische wind:

Tegenhanger van anabatische wind. Iedere wind die vanaf een helling naar omlaag waait. Een voorbeeld van katabatische wind is de föhn.
Algemene term voor winden die eendalende beweging maken langs het reliëf. Omgekeerd spreekt men van anabatische winden. Voorbeelden zijn berg- en dalwinden

Katafront:

Een, in het algemeen, zwak front. Het Griekse woord 'kata' staat voor 'omlaag'. Bij het front zijn niet alleen stijgende luchtbewegingen waar te
nemen, maar ook dalende. Het tegenovergestelde is een anafront.

Katathermometer:

Thermometer waarmee de zgn. afkoelingssnelheid wordt gemeten. Het is een glasthermometer, gevuld met alcohol, en met een normale schaalverdeling. De thermometer wordt verwarmd tot een bepaalde temperatuur. Vervolgens laat men de thermometer weer afkoelen en meet men
de tijd waarin de temperatuur van bijvoorbeeld 38°C tot 35°C is gedaald. Deze tijd is een maat voor de afkoelingssnelheid.
De afkoelingssnelheid hangt vooral af van de windsnelheid, de straling van de zon en de relatieve vochtigheid van de lucht en hangt nauw samen
met de gevoelstemperatuur.
 
Keerkring:
De keerkringen zijn bijzondere parallellen. De ene keerkring bevindt zich op ongeveer
23½° noorderbreedte (de Kreeftskeerkring) en de andere op ongeveer 23½° zuiderbreedte
(de Steenbokskeerkring). De exacte breedte is 23,439°, deze is gelijk aan de inclinatie van
de aardas t.o.v. de baan van de aarde rond de zon. Het gebied tussen de keerkringen wordt de tropen genoemd.Doordat de aardas een hoek maakt t.o.v. de baan rond de zon,
bereikt de zon voor een waarnemer niet op elke datum dezelfde maximale hoogte.

Op of rond 21 juni staat de zon loodrecht boven de Kreeftskeerkring. Op het noordelijk halfrond begint dan de zomer, op het zuidelijk halfrond begint dan de winter. De zon staat op dat moment volgens de astrologie in het teken Kreeft (Cancer).
 
De kreeftskeerkring, De evenaar,
De steenbokskeerkring
 
Als op of rond 22 december de zon loodrecht boven de Steenbokskeerkring staat is de situatie omgekeerd, dan begint op het noordelijk halfrond de winter, terwijl het zuidelijk halfrond aan het begin van de zomer staat. De zon staat op dat moment volgens de astrologie in het teken Steenbok (Capricornus).Enkel op of tussen de keerkringen kan de zon 's middags in het zenit (loodrecht boven je) staan. Ten noorden van de kreeftskeerkring staat de zon 's middags altijd in het zuiden. Ten zuiden van de steenbokskeerkring staat zij 's middags altijd in het noorden. Tussen de keerkringen zijn beide mogelijk naargelang het seizoen en staat ze 2 keer per jaar in het zenit. Zoals reeds eerder gezegd, op de keerkringen zélf is dat slechts éénmaal het geval. Overal op aarde beweegt de zon van oost naar west. Dit heeft namelijk niets te maken met de hellingshoek van de aardas en de baan van de aarde rond de zon, maar alles met de omwenteling van de aarde rond haar as.

Kelvin Temperatuurschaal:

De Engelse wis- en natuurkundige William Thomson Lord Kelvin (1824-1907) is de man van het absolute nulpunt, -273,15 graden. Bij de laagst mogelijke temperatuur zijn alle moleculen tot stilstand gekomen. Kelvin ontwikkelde een temperatuurschaal die eenvoudig is om te rekenen door
273 graden op te tellen bij het aantal graden Celsius: 0 graden Celsius komt overeen met 273 graden Kelvin. Het kookpunt van zuiver water bij een druk van 1013.25 hPa komt overeen met 373,16K

Kerstdepressie:

Rond kerst treedt vaak een stijging van de temperatuur op of komt er een einde aan een vorstperiode. Het kerstdooiweer is in West-Europa zo'n opvallende gebeurtenis dat menig onderzoeker en meteoroloog zich erover heeft gebogen om een verklaring te vinden. Zo'n kalendergebonden verschijnsel wordt in de meteorologie een singulariteit genoemd.

Dat zijn karakteristieke weersituaties die vrijwel ieder jaar rond een bepaalde datum terugkeren. Bekende voorbeelden zijn de IJsheiligen rond
12 mei, de oudewijvenzomer rond 22 september en de kerstdepressie rond 24 december. Uit onderzoek door Duitse weerkundigen blijkt dat er nog veel meer singulariteiten bestaan. Aan specifieke data zijn ze echter niet te koppelen. Het doorgaans wisselvallige weer in ons land kent door het
jaar heen inderdaad een bepaald verloop, maar de veranderingen zijn enigszins grillig verdeeld in de tijd. Opvallend is ook dat singulariteiten soms tientallen jaren bestaan om daarna geheel te verdwijnen of in een andere periode van het jaar opduiken. Sommige singulariteiten zijn verklaarbaar en hebben bijvoorbeeld te maken met verschillen in temperatuur tussen zeewater en vasteland. In andere gevallen is zijn kalender gebonden weersverschijnselen minder goed verklaarbaar.|

De kerstdepressie is een van de hardnekkigste en opvallendste singulariteiten die niet van wijken weet. De oorzaak van het kerstdooiweer moet volgens sommige onderzoekers hoger in de atmosfeer worden gezocht, de laag boven ongeveer 10 kilometer hoogte ook wel bekend als stratosfeer en de ozonlaag. Een depressie in de stratosfeer boven Alaska zou zich geleidelijk naar de lagere delen van de atmosfeer uitbreiden en uiteindelijk boven West-Europa leiden tot de kerstdepressie en het bijbehorende dooiweer. De theorie is echter nog niet bewezen en de toekomst zal moeten leren of dit werkelijk het mechanisme is achter de kerstdepressie. 

Kharif:

Lokale wind in Noordoost-Afrika. Het is een zeer krachtige, siroccoachtige, warme valwind, die vanuit het zuidwesten de Golf van Aden in waait.
Hij wordt de kharif genoemd aan de kusten van Somalië, aan de zuidkust van de Golf. De wind voert grote hoeveelheden zand mee vanuit het droge en hete Afrikaanse binnenland.

Kil:

Voor de tijd van het jaar te koud en vochtig weertype zonder buien. In het algemeen wordt deze term gebruikt als de temperatuur overdag zo'n
5 tot 10 graden onder het pentadegemiddelde ligt, dat is het klimatologisch gemiddelde over vijf dagen.

Klassieke klimatologie:

Deze beschrijft het klimaat vanuit een statistisch standpunt door opsomming van de gemiddelde waarden van tal van meteorologische grootheden over verschillende perioden voor een aantal klimatologische stations. De betreffende tabellen worden door de Klimatologische Dienst van het KNMI
in De Bilt gepubliceerd in de Klimatologische gegevens van Nederlandse stations.

Klassieke storing:

Een gewone depressie waaraan fronten verbonden zijn: een warmtefront, een koudefront en een occlusiefront.
 
  Kleine ijstijd:
Met de kleine ijstijd wordt de relatief koude periode bedoeld die duurde van de vijftiende tot
en met de 19e eeuw. Gemiddeld lag de temperatuur tijdens de kleine ijstijd in West-Europa zo'n 1 a 2 graden onder de waarden die tegenwoordig worden bereikt. Wereldwijd lagen de gemiddelde temperaturen 0,5 tot 1 graad lager dan tegenwoordig. Met "tegenwoordig" wordt hier de klimatologische periode 1960 tot 1990 bedoeld, de periode vóór het duidelijk zichtbaar worden van de huidige klimatologische opwarming. Deze huidige opwarming is waarschijnlijk een gevolg van het versterkte broeikaseffect.

De kleine ijstijd was daarentegen één van de natuurlijke variaties van het klimaat, zoals die altijd al zijn opgetreden.Onder klimaatonderzoekers wordt altijd gediscussieerd over de
exacte periode van de kleine ijstijd. Niet alleen voor diverse gebieden op aarde zijn er verschillen, maar het hangt er ook vanaf welk criterium wordt gekozen. Zo wordt voor de datering uitgegaan van de grootte van gletsjers, de aard en hoeveelheid van de neerslag,
 
de hoogte van de boomgrens of de temperatuur in de Alpen. Voor de Lage Landen ligt het voor de hand de gemiddelde temperatuur in De Bilt en Brussel als uitgangspunt te nemen.
  
Vanaf 1315 tot in het volgende decennium regende het vrijwel onafgebroken in grote delen van Europa en mislukten de oogsten. Dit wordt door sommigen gezien als het begin van de kleine ijstijd. Anderen gaan er vanuit dat deze rond 1430 begon en tot halverwege de 19e eeuw voortduurde.

Zo bereikten of evenaarden veel gletsjers rond 1850 hun grootste uitbreiding sinds het einde van de laatste ijstijd. In Londen was het lange tijd gebruikelijk 's winters op de bevroren Theems een kermis te organiseren. Deze is sinds het begin van de negentiende eeuw niet meer gehouden.

Hierna begon voor veel gletsjers een terugtrekking die zich in de twintigste eeuw versnelde. Na de laatste ijstijd is het klimaat redelijk constant gebleven, hoewel er wel veel relatief kleine klimaatschommelingen zoals de kleine ijstijd zijn voorgekomen. Zo werd de kleine ijstijd voorafgegaan door het Middeleeuws Klimaatoptimum, toen het gemiddeld even warm als of nog wat warmer was dan tegenwoordig. Er groeiden toen bijvoorbeeld wijnranken in Engeland en perziken in Vlaanderen en ook was er toen de kolonisatie van het zuiden van Groenland door de Vikingen (987-15e eeuw). Tijdens de kleine ijstijd was dit allemaal echter niet meer mogelijk.

Een koudegolf van december 1586 tot en met september 1587 is een eerste forse inzinking van de kleine ijstijd. Overal in West- en Midden-Europa wordt het in de tweede helft van de 16e eeuw kouder. De winters gaan achteruit met meer sneeuw en ijs, beginnen vaak al in november en duren tot maart of april. Vanaf 1530 worden ook de zomers koeler met herfstweer, compleet met storm en stormvloeden. Uit historisch onderzoek van het KNMI, gebaseerd op talloze bronnen, zoals dagboeken, stadsrekeningen en jaarringen van bomen. blijkt dat het laatste kwart van de zestiende eeuw waarschijnlijk het koudste was in de afgelopen duizend jaar. Deze periode is het dieptepunt van de kleine ijstijd. Ook het eerste kwart van de 17e eeuw was nog koud, zoals onder andere blijkt uit de winterlandschappen van schilders zoals Hendrick Avercamp (1585-1634). Op deze schilderijen zijn vaak bevroren wateroppervlakten te zien waarop allerlei mensen schaatsen, lopen of zich op andere manieren vermaken. Sneeuw is ook een overheersend element in veel dorpgezichten van Pieter Brueghel de Jonge (1564-1638). Vanaf het tweede kwart van de 17e eeuw trad een duidelijk herstel op en werd het zelfs relatief zacht. Zo waren de winters van 1636 en 1637 in West-Europa zacht en de zomers in die jaren zelfs warm met opnieuw vroege en rijke wijnoogsten. De kleine ijstijd kende dus grote natuurlijke variaties: koude periodes werden afgewisseld door series minder koude jaren.

Kleuren aan de hemel:

Kleur in de vorm van pigment bestaat in de dampkring niet. De kleuren die we aan de hemel zien zijn het gevolg van verstrooiing, breking en buiging van zonlicht door deeltjes in de atmosfeer. Zonlicht beweegt door het zonnestelsel in rechte, onzichtbare golven. Dit 'witte' licht is eenDe dampkring verstrooit alle kleuren van het zonlicht, beginnend bij het violet. Als de zon laag aan de hemel staat, worden alleen violet, indigo, blauw en een beetje groen verstrooid, waardoor een blauwe hemel ontstaat. mengsel van alle kleuren (namelijk rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet) in het zichtbare deel van het spectrum van elektromagnetische straling. Iedere kleur van het zichtbare spectrum heeft een andere golflengte: rood en oranje hebben de langste golflengten, indigo en violet de kortste. Als het zonlicht in onze dampkring komt, worden de lichtgolven in verschillende richtingen verstrooid door stofdeeltjes en luchtmoleculen. De kortere, blauwe en violette golven worden effectiever verstooid dan de langere, oranje en rode golven. Een mengsel van violet, blauw, groen en geringe hoeveelheden van de andere kleuren wordt aan de hemel verstrooid. De combinatie van deze kleuren levert blauw op. De precieze tint hangt af van de hoeveelheid stof en waterdamp in de lucht. Waterdruppeltjes en stofdeeltjes maken de verstrooiing minder selectief, zodat er relatief meer groen en geel bijkomen en de hemel grijzer wordt. Daardoor is de zomerhemel in de geïndustrialiseerde Europese landen vaak fletser dan de stofvrije hemel boven Australië en Afrika.

Wolken zijn wit doordat alle kleuren van het spectrum worden verstrooid door de waterdruppeltjes waaruit de wolken bestaan. Alle kleuren worden weer samengevoegd tot wit. Als het licht niet tot bij de waarnemer geraakt, of als door een andere wolk een schaduw wordt geworpen, kan een wolk grijs of zelfs zwart lijken.

Wanneer de zon opkomt of ondergaat, legt zijn licht een langere weg af door de atmosfeer. Een groter deel van de kleuren aan het rode einde van
het spectrum wordt verstrooid en de hemel verandert van geel naar oranje en rood. De oranje en rode kleuren van een zonsondergang kunnen worden versterkt door luchtvervuiling, roet en rook van bosbranden en vulkanische uitbarstingen. Verstrooiing kan nog andere gevolgen hebben. Als iets in de lagere atmosfeer, zoals een heuvel of wolk, een deel van het zonlicht tegenhoudt, kan de rest van het licht zich als stralen manifesteren.
Deze zogeheten schemeringsstralen worden versterkt door de verstrooiing van het licht in de lucht tussen het object en de waarnemer. De stralen lijken uiteen te wijken, maar dat is hetzelfde soort optisch bedrog dat spoorrails bij het naderen van de horizon in één punt lijkt te doen samenkomen.

Als licht door een transparante stof beweegt, zoals glas of water, wordt het onder een geringe hoek afgebogen, ofwel gebroken.
Doordat verschillende golflengten (kleuren) onder een verschillende hoek worden gebroken, zorgt dit proces ervoor dat de kleuren van het spectrum zich van elkaar scheiden. Een regenboog ontstaat wanneer licht wordt gebroken als het binnenkomt in waterdruppels en vervolgens door de achterwand van die druppels wordt teruggekaatst. Elke kleur komt onder een iets verschillende hoek tevoorschijn. Omdat dezelfde kleur onder dezelfde hoek uit de ontelbare druppels uittreedt, ziet de waarnemer banden (of ringen) van kleuren. Een andere combinatie van refractie en reflectie veroorzaakt optische effecten die halo's of bijzonnen worden genoemd. Weer een ander proces, diffractie, de buiging van licht langs de rand van een voorwerp, veroorzaakt gekleurde ringen die kransen worden genoemd. Zij treden gewoonlijk op bij wolken op middelbare hoogten.

Kleureffecten in wolken:

Verschijnsel in wolken door verstrooiing en breking van licht van zon en maan. Fraaie voorbeelden zijn de iriserende wolken, de parelmoerwolken en de lichtende nachtwolken.

Kleine kring:

Dit is, samen met de bijzonnen, voor velen het meest bekende haloverschijnsel. Ook rondom de maan is deze kring soms zichtbaar
(als deze helder genoeg is, dus vooral bij volle maan). De kleine kring ontstaat door breking in ijskristallen die geen voorkeursrichting hebben.
Of er sprake is van een kring van 22 graden is eenvoudig vast te stellen; hou de arm uitgestrekt en spreidt de vingers. Bedek de zon met de duim,
nu zal de kleine kring ongeveer aanwezig zijn ter hoogte van de pink. De kleine kring kan soms fel gekleurd zijn, maar meestal is slechts wat rood
en blauw zichtbaar.

KLIM:

Aanvulling op de SYNOP. In de KLIM worden uurlijkse klimatologische gegevens vermeld, zoals een uurgemiddelde van de windsnelheid in het afgelopen uur en gegevens over de neerslag.

Klimaat:

Het klimaat van een bepaald gebied is het gemiddelde weer, dus het gemiddelde over langere tijd, van meteorologische grootheden zoals temperatuur, neerslag, vochtigheid, zonneschijn en wind. Ook de extremen van dergelijke verschijnselen vallen onder het klimaat.

Klimaatdiagram:

Diagram waarin het gemiddelde temperatuurverloop en de neerslagverdeling gedurende het jaar worden aangegeven. Op de horizontale as is de tijd
in maanden aangegeven volgens het kalenderjaar, terwijl verticaal de neerslag in mm per maand en de temperatuur in graden Celsius worden weergegeven.

Klimaatfactoren:

Klimaatverschillen op aarde worden verklaard door een aantal klimaatfactoren:
1. Geografische breedte: hoe dichter bij de evenaar, hoe warmer.
2. Ligging ten opzichte van water, zeeën of grote meren: luchtaanvoer van zee heeft een matigende invloed op het klimaat.
    In de zomer geeft deze lucht verkoeling, in de winter juist verwarming.
3. Hoogteligging: in het algemeen geldt hoe hoger, hoe kouder.
4. Wind- en zeestromen: moessons, passaten en zeestromen kunnen warmte of kou en droge of vochtige lucht van elders aanvoeren.
5. Reliëf: de richting van bergkammen. Gebieden kunnen beschut worden door gebergten tegen vocht en tegen koude of tegen
    warme winden. De Franse Cóte d' Azur wordt bijvoorbeeld beschut tegen de koude noordenwinden door het Alpenmassief.
    Op de zeer lange termijn spelen ook nog astronomische klimaatfactoren een rol.

Klimaatindeling:

De klimaatclassificatie van Köppen of ook wel de klimaatclassificatie van Köppen-Geiger genoemd, is een oorspronkelijk in 1918 door de Russisch/Duitse bioloog Vladimir Köppen ontworpen klimaatclassificatie, die later is verfijnd door vooral de Duitse klimatoloog Geiger.

Het klimaat van een gebied wordt bepaald door de verschillende meteorologische variabelen, zoals temperatuur, neerslaghoeveelheid, wind, enz.
Het is niet mogelijk de verschillende klimaten scherp te scheiden. In het algemeen bestaat een geleidelijke overgang van het ene naar het andere klimaat. Toch kan men op grond van bepaalde criteria tot een klimaatindeling komen.

Veel gebruikte klimaatindelin gen zijn de klimaatindeling op geografische ligging, de klimaatindeling op geografische breedte en de klimaatindeling volgens Köppen. Köppen beschrijft de klimaten aan de hand van voorkomende gemiddelde waarden voor temperatuur en neerslag.

Afhankelijk van het doel, waarvoor de indeling wordt gemaakt, zijn nog andere classificaties mogelijk. Voorbeelden daarvan zijn: classificaties naar biologische kenmerken als de planten of bomengroei; naar eigenschappen van het aardoppervlak; op grond van geschiktheid voor bepaalde gewassen, bewoonbaarheid, beperkingen voor de luchtvaart, enz.
 
 
Klimaatindeling op geografische breedte:
Deze klimaatindeling maakt vooral onderscheid naar temperaturen. Hoe dichter bij de evenaar, hoe warmer. Onder meer worden onderscheiden:

a. Het poolklimaat, aan de koude kant van de beide poolcirkels.
b. Het gematigd klimaat, op gematigde breedten.
c. Het tropisch  klimaat, in het gebied tussen de beide keerkringen.
d. Het subtropisch klimaat, te vinden tussen het tropische en het gematigde klimaat.

Klimaatindeling op geografische ligging:

Deze klimaatindeling onderscheidt de klimaten op grond van geografische ligging. Onderscheiden worden onder meer:

a. Het zeeklimaat, in gebieden, die grenzen aan een zee of een groot meer.
b. Het landklimaat, waarbij de invloed van de zee vrijwel nihil is.
c. Het moessonklimaat, in tropische gebieden die aan grote wateroppervlakken grenzen.
 
Klimaatindeling volgens Köppen:
Empirisch systeem om te komen tot een beschrijving van de verschillende klimaten.
Köppen gaat in eerste instantie uit van een zonale verdeling, gebaseerd op de verdeling van
de gemiddelde temperatuur, waarbij de grenzen zodanig zijn gelegd dat ze globaal samenvallen met de grenzen van de voornaamste vegetatiegordels op aarde. Op die manier onderscheidt hij een tropische, een gematigde en een arctische zone. Aan deze gordels heeft hij nog twee zones toegevoegd: een zone die gekenmerkt wordt door een geringe hoeveelheid neerslag en een zone met extreem koude winters, waar echter dank zij de mildere zomers
nog bomengroei voorkomt. Men verkrijgt op deze wijze vijf klimaten:
 
 Tropisch Regenklimaat  A klimaat
 Droge klimaat  B klimaat
 Gematigd maritiem klimaat  C klimaat
 Continentaal klimaat  D klimaat
 Poolklimaat  E klimaat
 
Het D-klimaat komt uitsluitend op het noordelijk halfrond voor. In een verdere onderverdeling wordt de neerslagverdeling over het jaar aangegeven. Voor de vegetatie is het optreden van een droge periode van groot belang. Wanneer deze optreedt in de winter, wordt een kleine letter w toegevoegd, valt deze in de zomer, dan wordt een s toegevoegd en bij geheel ontbreken ervan de f. Het poolklimaat, het E-klimaat, wordt niet op grond van de aanwezigheid van droge perioden, maar naar temperatuur onderverdeeld.

Klimaatreconstructies:

Klimaatonderzoekers maken reconstructies van het klimaat, zoals het verloop van de temperatuur in de afgelopen duizend jaar. Meetgegevens zijn
er alleen over de laatste eeuwen, voor het weer vóór die tijd wordt gebruik gemaakt van afgeleide gegevens. De temperatuur in de Middeleeuwen is bijvoorbeeld af te leiden uit boomringen, koralen en andere historische bronnen met een grote geografische spreiding. Zo zijn er verschillende reconstructies van het klimaat gemaakt. Alle grafieken tonen eenzelfde beeld: vanaf het jaar 1000 tot eind 19e eeuw een lange vrijwel rechte lijn met wat kleine variaties maar vooral in de tweede helft van de 20e eeuw gaat de lijn door het warmere weer sterk omhoog. Door deze opvallende vorm wordt die grafiek onder wetenschappers ook wel de hockeystick genoemd.

Klimaatverandering:

Statistisch significante variatie in het gemiddelde toestand van het klimaat of in de variabiliteit, de extremen, die een langere tijd aanhoudt,
gedurende decennia of langer. Klimaatveranderingen kunnen veroorzaakt worden door een wisselwerking van natuurlijke processen of externe verstoringen veroorzaakt door zowel natuurlijke als menselijke invloed.

Klimatologie:

Is de wetenschappelijke studie van het klimaat.

Klimatologisch gemiddelde:

Klimatologen gebruiken een periode van dertig jaar om klimatologische gemiddelde vast te leggen. Meestal wordt het klimatologisch gemiddelde iedere tien jaar geactualiseerd. Voor de jaren 2001 t/m 2010 betekent dit dat we gebruik maken van de gemiddelden over de periode van 1971 t/m 2000. Als we het over het klimaat en klimaten hebben, kijken we vaak ook naar de wereldschaal en de invloed die grootschalige weerfenomenen op het klimaat kunnen hebben.

Klomphoogte:

Op 10 centimeter hoogte wordt de temperatuur gemeten. Vooral tijdens rustige, heldere nachten kan het verschil tussen de temperatuur op
1.5 meter hoogte (neushoogte) en op 10 centimeter hoogte (ook wel klomphoogte genoemd) groot zijn; soms is een verschil van 5 graden mogelijk! De temperatuurmeting op klomphoogte kan 's winters goede indicatie van grondvorst. We spreken van grondvorst of nachtvorst wanneer de temperatuur alleen op 10 centimeter hoogte onder nul komt, terwijl die op 1.5 meter hoogte boven nul blijft.
 
  Knijpzone:
Een backbent-occlusie is een occlusiefront dat om de kern van een depressie heen begint te krullen. Op satellietfoto's is deze herkenbaar als de depri de vorm van een 'krul' krijgt.
Op weerkaarten of op de SatRep gaat het herkennen nog sneller. Op de laatstgenoemde
staat er soms "BB-OCCL" bij vermeld.

De knijpzone is in dit geval de plaats nabij of net buiten het "uiteinde" van het teruggebogen occlusiefront, wanneer deze voor het eerst terug de depressiekern in begint te krullen.
De isobaren zitten daar heel dicht op elkaar. Dat betekent een grote gradiënt met als gevolg
veel wind.Beide meteorologische eigenaardigheden zijn op de geplaatste SatRep te zien.

De backbent van een stormdepresie die in de kracht van zijn leven is, passeert doorgaans snel. Zoals je ziet op de kaart, bevindt het occlusiepunt zich net buiten de depressiekern en
veroorzaakt de backbent-occlusie ter plekke een vore van lagedruk.
 
De passage van een backbent gaat op de barometer gepaard met een snelle, nog verdere daling van de luchtdruk, gevolgd door een bijna explosieve stijging. Op een barogram kan je een stijgklap goed herkennen. Maar op de al eerder genoemde isallobarische kaart zijn de luchtdrukstijgingen- en dalingen voor bijvoorbeeld heel Europa geplot. Op dergelijke kaarten is de werkelijke waarde van een stijgklap beter af te lezen dan op een barogram.

Knoop:
In de meteorologie soms gebruikt als eenheid voor snelheid. Een knoop komt overeen met 1 zeemijl (= 1852 meter) per uur. Een knoop is gelijk
aan (afgerond) 0,5 m/s. Wordt dikwijls afgekort tot "kt".

Knooppunt:

Punt waarop de maan het vlak waarin de aarde ronddraait kruist. Als de maan van onder het vlak komt spreken we van een stijgende knoop, komt de maan van boven het vlak dan is het een dalende knoop.

Koel:

Voor de tijd van het jaar te koud weer. In het algemeen wordt deze term gebruikt als de temperatuur overdag boven de 12 graden ligt en zo'n
5 tot 10 graden onder het pentadegemiddelde ligt, dat is het klimatologisch gemiddelde over vijf dagen. Bij een verschil van 2 tot 7 graden wordt meestal gesproken van vrij koel weer.

Koembang:

Een lokale wind in het binnenland van Djawa. Het is een warme valwind met föhneigenschappen.

Komma wolk:

Altocumulus of Cirrocumulus met virga, door de wind gebogen.

Köppen, Vladimir: (1846-1940)

Duits-Oostenrijks meteoroloog van Russische afkomst. Köppen werd vooral bekend door de door hem opgestelde en naar hem genoemde klimaatindeling.

Korrelhagel:

Neerslag van kleine troebele ijsdeeltjes (kleiner dan de gewone hagel). Ze vormen zich bij botsing van onderkoelde waterdruppeltjes met ijskristallen. Druppeltjes en ijskristallen bevriezen tezamen. Hun diameter is hoogstens een 4 tot 5 millimeter. Korrelhagel is veelal bij zware buien waar te
nemen, vooral tijdens het winterhalfjaar; het gaat dan veelal gepaard met sneeuw en >korrelsneeuw.

Korrelsneeuw:

Bestaat uit witte, ondoorzichtige, meest conisch gevormde ijsbrokjes, die op hagel lijken. Hun diameter is slechts enkele millimeters. De bolletjes hebben een brosse structuur. Wanneer je er op drukt vallen ze uiteen. Ze worden het meest opgemerkt bij buien met winterse neerslag.
Het is voornamelijk een winterverschijnsel in tegenstelling tot hagel.

Korte-termijnverwachting:

Weersverwachting, geldig voor een vrij korte periode van 3-18 uur vooruit. Typische hulpmiddelen voor dit doel zijn weerkaarten en radar- en satellietinformatie. De inbreng van de meteoroloog in de korteermijnverwachting is relatief groot. Met name voor windverwachtingen zijn, in niet al te complexe meteorologische omstandigheden, de kleinschalige meteorologische modellen zeer bruikbare gereedschappen. Volgens K.N.M.I.: Korte termijn is voor de meteorologen de periode tot hooguit 48 uur vooruit. Voor het maken van korte termijnweersverwachtingen heeft het KNMI in samenwerking met deskundigen uit andere landen het ""High Resolution Limited Area Model"" (Hirlam) ontwikkeld.

Kortgolvige straling:

Straling die door de zon uitgezonden en op aarde opgevangen wordt. Het betreft voornamelijk zichtbaar licht en is dus, in tegenstelling tot de langgolvige straling van de aarde, met het oog waar te nemen.

Kosmische straling:

Verzameling van allerlei soorten straling die vanuit het heelal op de aarde valt.

Kossava:

Een lokale wind op de Balkan. Deze koude valwind waait uit richtingen tussen oost en zuid, vanuit het berggebied ten oosten van Belgrado over de Donau en trekt in westelijke richting verder tot voorbij Belgrado en vervolgens naar de grens tussen Roemenië en Hongarije.

Koud:

Lage temperatuur voor de tijd van het jaar, overdag 12 graden of kouder en in het algemeen 5 tot 10 graden onder het pentadegemiddelde, dat is het klimatologisch gemiddelde over vijf dagen. Bij een verschil van 2 tot 7 graden wordt meestal gesproken van vrij koud weer.
 
Koudegetal:
Classificatie van de kou in het winterperiode gebaseerd op het dagelijks etmaalgemiddelde
van de temperatuur. Dat is het gemiddelde over 24 uur, dat bepaald wordt uit de 24 uurlijkse temperatuurmetingen op een dag. Alle etmaalgemiddelden beneden het vriespunt over de periode 1 november tot en met uiterlijk 31 maart worden opgeteld, zodat uiteindelijk één (koude)getal wordt verkregen. Daarvan wordt het minteken weggelaten.

De methode om winters te classificeren werd geïntroduceerd door de Duitse meteoroloog Gustav Hellmann (1854-1939). Voordeel is de mogelijkheid van een tussentijdse balans van
de kou. Bovendien telt ook vorst in het voor- en naseizoen meetelt, dit in tegenstelling tot meteorologische winter die alleen betrekking heeft op de kalendermaanden december,
januari en februari.  
 

Koudegetal 

Hellmann (H)

Classificatie Frequentie
 > 300 Streng 1x in de 50 jaar
160 - 300 Zeer koud 1x in de 10 jaar
100 - 160 Koud 1x in de 3 jaar
40 - 100 Normaal -
20 - 40 Zacht 1x in de 3 jaar
10 - 20 Zeer zacht 1x in de 10 jaar
0 - 10 Extreem zacht 1x in de 50 jaar
 
Koudegolf:
Onder een koudegolf wordt verstaan een aaneengesloten periode van minimaal 5 ijsdagen (maximumtemperatuur < 0°C) waarvan 3 dagen met strenge vorst (minimumtemperatuur < -10°C).

Koude luchtstreek:

Het gebied op aarde begrensd door de 10°C-isotherm van de warmste maand. De gemiddelde temperatuur in dit gebied komt dus niet boven de
l0°C uit. Deze grens is gekozen op basis van de klimaatindeling volgens Köppen.

Koude massa:

Weerbeeld dat bij een bepaalde luchtsoort hoort en in sterke mate wordt bepaald door de aard van het aardoppervlak, waarboven die luchtsoort zich op dat moment bevindt. De temperatuur van het aardoppervlak, bijvoorbeeld, bepaalt mede of de opbouw van de atmosfeer in de onderste niveaus stabiel dan wel onstabiel is. Wanneer de temperatuur van die lucht lager is dan die van het onderliggende aardoppervlak, wordt gesproken van koude massa.

De opbouw van koude massa is dus onstabiel. Er kunnen spontaan krachtige verticale bewegingen ontstaan, waardoor er transport van warmte en waterdamp plaatsvindt naar de hogere luchtlagen (convectie). De bijbehorende bewolking is dan ook doorgaans van het geslacht cumulus en/of cumulonimbus. De neerslag is buiig van karakter. Het zicht is gewoonlijk goed.

Door de grote uitwisseling met de hogere luchtlagen is zowel de windrichting als de windsnelheid nogal aan fluctuaties onderhevig. Overdag kan,
bij een rustig weerbeeld met weinig bewolking, koude massa overgaan in warme massa. Ook invloeden van land en zee kunnen bij deze
transformatie een rol spelen. In het najaar, bij een relatief warm zeeoppervlak, kan lucht die boven die zee koude massa is, eenmaal boven land aangekomen, overgaan in warme massa. Het kustgebied is dan zonnig, maar verder landinwaarts ontstaat eerst cumuliforme bewolking,
die verderop uitspreidt in uitgestrekte wolkenvelden. In het voorjaar gebeurt vaak het omgekeerde, met als gevolg aan de kust veel
bewolking en juist landinwaarts een meer gebroken wolkendek.

Koude plaklaag:

Verschijnsel dat met name in de winter voorkomt na sneeuwval of een vorstperiode. Er vormt zich dan aan het aardoppervlak een dunne laag koude lucht van enkele tientallen meters dikte. Aangevoerde warme, en dus lichtere, lucht wordt gedwongen tegen die koude lucht op te glijden, zodat een te verwachten temperatuurstijging niet doorgaat. Tegelijkertijd ontstaat er op deze wijze een, soms sterke, inversie, waaronder zich veel vocht, maar ook luchtvervuilende stoffen verzamelen. Het bijbehorende weerbeeld is doorgaans dan ook grijs: een egaal wolkendek. Voor het opruimen van zo'n koude plaklaag is het wachten op een duidelijke dooi inval of veel wind, zodat er menging met hogere luchtlagen plaats kan vinden.

Koude pool:

Plaats op aarde waar de laagste temperatuur is gemeten. Deze plaats ligt in het noordoosten van Antarctica, waar een temperatuur van -88°C werd gemeten. De koudepool valt niet samen met de geografische zuidpool.

Koudeput:

Van een koude put spreken we als er zich in de hogere luchtlagen een hoeveelheid (zeer) koude lucht bevindt waardoor zich daar een
lagedrukgebied vormt dat op de grondkaarten niet terug te zien is. In een koude put is de lucht erg onstabiel en daardoor ontstaan er gemakkelijk buien, die in de winter vaak sneeuw geen. De doorsnede van een koude put is enkele honderden kilometers.

Koude zeestroom:

Zeestroom die begint op hoge breedte en stroomt naar lage breedte, met als gevolg dat deze stroming relatief kou met zich brengt.

koude woestijn:

Plek op aarde waar door de lage temperaturen geen vegetatie aanwezig is.
 
Koufront:
Onderdeel van een frontaal systeem. Bij de passage van een koufront komt een waarnemer op een bepaalde plaats op het aardoppervlak van de warme in de koude lucht.
Op weerkaarten wordt een koufront doorgaans aangegeven door een blauwe lijn of door een zwarte lijn met aan de voorzijde zwarte driehoekjes.

De passage van een koufront heeft doorgaans een min of meer karakteristiek weersverloop. Op enige afstand voor het naderende koufront uit zijn er meestal alleen wat cirrus-velden (CI) en altocumulus-banken en verder een windkrimping en een daling van de luchtdruk waar te nemen. Pas op zo'n 100 km voor het front neemt de bewolking snel toe, een combinatie van nimbostratus (NS), cumulonimbus (CB), altostratus (AS) en cirrostratus (CS) met aan de onderkant van dat alles flarden stratus (ST).

De meest intensieve neerslag vindt plaats tijdens de passage, vaak in de vorm van buien. Afhankelijk van de temperatuurverschillen voor en achter het koufront gaan die buien soms gepaard met onweer en min of meer zware windstoten.
 
Koufront op een weerkaart
 
De wolkenbasis is laag. De passage van het koufront verloopt soms opmerkelijk snel. Daarna breekt de bewolking en zijn er felle opklaringen,
de luchtdruk stijgt fors, de temperatuur daalt, de wind ruimt duidelijk en het zicht wordt snel beter.  

Koufrontocculsie:

Occlusie in het verlengde van het koufront, waarbij de lucht aan de voorkant van het warmtefront minder koud ik) is dan de lucht achter het koufront (kk). Op een weerkaart wordt een koufrontocclusie doorgaans aangegeven met een blauwe lijn met daarachter een onderbroken rode lijn of door een zwarte lijn met in de bewegingsrichting afwisselend driehoekjes en halve cirkeltjes, waarvan de driehoekjes zijn opgevuld.

Krachtige wind:

Een krachtige wind van windkracht 6 op de schaal van Beaufort komt overeen met een 10 minuut gemiddelde windsnelheid van 30 - 49 km/uur
(10,8 - 13,8 meter per seconde). Het kost dan heel wat moeite de paraplu overeind te houden. In draden hoor je de wind fluiten. Grote boomtakken raken in beweging en van de kleine vogelsoorten zijn er nog maar weinig in de lucht. Nachtvlinders en bijen vliegen ook niet meer. Op het water ontstaan grotere golven met overal brekende koppen en veel opwaaiend schuim.

Kranenzomer:

Zomerse periode aan het begin van oktober.

Krans:

Een regenboogkleurige of parelmoerkleurige schijf om zon of maan in doorschijnende wolken.

Krimpende wind:

Een verandering van windrichting luidt vaak een verandering van het weer in. Zeker in ons land waar het veel uitmaakt of de wind vanaf het droge vasteland van Europa blaast of de lucht over de vochtige Noordzee wordt aangevoerd. Wind die draait tegen de richting van de wijzers van de klok wordt krimpend genoemd. Meestal nadert dan een depressie met regen. Omgekeerd heet een draaiing met de wijzers van de klok ruimend. Vaak hangt dat samen met de komst van een hogedrukgebied en beter weer.

Kringloop:

Proces van het zich bewegen en volgen in een kring, bijvoorbeeld de kringloop van water of ook wel hydrologische kringloop genoemd. De cyclus is eindeloos: water verdampt vanaf het aardoppervlak, wordt getransporteerd door de atmosfeer, condenseert tot wolken en neerslag en keert zo weer terug op het aardoppervlak waar vandaan de cyclus opnieuw begint.

Kring om de zon:

In dunne wolkensluiers, waar de zon doorheen schijnt, is vaak een gekleurde kring rond de zon te zien. De kring ontstaat door breking en weerkaatsing van het zonlicht in de ijskristalletjes, waaruit die hoge wolken bestaan. Deze optische verschijnselen die, in mindere mate, ook bij de maan te zien zijn, worden halo's genoemd. Een kring rond zon of maan werd in een ver verleden als iets onheilspellends gezien, wat in veel volkswijsheden tot uiting komt .""Een kring om de zon, daar huilen vrouw en kinderen om; een kring om de zon, water in de ton"". Vaak is het een voorteken van slecht weer.

Kruiend ijs:

Enorme ijsvelden na een flinke vorstperiode waar de wind vat op kan krijgen. De ijsplakken worden in de richting van de wind over een grote afstand tegen elkaar geduwd, waardoor de spanning over de hele lengte toeneemt en het ijs tegen de zwaartekracht in omhoog wordt geduwd. De ijsblokken of -velden kunnen ijsdammen opwerpen, als ze over elkaar schuiven, kistwerken genaamd. Kistwerken ontstaan bij voorkeur in scherpe bochten of
bij obstakels. Het ijs kan dijken beschadigen en aan de andere kant van de dijk terechtkomen, waardoor gevaarlijke situaties ontstaan en ook wegen beschadigd worden. De scheepvaart ondervindt veel hinder van kruiend ijs.

Kuifwolk:

Altocumulus 'uitsneeuwend', er als een kuif uitziend.

Kust:

Rand van de vaste wal die door de zee wordt bespoeld of grens tussen land en zee. De kust kent een specifiek (kust)klimaat wat vooral tot uiting komt in de temperatuur. Water houdt warmte langer vast zodat de temperaturen aan de kust gematigder zijn, 's winters wat zachter, 's zomers wat koeler. Bovendien is het aan de kust tot genoegen van strandliefhebbers vaak zonniger dan in het binnenland. De begrenzing van het gebied met stapelwolken en wolkenvelden kan zo scherp zijn dat de kustlijn of de vorm van de Zeeuwse eilanden in de lucht herkenbaar is. Op flinke afstand
van zee is dan al te zien waar de kustlijn ligt.

Kustfront:

Een kustfront is een front wat niet samenhangt met een lagedrukgebied, maar vormt een begrenzing tussen twee verschillende regimes. Het is in feite de sterke broer van het zeewindfront. Het kustfront ontstaat bij voorkeur in het najaar, als het zeewater juist nog vrij warm is ten opzichte van de relatief koele lucht boven land. Voorwaarden voor het ontstaan zijn: onstabiele lucht, boven de warme zee moeten buien zich gemakkelijk kunnen ontwikkelen, verder moet de wind niet te sterk zijn maar wel min of meer aanlandig zijn. Extra gunstig is een windrichting die enigszins evenwijdig langs de kust waait.

Kwakkelweer:

Kwakkelweer is in de regel onbestendig veranderlijk weer met temperaturen rond het vriespunt. 's Nacht lichte vorst van hooguit enkele graden onder nul en overdag lichte dooi met hooguit enkele graden boven nul. Een winter zonder aanhoudende kou maar met afwisselend vorst en dooi wordt een kwakkelwinter genoemd.

Kwikbarometer:

Barometer ontwikkeld door Torricelli. Daarbij wordt een buis met een lengte van ca. 1 meter volledig gevuld met kwik en daarna omgekeerd in een bakje met kwik gezet. Het kwik zakt in de buis tot op een hoogte van ongeveer 76 centimeter; boven dit kwik is het in de buis luchtledig. Deze kwikstand komt overeen met een druk van 1013,25 hPa. Een millimeter kwikdruk komt overeen met ongeveer 1,33 hPa. Een nadeel van een kwikbarometer is dat deze temperatuursafhankelijk is (het kwik zet namelijk uit bij stijgende temperatuur. Daarom is het nodig de afgelezen barometerstand om te rekenen.

Kwik-in-staalthermometer:

Deformatiethermometer die wordt gebruikt om op afstand de heersende temperatuur te kunnen bepalen. In het instrument bevindt zich een veerkrachtige en holle metalen spiraal, een soort Bourdon-element. Dit element is door middel van een lang metalen capillair (tot wel 50 m)
verbonden met een stalen reservoir. Het geheel is onder zeer grote druk gevuld met kwik. Het reservoir bevindt zich op de plaats waar de
temperatuur wordt gemeten. Verandering van temperatuur veroorzaakt een volumeverandering van het kwik in het reservoir, waardoor de spiraal
zich verder ontrolt of juist verder oprolt. Een wijzer op een schaalverdeling of een schrijfpen geeft vervolgens de temperatuur aan.

Kwikthermometer:

De thermometer is eind 16e eeuw in Italië uitgevonden door Galilleo Galilei (1564-1632). De thermometers waren eerst gevuld met water en later
met alcohol. Gabriël Fahrenheit (1686-1736) was de eerste die kwik zou gebruiken als vloeistof en daarmee de kwikthermometer