Meteorologische encyclopedie hoofdstuk L
 
Laag water:
Lage waterstanden in onze rivieren treden meestal op aan het einde van de zomer en in het najaar. Droge warme zomers hebben tot gevolg dat de watervoorraad in het stroomgebied dan gering is , terwijl ook het aanbod van smeltwater uit de Alpen afneemt. Soms komen lage rivierafvoeren ook voor gedurende droge en koude perioden in de winter. Gedurende zo'n periode wordt de toevoer van water naar de Rijn letterlijk en figuurlijk bevroren. De lage waterstanden in de grote rivieren worden slechts voor een klein deel bepaald door de actuele droog in Nederland, maar voornamelijk door de neerslag in de stroomgebieden van de rivieren.

Laaghangende bewolking:

Typisch verschijnsel bij warme massa. Bij geringe windsnelheid en voldoende afkoeling breidt deze wolkenlaag tijdens de nacht door afkoeling vaak tot op het aardoppervlak uit en gaat hij over in mist. Bij voldoende wind gaat deze vochtige laag overdag dan weer over tot laaghangende bewolking. Onder laaghangende bewolking verstaat we een mistlaag op ongeveer 100 tot 200 meter boven de grond. Het bovenste deel van hoge objecten,
zoals flatgebouwen of torens, gaat dan vaak schuil in de mistlaag. De laaghangende bewolking ontstaat meestal uit mist die zich door afkoeling aan het aardoppervlak vormt. In de loop van de dag wordt de onderste laag van de atmosfeer verwarmd door de weinige zon die door de bewolking doordringt.
 
Daardoor zal de mistlaag iets omhoog worden getild, waardoor het zicht aan de grond verbetert, maar het op een paar honderd meter hoogte mistig blijft. Ook door een toename
van de wind kan mist overgaan in laaghangende bewolking. Vooral in het najaar en de winter heeft de zon in de regel te weinig kracht om de mistlaag op te lossen.

Als de weersomstandigheden nauwelijks veranderen en er weinig wind blijft, kan de laaghangende bewolking zich geruime tijd handhaven.  Het is dan grijs en somber weer, omdat de bewolking het zonlicht slecht doorlaat. Tegen zonsondergang, wanneer de kracht van de zon weer afneemt en de temperatuur weer begint te dalen, zakt de lage bewolking geleidelijk weer naar het aardoppervlak waardoor het ook aan de grond weer mistig wordt.
Het tijdstip waarop mist overgaat in laaghangende bewolking of omgekeerd is moeilijk
precies aan te geven. Bovendien kan dat behalve door het weer ook door plaatselijke omstandigheden, zoals hoogteverschillen in het landschap of lokale temperatuurverschillen, van plaats tot plaats verschillen. In de weersverwachting wordt daarom meestal gesproken
van mist of laaghangende bewolking.
 
Mist    Bron: Kees Floor
 
Labrador-stroming:
Koude zeestroming die tussen het Canadese schiereiland Labrador en Groenland door naar het zuiden stroomt. Voor de kust van Newfoundland
stuit deze stroming op de warme Golfstroom. Juist op deze plaats met veel temperatuurverschillen in het oppervlaktewater worden veel Atlantische lagedrukgebieden geboren.

Lacununos:

Vol gaten. Wolkenvariëteit van de wolkengeslachten cirrocumulus, altocumulus en soms stratocumulus. De bewolking is dun en lijkt enigszins op een honingraatstructuur; met regelmatige ronde openingen, een netwerk van gaten.

Lagedrukgebied:

Een lagedrukgebied of depressie ontstaat in het grensgebied tussen twee verschillende luchtsoorten. Bijvoorbeeld tussen koude lucht van
noordelijke breedten en tropische lucht van zuidelijke breedten. In het grensvlak van de beide luchtsoorten kan door een veelheid aan oorzaken een golfvormige uitstulping ontstaan die verder kan uitgroeien tot een lagedrukgebied of zelfs tot een heuse diepe stormdepressie. Een depressie zou je voor kunnen stellen als een enorme atmosferische stofzuiger op zo'n 8 tot 10 kilometer hoogte, die de lucht naar boven zuigt. De lucht stroomt spiraalsgewijs naar het centrum van lagedruk toe. Een lagedrukgebied wordt meestal geassocieerd met minder goed weer.

Lage wolken:

Onder laaghangende bewolking wordt verstaan, een mistlaag op ongeveer 100 tot 200 meter boven de grond. Het bovenste deel van hoge objecten, zoals flatgebouwen of torens, gaat dan vaak schuil in de mistlaag.

Lage druk boven Midden-Europa:

Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De lage druk boven Midden-Europa is een half-meridionale circulatie. Er ligt een groot hogedrukgebied boven de Atlantische Oceaan en boven Scandinavië, maar boven het Europese vasteland is de luchtdruk laag. In deze situatie
wordt er continentaal polaire lucht of continentaal gematigde lucht naar onze omgeving gevoerd.

LAM: (Limited Area Model of beperkt gebied model).

Naast de globale meteorologische modellen hebben vele weerdiensten modellen ontwikkeld voor een relatief klein kaartgebied. Het voordeel van
een LAM is dat een veel fijner rooster doorgerekend kan worden. Daarentegen zal een LAM bij berekeningen naar de toekomst eerder afwijkingen vertonen. In de Nederlandse weerdiensten wordt vooral de LAM-uitvoer van de Engelse, de Duitse en de Nederlandse weerinstituten gebruikt.
 
Landen met een landklimaat
  Landklimaat:
Een landklimaat of continentaal klimaat is in tegenstelling tot een zeeklimaat een klimaat
met extreme temperaturen in zomer en winter.

Landklimaat komt voor in bijvoorbeeld Siberië. Het zijn gebieden die ver landinwaarts liggen, zonder zee of ander groot wateroppervlak in de buurt. De matigende invloed van de oceanen
is daar dan klein. Doordat de relatief droge landoppervlakken makkelijk opwarmen en
afkoelen worden de temperaturen in de zomer extreem hoog, en in de winter zeer laag.
Het landklimaat komt alleen maar voor op de op het noordelijk halfrond gelegen
Euraziatische landmassa en Noord-Amerika.

Df:
landklimaat of continentaal klimaat; met neerslag gedurende het hele jaar
Dw: landklimaat of continentaal klimaat; met droge winters
Ds: landklimaat of continentaal klimaat; met droge zomers
 
Landwind:
Een wind die van over het land naar de zee waait. Dit is in tegenstelling tot de zeewind of zeebries. De landwind komt tijdens de latere nacht en voormiddag voor wanneer het land koeler is dan de lucht boven het zeewater. De koelere landlucht (hogedrukgebied) stroomt naar de warmere zee (lagere luchtdruk).
 
Lange-termijnverwachting:
Weersverwachting, geldig voor een termijn langer dan 5 dagen vooruit. In de operationele meteorologie worden dit soort verwachtingen vrijwel niet gemaakt. De meteoroloog heeft daarbij geen inbreng meer. Hij gaat in voorkomende gevallen volledig af op statistiek en klimatologie. Sommige meteorologische modellen, zoals dat van het ECMWF, rekenen tot
10 dagen vooruit. In het algemeen mag echter aan de resultaten daarvan niet veel waarde worden gehecht. Soms kunnen wel tendensen aangegeven worden, zoals: het wordt kouder, warmer, stabieler of juist minder stabiel. Het gebruik van weersatellieten en weerkaarten is niet van belang. M.a.w. De lange termijnweersverwachting van het KNMI geeft de trend aan voor de komende zes tot tien dagen. De computer produceert op basis van berekeningen door het Europees Weercentrum in Reading voor elk van de komende tien dagen tientallen
 
Verwachting voor 12 dagen
 
weerkaartjes ter grootte van een flinke postzegel, die de mogelijke weersituatie aangeven. De uitkomsten worden gepresenteerd in de vorm van weerkaartjes, tabellen en grafieken. De pluim is een grafische voorstelling van de tiendaagse verwachtng van bijvoorbeeld temperatuur, windsnelheid en neerslag voor een bepaalde plaats waarin ook de spreiding van de uitkomsten in één oogopslag is te zien.

Langgolvige straling:
Straling die door de aarde wordt uitgezonden. Deze straling bevindt zich in het infrarode gebied en is dus, in tegenstelling tot het kortgolvige
zonlicht, met het oog niet waar te nemen. Bij wolkenloze hemel kan het aardoppervlak ongehinderd uitstralen, waardoor de temperatuur aan de
grond soms 's nachts erg laag kan zijn.

Langley:

Eenheid van energie per oppervlakte-eenheid; komt overeen met 1 gram.calorie/cm²; eenheid wordt dikwijls gebruikt in stralingsmetingen.

Latente warmte:

De energie die nodig is om van aggregatietoestand te veranderen. Bij overgang van vaste naar vloeibare toestand of van vloeibare naar gasvormige toestand is deze energie nodig. Bij overgang van gasvormig naar vloeibaar of van vloeibaar naar vaste komt deze warmte terug vrij. Merk op dat
daarbij geen verschil in temperatuur merkbaar is: de warmte is latent of verborgen. Wanneer waterdamp opstijgt en uiteindelijk condenseert komen grote massa's energie vrij (wolkenvorming) die aanleiding kunnen geven tot onweer.

La Niña:

Indien het water in het oostelijk deel van de Pacific niet warm maar juist relatief koud is, spreken we van een La Niña (klein-meisje)-situatie.
Voor de kust van Zuid-Amerika gebeuren dan geen schokkende dingen: het is er, zoals gebruikelijk, droog en de visvangst voor de kust van Peru is uitstekend. Op wereldschaal heeft een La Niña wel enige invloed. Klimatologen hebben voor La Niña-situaties voor verschillende gebieden een overeenkomst met bepaalde weergebeurtenissen vastgesteld. Zo is het in een La Niña-situatie in de winter nat en koel in het zuidoosten van Afrika. Bij een La Niña in onze zomer is het koel in heel Zuidoost-Azië, maar juist warm in het noordoosten van Australië.
Zowel bij een El Niño als bij een La Niña zijn de invloeden op het Nederlandse weer zeer gering.

Leafcloud:

Over het algemeen bestaat een leafcloud uit een langgerekte band die doorgaans meer dan 10 lengte- of breedtegraden bedraagt. In zowel het infrarood als in het visuele kanaal (van satellietfoto's) is de leafcloud helder, wat getuigt van koude en dikke wolkentoppen. Aan de koudezijde heeft de leafcloud een sinusvormige structuur. Deze is scherp begrensd door de straalstroom. Leafclouds ontwikkelen zich doorgaans langs een frontensysteem van een trog in de bovenlucht. De leafcloud gaat ook vaak gepaard met sterke windvelden en staat daarbij ook aan de basi van de ontwikkeling van fronten.

Lengtegraad:

Afstand tussen twee opeenvolgende meridianen met een geheel getal.

Lenswolk:

In vaktermen ook wel altocumulus lenticularis genoemd. De lenswolk dankt zijn ontstaan aan de bergruggen waarboven hij hangt. Staat er dwars
op de bergrug een stevige stroming, dan wordt de lucht wanneer ze de berg bereikt gedwongen omhoog te gaan en weer te dalen aan de achterzijde van de berg. Die gedwongen stijging plant zich voort tot hoog boven het bergniveau. Luchtlagen hoger in de atmosfeer raken tijdens dat stijgproces soms plotseling verzadigd met waterdamp; er vormt zich bewolking. Daalt de lucht verderop, dan raakt de lucht weer onverzadigd en lost de
bewoking op. Een lenswolk blijft daarom permanent boven dezelfde plaats aanwezig, terwijl de lucht gewoon verder stroomt. Vorming van lenswolken kan duiden op snelle stromingen in de hogere luchtlagen of plotselinge toename van windsnelheid boven een bepaald niveau. Lenswolken zijn prachtig om te zien maar zijn een gevaar voor ballonvaarders in verband met de plotseling optredende 'snelle' luchtlagen.
 
Altocumulus lenticularis Foto: B Mühr 
 
Lenticularis wolk Mont Blanc in Frankrijk (foto: Eline Nijhoff) 
 
Lente:
De meteorologische lente begint op 1 maart en duurt tot en met 31 mei. De astronomische lente begint in de komende decennia vrijwel ieder jaar
op 20 maart. Bij het begin van de sterrenkundige lente staat de zon precies boven de evenaar.  De astronomische seizoensindeling is gebaseerd
op de positie van de aarde ten opzichte van de zon, de meteorologische heeft als uitgangspunt dat ieder seizoen drie complete kalendermaanden telt. Door het warmere weer van de laatste jaren begint het groeiseizoen, de lente in de natuur, tegenwoordig eerder. 

Leste:

Sirocco-achtige oosten- tot zuidoostenwind uit Marokko, die naar de Canarische Eilanden en Madeira waait. Hij kan ook uit zuidelijke richting
waaien naar Spanje toe, en ook vanuit zuidelijk Algerije in de richting van Italië.

Levèche:

Lokale wind in het Spaanse kustgebied tussen Valencia en Almería. Het is een sirocco-achtige zuidoostenwind, die continentaal tropische lucht (cTL) uit Algerije aanvoert. Hij kan ook in het zuiden van Spanje, in de streken Andalusië en Morena, waaien. Dan is het een zuidwestenwind.

Levanter:

Een oostelijke tot noordoostelijke wind in de straat van Gibraltar, tussen Spanje en Marokko. Het is een zwakke tot matige wind met een hoog vochtgehalte. Maar in de lente en herfst haalt deze wind stormkracht. De wind ontstaat door een hogedrukgebied boven Europa en een lagedrukgebied bij de kust van Algerije. Vaak is de hemel bewolkt en mistig en soms regent het. Deze wind komt het hele jaar door voor, maar meestal van juli tot oktober. Ook in maart wil deze wind nog wel eens opsteken. Zelden komt deze wind tot stormkracht. Lokale de Straat van Gibraltar worden versterkt door het "windtunneleffect".

Libeccio:

Dit is een west tot zuidwestenwind die vooral in het noorden van Corsica voorkomt. Het hele jaar kan deze wind aanwezig zijn. Deze wind
veroorzaakt flinke golven. In de zomer is deze wind vrij vaak aanwezig, maar in de winter wordt deze afgewisseld door de Tramontana.

Licht bewolkt:

Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Bedoeld wordt een verwachte bedekkingsgraad van de bewolking van nul tot twee achtsten, overeenkomend met een zonneschijnpercentage van 40 tot 100. De term wordt zowel voor overdag als 's nachts gebruikt.

Lichte koelte:

Benaming op zee van de windkracht 3 op de schaal van Beaufort.

Lichte vorst:

Vorst betekent in de meteorologie dat de temperatuur op waanemingshoogte van anderhalve meter boven de grond onder het vriespunt komt. Wanneer de temperatuur lager is dan 0,0 graden en ligt tussen -0,1 en -5,0 graden is dat lichte vorst. 
 
Lichtende nachtwolken:
Dit zijn wolken die voorkomen op ongeveer 75 - 85 kilometer hoogte, veel hoger dan gewone wolken, die hooguit zo'n 20 kilometer hoogte bereiken. Na zonsondergang weerkaatsen die hoge wolken nog een tijd zonlicht. De gewone wolken, die we meestal zien, steken daar donker bij af en kleuren na zonsondergang eerst rood en vervolgens donker grijs.

De lichtende nachtwolken blijven dan wit, geel-oranje of lichtblauw. De sterren blijven in deze dunne wolken zichtbaar. In mei, juni en juli, kan de noordelijke hemel geruime tijd na zonsondergang of voor zonsopkomst een paar uur worden opgelicht door deze wolken met een zilverachtige glans. De wolkenslierten hebben een fraaie ribbel- of vezelstructuur.

Ze zijn vrij zeldzaam en komen onregelmatig voor: soms zijn ze alleen al in één maand
enkele keren te zien, maar menig zomer gaat voorbij zonder deze wolken. In 1988 en 1997 waren ze in Nederland op acht dagen te zien. In de nacht van 14 op 15 juni 2005 waren ze ook mooi te zien.
 
Lichtende nachtwolken   Foto: M.E. Egthuijsen 
 
Het ontstaan van deze prachtige nachtwolken houdt verband met talrijke uiterst kleine deeltjes in de bovenste lagen van de atmosfeer. Dat kan bijvoorbeeld stof zijn afkomstig van meteorieten. Zulke deeltjes alleen zijn echter niet voldoende: ook is waterdamp nodig en zeer lage temperaturen tussen -90 en -145 graden Celsius zijn een voorwaarde. Op de deeltjes zet zich dan een laagje ijs af, net als rijp op het aardoppervlak. Door het ijs dat de deeltjes omhult wordt zonlicht gespiegeld. Wie de lichtende nachtwolken een tijd observeert zal zien dat de vormen relatief snel veranderen. Op de hoogte waar de wolken zich ophouden komen zeer sterke luchtstromingen voor. In horizontale richting stroomt de lucht met snelheden van gemiddeld 150 km/u en soms wel 500 tot 700 km/u. Daarmee samenhangend doen zich ook sterk dalende en stijgende luchtstromingen voor, waardoor de wolken een bijzonder turbulent aanzien krijgen. De karakteristieke golven en ribbels verdwijnen weer even snel als ze zijn gekomen. Lichtende nachtwolken zijn niet voorspelbaar, maar het loont zeker op een heldere zomeravond na zonsondergang de moeite even naar de noordwestelijke of noordelijke hemel te kijken.

Lichtverschijnselen:

Licht of optische verschijnselen, ook halo's genoemd, ontstaan ten gevolge van breking van zon- of maanlicht in ijskristallen. Bijvoorbeeld gekleurde kringen met de zon of de maan als middelpunt. Kringen om de zon zijn echter allerminst zeldzaam, gemiddeld iedere twee of drie dagen is er ergens in ons land wel zo'n kring te zien en elders in de wereld is dat niet anders. Met de regenboog heeft het verschijnsel niets te maken. Een regenboog ontstaat door weerkaartsing van zonlicht in regendruppels, een halo door weerkaatsing in ijs. Naast de kring kunnen allerlei vormen zichtbaar zijn zoals bogen in verschillende richtingen die raken aan de kring, lichtzuilen boven de zon en lichtvlekken aan weerszijden van de zon. Deze meestal prachtig gekleurde vlekken zijn geregeld te zien en worden bijzonnen genoemd. Halo's hebben een voorspellende betekenis: een kring om zon of maan is vaak een voorbode van een weersverslechtering.

Lichtverstrooiing:

Verstrooiing of diffusie van licht dat op deeltjes in de atmosfeer valt, in alle richtingen. Het blauwe licht wordt het sterkst verstrooid, het rode licht het minst. Vandaar dat de lucht overdag blauw is. De rode zonsopkomst of -ondergang wordt. op dezelfde manier verklaard. Het zonlicht legt bij lage zonnestanden een langere weg door de atmosfeer af. Bij voldoende zwevende deeltjes in dat deel van de atmosfeer zijn alle andere kleuren al verstrooid en zal alleen het rode licht van de zon de waarnemer bereiken. Overigens is de rode zonsopkomst een gevolg van veel vochtdeeltjes in
de atmosfeer, het avondrood daarentegen hangt meer samen met een grote hoeveelheid droog stof.
 
Lichtzuil boven de zon op 16 maart 2003
(foto Jasper Schweppe) 
  Lichtzuil:
Veel mensen hebben zondagavond 16 maart 2003 na zonsondergang een zeer fraaie zuil boven de zon waargenomen. De lichtzuil ontstaat door reflectie van zonlicht door miljarden horizontaal zwevende plaatvormige ijskristallen. Het effect is te vergelijken met een gerimpeld wateroppervlak waar de laagstaande zon in reflecteert. Doordat de kristallen niet allemaal perfect horizontaal zweven maar meestal kleine hoeken met de vertikaal maken, ontstaat de lichtzuil.

Lichtzuilen zowel boven als onder de zon (of maan) zijn mogelijk, hoewel de lichtzuilen onder de zon of maan vrijwel alleen te zien zijn als je je boven de ijskristalwolk bevindt, dus in een vliegtuig of op een berg. Lichtzuilen zijn soms ook in ijsmist te zien. Als er ijsnevel hangt kunnen ze ook boven kunstlichtbronnen
zoals straatlantaarns te zien zijn.

De zuil ligt in het verlengde van een ander optisch fenomeen: de onderzon. Dat verschijnsel is alleen vanaf bergen en vanuit vliegtuigen waar te nemen. De onderzon is een heldere witte
 
vlek onder de zon vergelijkbaar met het spiegelbeeld van de zon op een rustig wateroppervlak. De onderzon ontstaat door reflectie van het zonlicht in grote velden met ijskristallen. De ijsdeeltjes, vanaf de grond zichtbaar als ijle sluierbewolking, fungeren als een enorme spiegel. In een enigszins onrustige atmosfeer wordt de onderzon uitgerekt, reikt tot boven de horizon en heet dan lichtzuil.   

Lidar:

Dit is een instrument dat men gebruikt voor de waarneming van wolken. De lidar zendt stralen uit naar boven en wanneer die worden teruggekaatst, zijn er wolken aanwezig. De tijd tussen verzenden en terugkomst bepaalt de hoogte van de wolken. Een lidar lijkt dus op een regenradar.

Lijgolf:

Kleinschalige golfbeweging aan de lijzijde van een bergrug bij een luchtstroming, die daar dwars op staat. Achter de bergrug komen dan lijgolven
voor, vergelijkbaar met watergolven op een meer, met een golflengte van enkele honderden meters. In de toppen van de golven kan de karakteristieke lenticularisbewolking ontstaan.

Lijwerking:

Soms ziet men dat bewolking aan de lijzijde van een berg oplost en dat het daar warmer is dan aan de loefzijde, terwijl er nergens sprake is van neerslag. Dan is er sprake van lijwerking door menging met een potentieel warmere en drogere bovenlucht. Met potentieel warmer wordt het volgende bedoeld. Stel een niveau Z2 ligt boven een niveau Z1. Als de lucht droogadiabatisch van Z2 naar Z1 daalt, en als de temperatuur van deze gedaalde lucht hóger ligt dan de temperatuur van de aanwezige lucht op Z1, dan is de lucht op Z2 potentieel warmer. Het heeft een hogere potentiële temperatuur.

(De potentiële temperatuur is de temperatuur die de lucht zou aannemen als deze droogadiabatisch naar 1000 hPa zou worden gebracht, hetzij
door stijging bij een luchtdruk boven de 1000 hPa of door daling bij een luchtdruk beneden de 1000 hPa. Als je een meting zou doen van het verticale temperatuurprofiel en zou vinden dat de temperatuur minder hard daalt met de hoogte dan die droogadiabatische 9.8°C afkoeling per km stijging,
dan neemt de potentiële temperatuur dus toe met de hoogte.  Dit is --behalve in een thermieksituatie -- vrijwel altijd het geval.)
Dit is de lijwerking door menging met een potentieel warmere en drogere bovenlucht. Bij stroming over een berg vindt altijd wel wat menging plaats. Neemt de potentiële temperatuur nu toe met de hoogte (in een inversiesituatie is dit in hoge mate het geval), dan zal verticale menging leiden tot een hogere temperatuur en een lagere relatieve luchtvochtigheid aan de lijzijde van een berg. Deze lijwerking lijkt effectief op een föhn, maar het principe is heel anders.

Lijvore:

Vore, die ontstaat aan de lijzijde van een bergrug. Wanneer lucht wordt gedwongen over een bergrug heen te stromen hoopt zich tegen de loefzijde de lucht enigszins op, zodat daar een klein relatief hogedrukgebied ontstaat. Direct achter de bergrug is de luchtdruk relatief laag, zodat daar een vore ontstaat. De lijvore houdt stand zolang de stroming dwars op de bergrug aanhoudt en verandert niet van plaats. Een lijvore is een voorbeeld van een staande golf en is vaak te zien bij een westelijke stroming die haaks op de Noorse bergen of op de Schotse hooglanden staat.

Lijwervel:

Verticale wervelingen aan de lijzijde van een bergrug bij een luchtstroming die daar dwars op staat. Achter de bergrug komen dan lijgolven voor, vergelijkbaar met watergolven op een meer, met een golflengte van enkele honderden meters. In de toppen van de golven kan de karakteristieke lenticularisbewolking ontstaan.

Lijzijde:

Zijde 'onder' de wind ('uit' de wind), luwtezijde.

Lithometeoor:

Meteorologische meteoren, bestaande uit een verzameling van deeltjes, waarvan de meeste vast zijn en geen water bevatten. Deze meteoren schijnen in de lucht te zweven of van de grond te zijn opgewaaid. Voorbeelden zijn stof en rook.

Lithosfeer:

Buitenste harde laag van de aardkorst.

Loefzijde:

Zijde 'boven' de wind ('in' de wind), windzijde.

Lokale bui: (onweersbui)

Buiig weertype, waarbij slechts op enkele plaatsen een (onweers-) bui valt.

Lokale wind:

Het woord lokaal komt van het Latijnse woord locus, hetgeen plaats betekent. Lokale winden waaien in een beperkt gebied, zijn plaatsgebonden en komen voor bij bepaalde meteorologische omstandigheden. Ze hebben bijzondere eigenschappen, die op verschillende manieren worden verkregen. Hieronder een vrij ruwe classificatie:

1. Lokale winden, die het gevolg zijn van het reliëf van het aardoppervlak. Tot deze categorie behoren de dalende warme luchtstromingen met als
    voorbeeld de föhn, de dalende koude luchtstromingen, zoals de bora, en door het reliëf versnelde luchtstromingen, de mistral.
2. Lokale winden komen ook voor aan de randen van een brongebied en ontlenen dan aan de daar aanwezige luchtsoort hun eigenschappen.
    Voorbeelden daarvan zijn de blizzard (cAL), etesische winden (cpL) en de sirocco (cTL).
3. Verder kan op een aantal plaatsen de passage van een koufront een lokale wind doen opsteken, bijvoorbeeld de pampero in ZuidAmerika en de
    southerly burster in Australië.
4. Ook de wervelstormen mogen als lokale winden worden beschouwd. De gebieden waarin deze voorkomen, zijn immers eveneens tamelijk
    begrensd. Typische voorbeelden zijn  de tropische cycloon, de tornado en de windhoos.
5. Lokale winden die een dagelijkse gang en bovendien een tegenhanger hebben. Karakteristieke voorbeelden zijn hier de landwind tegenover de
    zeewind, de bergwind tegenover de dalwind en de boswind tegenover de veldwind.
6. Ten slotte de winden, die de algemene grootschalige luchtcirculaties als ontstaansoorzaak hebben, zoals de passaat en de moesson.

Low level-jet: (nachtelijk windmaximum)

Windmaximum dat zich tijdens de nacht op geringe hoogte kan ontwikkelen. In de loop van de nacht kan het, met name tijdens een stralingsnacht, aan het aardoppervlak flink afkoelen, zodat er op enige hoogte een sterke inversie ontstaat. Aan de onderkant van die inversie kan zich dan, door de grote temperatuurtegenstellingen onder en boven de inversie, een flinke thermische wind ontwikkelen, die low level-jet wordt genoemd.
Deze benaming is eigenlijk onjuist, omdat het windmaximum niet de gedaante van een straalstroom heeft.

Lucht:

Mengsel van een groot aantal gassen in de atmosfeer boven het aardoppervlak. De gassen die in de grootste hoeveelheid in droge schone lucht voorkomen zijn stikstof (78%), zuurstof (21%) en Argon (1%). Verder zijn er sporengassen in zeer kleine hoeveelheden. Gassen als kooldioxyde
en ozon, bekend van het broeikaseffect en de opwarming van de aarde, en waterdamp komen in wisselende hoeveelheden voor, wisselend van
plaats tot plaats en van tijd tot tijd. De hoeveelheid kooldioxide in de atmosfeer is sinds 1750 onder invloed van de mens met een derde toegenomen. De concentraties zijn de grootste sinds 420.000 jaar en waarschijnlijk zelfs van de laatste 20 miljoen jaar. Aan het eind van de 21e eeuw wordt een kooldioxyde concentratie verwacht van 1,5 tot 2,6 maal de huidige waarde. Ook de concentraties van andere broeikasgassen blijven toenemen.
 
Luchtcirculatie: (windsysteem)
Kringloop van de luchtmassa in het onderste gedeelte van de atmosfeer, de troposfeer,
rond de gehele aarde, gemiddeld berekend over een lang tijdvak. Door de relatief grote verwarming ontstaat in het gebied rond de evenaar een continu thermisch lagedrukgebied.
De lucht zal daar een grootschalige stijgende beweging vertonen. In de hoge troposfeer stroomt die lucht vervolgens naar het noorden en zuiden uit, in de richting van de beide polen. Als er verder niets zou gebeuren, zou die lucht bij de polen weer naar beneden komen en weer langs het aardoppervlak naar de evenaar stromen. Op het noordelijk halfrond,
en dus ook in onze omgeving, zou er in dat geval altijd een noordelijke wind heersen. 

De lucht stroomt weliswaar vanaf de evenaar naar het noorden en zuiden uit, maar onder de invloed van de Corioliskracht als gevolg van de draaiing van de aarde krijgt de luchtstroom
een afbuiging. Op het noordelijk halfrond naar rechts gericht, op het zuidelijk halfrond naar links. De lucht die op grote hoogte vanaf de evenaar naar hogere breedten stroomt, krijgt een steeds grotere afwijking, totdat de wind op ca. 30°NB en ZB (de subtropen) geheel naar het
oosten waait. Daar daalt de lucht weer en stroomt in de vorm van de passaatwinden langs
 
Schematische weergave van de circulatiecellen
in de atmosfeer.  
 
het aardoppervlak weer terug naar de evenaar. Er ontstaat dus een min of meer gesloten circulatiecel, een zgn. Hadley-cel (genoemd naar een Engelse natuurkundige).

Onder meer ten gevolge van de ligging van de grote bergketens en de temperatuurverdeling in de oceanen verandert deze stroming in vier of vijf
golven rond de aardbol, waardoor warmte-uitwisseling kan plaatsvinden. Het wisselvallige klimaat in onze omgeving is daar een gevolg van:
nu eens kou vanuit het noorden, dan weer warmte uit meer zuidelijke streken. De weersystemen, de hoge- en lagedrukgebieden, die in feite de wervels zijn waardoor de atmosfeer op gematigde breedten wordt omgeroerd, verplaatsen zich in die golven.

Luchtdruk:

Het klinkt misschien gek, maar lucht heeft gewicht. Het is niet veel want 1 liter lucht weegt 1,3 gram. Maar het wordt toch aardig wat als je de hele dikte van de dampkring meetelt. Een luchtkolom in de atmosfeer vertegenwoordigt een bepaald gewicht en veroorzaakt daardoor een druk op het aardoppervlak. Dit is voor het eerst gemeten met kwik. Een kolom kwik van 76 cm hoog en een oppervlak van 1 vierkante cm weegt precies 1 kg. Tegenwoordig spreken we over millibar of hectoPascal (hPa), waarbij 75 cm kwik voor 1000 hPa staat. De luchtdruk varieert van plaats tot plaats en ligt aan het aardoppervlak meestal tussen 940 tot 1060 hPa. In de kern van tropische stormen, zoals hurricanes kan de luchtdruk dalen tot onder
900 hPa. Verschil in luchtdruk ontstaat door verschil in verwarming. Hoe warmer de lucht, hoe lichter het gewicht, dus hoe lager de druk.

Luchtdrukgradiënt: (luchtdrukverval)

Verval van de luchtdruk loodrecht op de isobaren. Langs een isobaar is het drukverval per definitie nul, terwijl loodrecht op de isobaren het grootste drukverval wordt gemeten. Dit verval is de luchtdrukgradiënt, die meestal wordt uitgedrukt in hectoPascal per lengteeenheid. Hoe groter de luchtdrukgradiënt is, des te groter is ook de gradiëntkracht die op een luchtdeeltje werkt en des te groter is dus ook de snelheid waarmee het luchtdeeltje zich beweegt.

Luchtdruktendens: (luchtdrukverandering)

Karakter van de verandering van de luchtdruk. Een sterke daling van de luchtdruk kan een aanwijzing zijn dat er een lagedrukgebied
of een ander slechtweergebied in aantocht is. Omgekeerd levert een sterke stijging van de luchtdruk doorgaans een weersverbetering op.

Luchtdrukverdeling:

Verdeling van de luchtdruk in een bepaald gebied. Op de weerkaart wordt deze verdeling door de meteoroloog afgelezen uit de getekende isobaren.

Luchtmassa:

Een grote hoeveelheid lucht met min of meer dezelfde eigenschappen wat betreft temperatuur en vochtigheid.

Luchtsoorten:

De aangevoerde lucht kan warm of koud zijn, vochtig of droog en kan bewolking bevatten waar neerslag uitvalt. Als een enorme hoeveelheid lucht kans ziet om lange tijd op dezelfde plaats te blijven en over een gebied met een omvang van minstens enkele honderden kilometers overal dezelfde eigenschappen heeft (met name in vocht en temperatuur), dan ontstaat er een luchtsoort of luchtmassa. De belangrijkste luchtsoorten voor het noordelijk halfrond zijn: - arctische lucht (koude lucht) - polaire lucht (koude lucht) - tropische lucht warme lucht) - gematigde lucht (relatief warme lucht). Verandering van eigenschappen van luchtmassa's treden op door verplaatsing boven zee, land, een warm oppervlak of een koud oppervlak.

Luchtsoortclassificatie:

In de techniek van het maken van weersverwachtingen wordt veelvuldig gebruik gemaakt van kennis van de herkomst van een bepaalde hoeveelheid lucht. Een luchtsoort bezit eigenschappen die tamelijk conservatief zijn. Zo zal lucht die van de Atlantische Oceaan afkomstig is, een beduidend hoger vochtgehalte hebben dan lucht vanuit de Sahara. En een luchtsoort uit de poolstreken is vanzelfsprekend kouder dan lucht van de gematigde breedten. Maar ook andere elementen laten werkelijk significante verschillen zien. Bijvoorbeeld de bewolkingssoort, het zicht en meestal ook de hoeveelheid wind. De scheiding tussen luchtsoorten wordt een front genoemd. De belangrijkste luchtsoorten zijn: Arctische lucht (AU, polaire lucht (PU, tropische lucht (TU en gematigde lucht (GU. Al deze luchtsoorten hebben een maritieme (m) en een continentale(c) variant.

Luchtstreek: (temperatuurzone)

Gebied op aarde afgegrensd op basis van een bepaalde gemiddelde temperatuur. Men onderscheidt de koude luchtstreek, de gematigde
luchtstreek en de warme luchtstreek.  De afgrenzing is meestal gebaseerd op de klimaatindeling volgens Köppen.
 
Luchtspiegeling  foto:Kees Floor 
  Luchtspiegeling:
Wanneer boven vlakke terreinen de temperatuur hoger is dan die van de lucht op ooghoogte, kunnen luchtspiegelingen worden waargenomen. Weerspiegeld zien we soms ver verwijderde gebouwen, bomen, schepen of bergen. Een luchtspiegeling kan ontstaan door een uitzonderlijke temperatuuropbouw van de onderste een tot twee meter van de atmosfeer, waarbij de temperatuur boven vlakke terreinen hoger is dan die van de lucht op ooghoogte.
Luchtspiegelingen zijn soms te zien boven asfalt- en betonwegen, boven spoorrails,
boven de warme oppervlakken van Noordzee, Waddenzee, IJsselmeer of Friese meren,
boven stranden en zandplaten, boven de korenvelden van de IJsselmeerpolders, boven uitgestrekte weiden en boven rechte zeeweringen met basaltblokken of asfalt
  
Luchttemperatuur:

Op meteorologische stations wordt de temperatuur van de lucht volgens internationale afspraak van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) gemeten in graden Celsius op een hoogte van anderhalve meter boven een open grasvlakte.
 
De thermometer of de sensor, waarmee de temperatuur wordt waargenomen, staat in een wit kastje (sensorkastje) met wanden die de vorm hebben van een open jaloezie. Daardoor heeft de wind vrij spel, maar zon en neerslag kunnen niet tot de instrumenten doordringen.

Luchtvaartmeteorologie:

De luchtvaartmeteoroloog is gespecialiseerd in het maken van verwachtingen voor de luchtvaart. Alle luchtvarenden zijn verplicht zich voor de vlucht op de hoogte te stellen van het actuele en te verwachten weer. De berichten zijn niet, zoals voor het algemene publiek, in eenvoudige taal geschreven, maar grotendeels in codes. De luchtvarenden weten precies wat ermee bedoeld wordt. Onder luchtvaartverwachting staat niet alleen luchtvaartverwachtingen voor grote vliegtuigen, maar ook aan ballonvaarders, sportvliegers en zweefvliegers. De verwachting en de actuele weerinformatie van de kleine luchtvaart, die grotendeels automatisch wordt aangeleverd.

Luchtvervuiling:

Luchtvervuiling of luchtverontreiniging ontstaat bij aanwezigheid van "vreemde" stoffen die schadelijk zijn voor mens, plant, dier of goederen. Luchtvervuilende stoffen worden door de mens vooral geproduceerd door verbranding, ontbossing en verkeer. Ook natuurlijke bronnen, zoals
vulkanen, kunnen de lucht verontreinigen met vulkanische assen en gassen. Vulkanen met zeer krachtige uitbarstingen kunnen een wolk fijn stof
en gassen tot zeer grote hoogte in de atmosfeer brengen, soms tot boven de 15 kilometer. Een dergelijke wolk, die voornamelijk bestaat uit zwavelzuur en zwavelverbindingen kan daar enkele jaren blijven bestaan en gedurende die periode van invloed zijn op het weer en het klimaat in de hele wereld. Op basis van windgegevens worden de trajectoriën berekend, trajecten in de atmosfeer, waarlangs lucht en verontreiniging zich verplaatst.

Luchtvochtigheid:

Lucht kan dus slechts een beperkte hoeveelheid vocht bevatten en die hoeveelheid hangt af van de temperatuur. De relatieve vochtigheid geeft aan hoeveel waterdamp de lucht bij de heersende temperatuur bevat, dus hoe vochtig het is. Een waarde van 100% wijst op een maximale hoeveelheid waterdamp: de lucht is dan verzadigd. Bij een relatieve vochtigheid van 50% bevat de lucht bij de heersende temperatuur de helft van de maximaal mogelijke hoeveelheid waterdamp.