Meteorologische encyclopedie hoofdstuk O
 
Oberwind:
Een lokale wind in Oostenrijk. Het is een dalwind in Salzkammergut, nabij Salzburg. De tegenovergestelde bergwind is de Unterwind.

Objectieve verwachtingsmethode:

Hulpmiddel voor de meteoroloog bij het opstellen van weersverwachtingen. Aan de hand van onderzoek van zeer grote aantallen weersituaties zijn kansberekeningen gemaakt voor het optreden van bepaalde fenomenen in bepaalde situaties. Bijvoorbeeld de kans op regen of onweer bij een bepaalde windrichting of de mogelijke maximum- of minimumtemperatuur aan de hand van de aard van de aangevoerde lucht en de bedekkingsgraad.
 
Oceaan:
Een grote wereldzee tussen de continenten, die meerdere kleine zeeen kan bevatten.
De aarde telt er vijf: de Atlantische Oceaan, de Grote of Stille Oceaan, de Indische Oceaan, de Zuidelijke Oceaan en de Arctische Oceaan of Noordelijke IJszee. De oceanen bedekken liefst 67% van de aarde. De oceanen hebben een matigende invloed op het klimaat in kustgebieden, doordat de temperatuur avn het water langzamer verandert dan van het land en dus minder extreme schommelingen vertoont. Onderzoek naar de interactie tussen oceaan
en atmosfeer is dan ook een belangrijk facet van klimaatonderzoek.
 
Oceaanstroming:

Water is een efficiënte opslagplaats voor warmte en daardoor bevatten de oceanen veel meer energie dan de atmosfeer. De oceanen zijn dus een belangrijk onderdeel van de weermachine.
 
Oceanen
 
Net zoals de atmosfeer door middel van wind warme lucht met koude lucht in evenwicht probeert te houden, stroomt koud water richting de warme oceaangedeeltes en andersom. Op het noordelijk halfrond zijn er twee oceaancirculaties die met de wijzers van de klok meegaan: in het noorden
van de Noord Atlantische Oceaan en in het noorden van de Grote Oceaan.

Oceanografie:

De wetenschappelijke studie van de oceanen, onderverdeeld in de mariene biologie (het leven in de oceanen), en de mariene chemie en geochemie (de studie van de kringloop van koolstof en andere chemische componenten in het zeewater) en de fysische oceanografie. De fysische oceanografie bestudeert uitsluitend de natuurkundige eigenschappen van de oceanen, zoals bijvoorbeeld zeestromen, de rol van de oceanen voor het klimaat en klimaatverandering, de interactie met de atmosfeer, zeespiegelstijging, El Niño, getijden, golven en golfvoorspellingen en stormvloeden.

Occidentalis:

Latijnse naam voor de westelijke windrichting.

Occulderen:

Proces waarbij een koufront het warmtefront inhaalt, waarbij zich een occlusie vormt.

Occlusiefront:

Wanneer het aan een lagedrukgebied verbonden koufront het warmtefront heeft ingehaald, spreekt men van een geoccludeerd front of occlusiefront.

Occulsiepunt:

Het punt waar tijdens het occulderen het koufront het warmtefront inhaalt. Omdat het koufront zich onder een bepaalde hoek ten opzichte van het warmtefront verplaatst en zich bovendien sneller beweegt, verwijdert het occlusiepunt zich steeds verder van de kern van het lagedrukgebied en
wordt de occlusie steeds langer.

Oktober:

De achtste maand van het Romeinse jaar genoemd naar octo (acht) opgedragen aan wijnliefhebber Bacchus, vandaar de bijnaam wijnmaand.
Oktober werd voorheen ook wel aarselmaand genoemd vanwege de aarzeling tussen herfst en winter. Het is een echte overgangsmaand met soms nog zomers weer maar soms ook sneeuw en matige vorst. De kuststrook profiteert van het warme zeewater dat na de zomer maar langzaam afkoelt. 's Nachts koelt het daardoor aan zee meestal minder af dan in het binnenland.

Old ice:

IJs dat ten minste één zomer heeft overleefd. In sommige weerrapporten kunnen, m.n. ten behoeve van aankomende en vertrekkende vliegtuigen op vliegvelden, ontwikkelingsstadia van aanwezig ijs worden aangegeven.

Ombuigende westelijke circulatie:

Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De ombuigende westelijke circulatie is een zonale circulatie. Tussen het Azoren-hoog en een hogedrukgebied boven Scandinavië ligt een uitgestrekte zone van lage luchtdruk boven de Atlantische Oceaan en West-Europa. De bijbehorende stroming is vanaf de Atlantische Oceaan recht op Nederland gericht, maar buigt daar af naar het zuiden van Scandinavië. In dergelijke situaties kan maritiem polaire lucht of maritiem gematigde lucht Nederland bereiken.
 
Omega blokade  Bron: KNMI
  Omega-blokkade:
Een hogedrukgebied dat de westcirculatie blokkeert wordt ook wel een omega-blokkade of gewoon blokkade genoemd. “Blokkade” omdat het systeem depressies blokkeert en uit
onze omgeving weghoudt. “Omega” omdat de luchtstroom die hoort bij een blokkade de
vorm heeft van de Griekse letter omega (Ω).

De blokkade zorgt dus voor mooi en stabiel weer, dat soms weken kan aanhouden.
Het hogedrukgebied zorgt ervoor dat onstabiele lucht wordt omgeleid en ons land niet bereikt. De blokkade ontstaat door landpatronen op het Noordelijk Halfrond. Deze zorgen voor golfpatronen in de atmosfeerstroming.

Rondom de gehele aarde zijn vaak 4 tot 6 van die golven aanwezig. Als zo'n golf zich afsluit, zoals in het geval van de omega-vorm, met koude, afgesloten luchtputten aan weerskanten
en warme lucht in het midden, dan vormt zich een blokkade en wordt lucht als het ware omgeleid naar het oosten. Hoe zo'n blokkade precies weer wordt verbroken is niet precies bekend. Wel is zeker dat een blokkadesysteem weken kan aanhouden.
 
OMI (Ozone Monitoring Instrument):
Ozone Monitoring Instrument (OMI) is de benaming van een ozonmeter gebouwd onder leiding van de Nederlandse Ruimteorganisatie NIVR door Dutch Space, TNO-TPD en de Finse industrie. Het KNMI heeft de wetenschappelijke leiding en heeft de operationale verantwoordelijkheid voor het aansturen van het instrument en de verwerking van de gegevens. Het instrument, dat in de zomer van 2004 is gelanceerd, bevindt zich aan boord van de satelliet EOS-AURA van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA. OMI is het eerste ozonmeetinstrument in de wereld dat de volledige atmosfeer zeer gedetailleerd en binnen een dag in kaart brengt. Hiermee kan de onder meer de luchtvervuiling op kleine schaal, zelfs voor steden apart, worden gemeten.

Onbestendig:

Sterk wisselend of veranderlijk weertype ook wel onstandvastig genoemd. Met dit weerype hebben we vaak te maken als de straalstroom (een krachtig windveld op zo'n 10 kilometer hoogte) precies boven ons land waardoor depressies met regen en wind elkaar in hoog tempo opvolgen.
 
Onbewolkt:
Onbewolkt betekent dat er geen of vrijwel geen wolken aan de hemel zichtbaar zijn,
een strak blauwe hemel dus. Weerkundigen drukken de bedekkingsgraad uit in achtsten: onbewolkt is dus 0/8 bewolking, bij 1/8 bewolking wordt gesproken van vrijwel onbewolkt. Bewolking wordt gemeten door automatische weerstations.

De wolkenhoogtemeter van het automatisch weerstation kijkt recht omhoog en "ziet" dus
wat zich recht boven het instrument bevindt. In de weerrapporten op teletekst en internet,
die gebaseerd zijn op automatische waarnemingen, wordt een hemel waarin binnen de reikwijdte van de wolkenhoogtemeter geen of vrijwel geen wolken zichtbaar zijn aangegeven als onbewolkt. Dunne sluierwolken waar de zon doorheen schijnt worden als licht bewolkt gerapporteerd, ook al bedekken ze de hele hemel.
 
Onderkoeld:

Onderkoelde waterdruppels zijn waterdruppels die nog in vloeibare toestand zijn terwijl de temperatuur ervan reeds beneden het vriespunt is. Wanneer het in contact komt met condensatiekernen gaat het ogenblikkelijk over naar de vaste aggregatietoestand.
 
Onbewolkte lucht
 
Onderkoelde motregen:
Motregen, waarvan de druppels een temperatuur lager dan 0°C hebben. Zodra zij in aanraking komen met het aardoppervlak, met voorwerpen op de grond of met vliegtuigen tijdens de vlucht vormen de druppels van onderkoelde motregen een mengsel van water en ijs met een temperatuur van 0°C

Onderkoelde regen:

Regen, waarvan de druppels een temperatuur lager dan 0°C hebben. Zodra zij in aanraking komen met het aardoppervlak, met voorwerpen op de grond of met vliegtuigen tijdens de vlucht vormen de druppels van onderkoelde regen een mengsel van water en ijs met een temperatuur van 0°C.

Onderzon:

Halo die onder de horizon verschijnt en daardoor bijna alleen maar vanaf bergen of vanuit een vliegtuig is waar te nemen. De onderzon is een
heldere witte vlek, recht onder de zon en gelijkend op het spiegelbeeld van de zon op een kalm wateroppervlak. Het verschijnsel ontstaat in tamelijk rustige lucht door reflectie op de horizontale vlakjes van min of meer uitgestrekte velden ijskristallen, die dan als een reusachtige spiegel fungeren.
Dit heldere verschijnsel is zelfs nu en dan te zien op de bewolkingszones die door weersatellieten op grote hoogte boven de aarde worden gefotografeerd.

Onstabiel:

Wanneer het op enige hoogte in de atmosfeer veel kouder is dan aan het aardoppervlak, waardoor de temperatuurafname groter is dan gemiddeld (niormaal is de afname ongeveer een graad per 100 meter stijging), wordt dat onstabiel genoemd. In onstabiele lucht komen sterke opwaartse luchtstromingen voor, ook wel thermiek genoemd. Zeker in tamelijk vochtige lucht kunnen daarin gemakkelijk stapelwolken (met bloemkoolachtige vomen) ontstaan die kunnen uitgroeien tot buien.

Onstabiele golf:

Frontale golf die nog volop aan het ontwikkelen is. Onstabiele golven zijn erg actief en ontwikkelen zich in veel gevallen tot een nieuw lagedrukgebied, zelfs soms tot een echte stormdepressie.

Onstabiliteit:

Een luchtmassa waarvan de temperatuur snel daalt met de hoogte. De daling moet zo sterk zijn dat ze groter of gelijk is aan de temperatuurdaling die optreedt bij het stijgen van thermiekbellen. In droge lucht bedraagt de temperatuurdaling 1 °C per 100 meter

Ontbossing:

Ontbossing waarbij op grote schaal bossen verdwijnen heeft invloed op het klimaat. Als bomen groeien nemen ze CO2 op uit de lucht. Als de
bomen worden gekapt, komt deze CO2 weer grotendeels in de lucht terecht. Van de CO2 die de mens in de atmosfeer uitstoot is ongeveer 30%
het gevolg van houtkap.. Bossen vormen bovendien een waterbuffer en zorgen zo voor continuïteit in het grondwatergehalte. Daarnaast beschermen ze de bodem tegen erosie en temperen ze verschillen in temperatuur. Het verlies aan bossen leidt bovendien tot woestijnvorming.
 
  Onweer:
Het ontstaan van onweer heeft te maken met de sterk stijgende en dalende luchtstromingen
in grote buienwolken en de elektrische geladenheid van aarde en atmosfeer. Door de sterke luchtstromingen kunnen in de wolk concentraties van elektrische ladingen ontstaan.
In onweerswolken stromen sterk stijgende warme lucht en sterk dalende koude lucht vlak langs elkaar met snelheden van maximaal 100 kilometer per uur. Met die stromingen worden ook elektrisch geladen deeltjes meegevoerd, waardoor de wolk als een enorme condensator wordt opgeladen. Daardoor worden ontladingen mogelijk tussen de wolk en andere wolken of tussen de wolk en de aarde wat leidt tot bliksem en donder.

Onweersdag:

Een onweersdag is een dag waarop minstens één donderslag is gehoord (weerlicht alleen is dus geen onweersdag).
 
Onweersneus:
Dit is een plotselinge en kortdurende luchtdrukstijging van een of enkele hPa tijdens een onweersbui. In een goed ontwikkelde buienwolk komen sterke stijg- en daalstromen voor, waarin lucht met een grote snelheid omhoog en omlaag beweegt. Wanneer de koude lucht met een plons naar beneden komt, veroorzaakt dat een klein 'hogedrukgebiedje', waarin de luchtdruk merkbaar stijgt.

Onweersstoring:

Klein lagedrukgebied dat gepaard gaat met een aantal onweersbuien In Nederland en België spreekt de onweersstoring die in de zomermaanden in een zuidelijke stroming vanuit Frankrijk naar onze omgeving trekt het meest tot de verbeelding. Zon storing begint als een klein thermisch lagedrukgebied in de buurt van Bordeaux en verplaatst zich vervolgens noordwaarts. In de middag en avond is zon storing het meest actief, door de aanwarming door de zon. In de nacht sterven de buien uit, om de volgende middag en avond opnieuw actief te worden, alleen enkele honderden kilometers noordelijker.

Oost-Aziatische trog:

Trog in de algemene luchtcirculatie, die in de winter op ca. 140° OL te vinden is. Tijdens de zomer is deze trog ongeveer 10° in oostelijke richting verschoven.

Oostcirculatie:

Luchtcirculatie waarbij de wind over grote delen in Europa oostelijk is als gevolg van een hogedrukgebied boven Scandinavië of NW-Rusland.
Dat kan koud winterweer of hete, droge zomers veroorzaken.

Oostelijke wind:

Wind die ongeveer uit het oosten waait, dus tussen oostnoordoost en oostzuidoost.

Oostelijk halfrond:

Dat deel van de aarde dat ten oosten ligt van de 20° WL. Men heeft niet de nulmeridiaan als grens tussen het oostelijk en westelijk halfrond genomen, omdat dan Ierland en Groot-Brittannië op het westelijk halfrond zouden liggen, gescheiden van de rest van Europa.

Oosterlengte:

(OL) Lengteligging van een plaats ten oosten van de nulmeridiaan. Een plaats kan op maximaal 180° OL liggen.

Oost-Europese trog:

Trog in de algemene luchtcirculatie, die zowel in de winter als in de zomer op ca. 20° OL te vinden is. Deze trog is meestal vrij zwak.

Opacus:

Donker, beschaduwd.

Operationele meteorologie:

Deel van de meteorologie dat zich bezighoudt met de productie van weersverwachtingen. De operationele meteorologie is te verdelen in een drietal hoofd richtingen: de maritieme meteorologie, de luchtvaartmeteorologie en de algemene operationele meteorologie. De procesgang is weer te geven met een serie chronologisch gerangschikte trefwoorden, die samen de productielijn van een weersverwachting vormen: waarneming, communicatie, processing, analyse, prognose, weervertaling en verzending. Helemaal aan het einde van de procesgang vindt verificatie plaats aan de hand van de waarnemingen.

Opklaringen:

Term die kan voorkomen in een weersverwachting. Deze term vertegenwoordigt een zonneschijnpercentage van 20 tot 60% en wordt zowel voor overdag als 's nachts gebruikt. Een overeenkomstige zonneschijnterm is perioden met zon.

Oppervlaktewaarneming:

Waarneming die aan het aardoppervlak of aan boord van schepen wordt verricht. Tegenover de oppervlaktewaarneming staat de aërologische waarneming.

Oplandig:

Wind, die van zee komt; ook aanlandig (zie zeewind).

Optillingscondensatieniveau: (adiabatisch condensatieniveau)

Hoogte waartoe men een hoeveelheid lucht volgens een adiabatisch proces moet optillen opdat er condensatie plaatsvindt. Lucht die wordt opgetild koelt af; koude lucht kan minder vocht bevatten dan warme lucht, en dus zal op zekere hoogte condensatie plaatsvinden:
het optillingscondensatieniveau. Dit niveau is te bepalen met behulp van een Θ s,p-diagram.

Opvriezing:

Bij een luchttemperatuur van net boven nul kan water op de bodem toch bevriezen. Vooral na een vorstperiode, wanneer de vorst nog in de grond zit, bevriest water en vocht op de wegen snel. Dit wordt ook wel opvriezing genoemd, een bijzonder verraderlijke vorm van gladheid die dus al bij temperaturen van net boven het vriespunt kan optreden

Opvullen: (van een lagedrukgebied)

Stijging van de luchtdruk binnen een lagedrukgebied. De depressie activiteit neemt duidelijk af. Binnen afzienbare tijd zal het lagedrukgebied niet meer als zodanig te herkennen zijn.

Ora:

Een lokale wind in Italië, ook wel paesano genoemd. Het is een typische landwind aan de kusten van het Gardameer, maar vertoont door de ligging van het meer in bergachtig gebied ook kenmerken van berg.

Orientalis:

Latijnse naam voor de oostelijke windrichting.
 
Orkaan:
Een , cycloon, orkaan of tyfoon is een tropische depressie met doorstaande stormwind van kracht 12 (orkaankracht) op de schaal
van Beaufort, die men het vaakst tegenkomt in de gebieden tussen de keerkringen, maar niet te dicht aan de evenaar, omdat daar het corioliseffect te zwak is. Een orkaan ontstaat uit een tropische depressie.

Er is bij het ontstaan van een orkaan of tropische storm een lagedrukgebied aanwezig; convectie alleen zal nooit "spontaan" gaan draaien.

Een tropische depressie of tropische cycloon is een lagedrukgebied met de volgende twee kenmerken:
 
Routes van alle tropische cyclonen van 1985 - 2005. 
 
1: De depressie heeft een gesloten, concentrische circulatie. Deze geeft op satellietfoto's een spiraal- of schijfvormig beeld. Deze concentrische
    circulatie is in alle lagen van de aardatmosfeer aanwezig. Bij lagedrukgebieden van de gematigde zone kan de continuïteit van de circulatie
    worden onderbroken door fronten en is dan niet meer echt concentrisch.

2: De depressie vertoont convectie. Dit is een zichzelf stimulerend fenomeen van het verdampen en condenseren van relatief warm zeewater.
    Zeewater verdampt en stijgt op. Deze damp condenseert (het gaat regenen) en daarbij komt energie vrij. Deze energie doet de lucht opstijgen,
    waardoor de luchtdruk daalt, de nog aanwezige waterdamp afkoelt en condenseert. Door de dalende luchtdruk wordt (vochtige) lucht uit de
    omgeving aangezogen. Deze condenseert (het gaat harder regenen) en er komt energie vrij, waardoor de luchtdruk verder daalt  (het gaat harder
    waaien).

Deze convectie is de belangrijkste energiebron van een tropische depressie. Eenmaal boven land wordt de kracht snel minder.
Stijgt de windsnelheid waarmee een tropische depressie gepaard gaat boven windkracht 8, dan spreekt men van een tropische storm en krijgt deze een naam. Als een tropische storm 64 knopen (windkracht 12) bereikt, dan verandert de naam van deze entiteit, afhankelijk van de locatie op aarde. In de Atlantische Oceaan en het oostelijk deel van de Grote Oceaan spreekt men van een orkaan. Het woord is afkomstig van "Huracan", de naam van de God van de wind en vernietiging bij Indianen in het Caraïbisch gebied (vergelijk hurricane in het Engels en Huracán in het Spaans). In Azië spreekt men bij hetzelfde verschijnsel van een taifoen of cycloon.

(Het woord taifoen wordt ook wel geschreven als tyfoon. Dit is een gedeeltelijke vernederlandsing van de Engelse spelling typhoon, die bovendien aanleiding geeft tot een verkeerde uitspraak. De verkeerde uitspraak is misschien ontstaan onder invloed van woorden als telefoon) Gerekend over
de gehele aardbol zijn er elk jaar 80-90 tropische stormen; ongeveer 2 op de 3 stormen ontwikkelen zich tot een orkaan. Op de Noord-Atlantische Oceaan loopt het aantal tropische stormen per jaar uiteen van 4 (1983) tot 21 (1933); gemiddeld zijn het er ongeveer 10.

Orografie:

Reliëf van het landschap. De orografie is soms van grote invloed op een lokaal weerbeeld, met name voor wat betreft wind, bewolking en neerslag.
In een grootschaliger verband is de orografie van de aardbol, beter gezegd de ligging van de grote bergketens, mede verantwoordelijk voor de
patronen in de wereldomvattende luchtcirculaties.

Orografische bewolking:

Bewolking, die ontstaat als gevolg van de orografie op een bepaalde plaats. Een duidelijk voorbeeld is de föhnbewolking. Ook aan de kust komt orografische bewolking voor. Bij een aanvoer van zeer vochtige lucht vanaf zee dwars op een duinenrij wordt die lucht bij de duinen gedwongen iets
op te stijgen. Het vocht in de lucht condenseert en er ontstaat een laag stratusbewolking, die verder landinwaarts doorgaans weer dunner wordt en oplost.

Orografische regens:

Dit zijn stijgingsregens. Doordat vochtige lucht aan een bergflank wordt gedwongen om op te stijgen, gaat deze afkoelen. Wanneer het verzadigingspunt (dauwpunt) wordt bereikt, komt wolkenvorming op gang en kan het regenen.

Oudewijvenzomer:

Een periode met mooi najaarsweer wordt in West-Europa ook wel oudewijvenzomer genoemd. Volgens klimatologen gaat het specifiek om warme dagen tussen 17 en 25 september, maar meestal worden ook andere warme periodes in het najaar zo genoemd. Oorspronkelijk komt het begrip uit de Noordse of Germaanse mythologie, waarin noodlotsgodinnen wevend of spinnend werden afgebeeld. Ze beeldden daarmee de menselijke levensdraden uit.

Overgangsklimaat:

Klimaat dat wat betreft zijn kenmerken tussen een land- en een zeeklimaat in valt. Belangrijk kenmerk is dat het verschil tussen de gemiddelde temperatuur van de warmste maand en die van de koudste maand 15-20°C bedraagt. Grote delen van Duitsland, Polen en Scandinavië hebben dit klimaat.

Overstroming:

Langdurige en hevige regenval kan, vaak in combinatie met andere factoren zoals veel smeltwater of storm, overstromingen veroorzaken. De grond raakt verzadigd, dijken breken door, rivieren treden buiten hun oevers. Overstromingen zijn van alle tijden en hangen niet alleen samen met weersomstandigheden. Een overstroming kan door veel factoren ontstaan.

Overtallige regenboog:

Veel voorkomende extra regenboog, aan de binnenzijde van de hoofdregenboog. De kleurvolgorde is gelijk aan die van de hoofdregenboog, maar de bogen zijn aanzienlijk smaller. Soms zijn er meerdere overtallige bogen aanwezig. Ze ontstaan door interferentie-effecten.

Oververzadiging:

De lucht bevat meer waterdamp dan hij theoretisch bij een bepaalde temperatuur kan bevatten.

Ozon:

Is een molecule dat bestaat uit drie atomen zuurstof (O3). De grootste concentraties ozon komen voor in de stratosfeer (de ozonlaag). Ze houden
de voor de mens schadelijke UV-C straling van de zon tegen. Gekend zijn de gaten in de ozonlaag, vooral boven de antarctica, waar de concentraties heel laag zijn en zodoende de schadelijke UV-C zonnestraling doorlaten. Aantasting van de ozonlaag gebeurd onder meer door de CFK's (chloor-fluor-koolwaterstoffen).
 
Ozongat in 2000
  Ozongat:
De laatste jaren vormt zich jaarlijks boven de Zuidpool in de lente (bij ons is het dan herfst) een "ozongat". Het ontstaat in september, als de winter op de Zuidpool ten einde loopt.
In het "gat in de ozonlaag" is zeker de helft van de ozon uit de ozonlaag, voornamelijk
tussen 10 tot 40 kilometer hoogte, afgebroken door menselijke invloeden.

Het tekort aan ozon ontstaat door een combinatie van factoren. In de eerste plaats wordt de lucht verontreinigd met verbindingen van chloor. Deze worden gevormd bij de afbraak van chloorfluorkoolwaterstoffen, die bekend staan als CFK's. Ook moet de temperatuur op 20 kilometer hoogte zo laag zijn dat er wolken kunnen ontstaan. In de poolwinter zakt de temperatuur op die hoogte in de atmosfeer tot onder -85°C. In de derde plaats is er zonlicht nodig om ozon af te breken en ten slotte moet er geen verse lucht (met ozon) worden aangevoerd. Dat laatste gebeurt doordat de lucht boven de pool veel kouder is dan in de gematigde breedten en zich een min of meer afgesloten vat met koude lucht vormt.  
 
Rond half september is op de Zuidpool aan alle voorwaarden voldaan en wordt het ozon met 2 tot 3% per dag afgebroken. Uiteindelijk is de
ozonlaag voor 60% afgebroken tot half oktober, wanneer de zon boven de Zuidpool weer hoog genoeg aan de hemel staat om de ozonlaag op te warmen. In november is de ozonlaag nog warmer en stroomt er verse ozonrijke lucht naar het gebied van de Zuidpool. Begin december is er geen sprake meer van een ozongat en het duurt dan tot september voor de afbraak opnieuw begint. Opmerkelijk is dat de temperatuur boven de Zuidpool
in het voorjaar tegenwoordig ongeveer 10° lager is dan in de jaren zestig. Het ozongat is de schuldige: ozon speelt een belangrijke rol in de opwarming van de lucht op grote hoogte. Door het tekort aan ozon blijft die opwarming dus achter. Het mes snijdt aan twee kanten want de lage temperatuur zorgt er ook voor dat het ozongat langer kan blijven bestaan. 

Ozonlaag:

Tussen ongeveer 15 en 30 kilometer hoogte bevindt zich het meeste ozon en dat deel van de atmosfeer wordt daarom ook wel de ozonlaag
genoemd. De ozonlaag neemt een belangrijk deel van de voor het leven schadelijke ultraviolette straling van de zon op. De dikte van de ozonlaag is vooral sinds de jaren tachtig afgenomen. Boven de Zuidpool is steeds in het voorjaar enige tijd ruim de helft van het ozon verdwenen. Ook boven onze streken is de ozonlaag dunner geworden. Ook hier is deze ozonafname het grootst in het voorjaar, terwijl in de herfst nauwelijks minder is gemeten.

Ozone Monitoring Instrument: (OMI)

Dit is de benaming van een ozonmeter gebouwd onder leiding van de Nederlandse Ruimteorganisatie NIVR door Dutch Space, TNO-TPD en de
Finse industrie. Het KNMI heeft de wetenschappelijke leiding en heeft de operationale verantwoordelijkheid voor het aansturen van het instrument en de verwerking van de gegevens. Het instrument, dat in de zomer van 2004 is gelanceerd, bevindt zich aan boord van de satelliet EOS-AURA van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA. OMI is het eerste ozonmeetinstrument in de wereld dat de volledige atmosfeer zeer gedetailleerd en binnen een dag in kaart brengt. Hiermee kan de onder meer de luchtvervuiling op kleine schaal, zelfs voor steden apart, worden gemeten.

Ozonepisode:

Periode met hoge ozonconcentraties in de troposfeer. Deze kunnen ontstaan door de wisselwerking van sterk zonlicht met bepaalde chemische stoffen in de atmosfeer (bv uitlaatgassen van verbrandingsmotoren).