Meteorologische encyclopedie hoofdstuk S
 
Saale-ijstijd:
De op een na laatste ijstijd tot nu toe. Voor Nederland erg belangrijk daar in deze ijstijd de oppervlakte van ons land grotendeels is veranderd.
Zie glaciaal.

Saros reeks:

Reeks van opeenvolgende zonsverduisteringen met dezelfde kenmerken. Tussen twee verduisteringen in een Saros-reeks zitten 18 jaren, 11 dagen en 8 uur.

Saffir-Simpson, schaal van:

In 1972 werd door het Tropical Prediction Centre (nu beter bekend als het National Hurricane Centre) de schaal van Saffir/Simpson in gebruik genomen. In 1969 werd de schaal door Herbert Saffir ontworpen. Robert Simpson, destijds directeur van het Tropical Prediction Centre, voegde later de 'storm surge' (wateropzet boven het normale getij) hieraan toe. De Saffir/Simpson-schaal bepaalt aan de hand van ondermeer luchtdruk, stormvloed en maximaal gemiddelde windsnelheden de sterkte van een orkaan. Aan de hand van deze schaal is de mogelijke schade van een
orkaan in te schatten. Voor de Atlantische Oceaan gelden vijf categorieën, waarbij categorie 5 de sterkste is.
 

Cat

Stormvloed
(mts boven normaal)

minimum luchtdruk
in de kern

1 Minuut Maximum Aanhoudende Wind

 Schade
TD
<63  
TS
63-118  
Cat 1 1.2 - 1.6 mtr 981 hPa of meer 119-153  Lichte schade
Cat 2 1.7 - 2.5 mtr 965-980 hPa  154-177  Dak- en vensterschade en belangrijke schade 
 aan bomen en gewassen
Cat 3 2.6 - 3.7 mtr 964-945 hPa  178-210  Grote schade met uitgebreide vernielingen aan
 gebouwen
Cat 4 3.8 - 5.4 mtr 944-920 hPa  211-250  Zeer groot: daken weggeblazen, veel
 waterschade op de begane grond van
 gebouwen aan de kust
Cat 5 Hoger dan 5.4mtr minder dan 920 hPa >250   Catastrofaal: vrijwel alle daken weggeblazen, 
 evenals kleine lichtere bouwsels en grote
 schade aan gebouwen.
 
Saharastof:
Het zand dat stormen in de Sahara in de lucht brengen kan door de wind op grote hoogte in de atmosfeer afstanden afleggen van duizenden kilometers. Onderweg komt het stof dan meestal met regen omlaag, zodat het uiteindelijk op het aardoppervlak terechtkomt. Met een zuidelijke wind kan het zand uit de Sahara ook ons land bereiken. Vooral na een licht buitje vinden we het vaak roodbruin ge­kleurde saharastof terug op voorwer­pen als auto's, daken
en tuinmeubilair. Bij zwaardere regen spoelt het zand weg en is er vaak niets meer te zien.
In de landen rond de Middellandse Zee valt herhaaldelijk saharazand uit de lucht en ook de Canarische Eilanden hebben er vaak mee te maken. Soms steekt het zand uit de Sahara zelfs de Atlantische Oceaan over en kan het zelfs in Florida terechtkomen. In ons land is saharastof in de 20e eeuw op zeker vijftien dagen op uitgebreide schaal voorgekomen en veel vaker op kleine schaal, steeds bij voor de tijd van het jaar warm weer. Saharazand bevat verschillende mineralen en is soms al enkele dagen vóór het ons land bereikt op de satellietfoto te zien.

Sahel:

Lokale wind in Marokko en het zuidwesten van Algerije. Het is een sirocco-achtige zuidoostenwind, die vanuit de Sahara-woestijn continentaal tropische lucht (cTL) aanvoert.
 
Saharastof bij de Canarische eilanden  op
11-02-2001: NASA
 
Samoen:
Het is een siroccoachtige zuidoostenwind, die vanuit Saoedi-Arabië, Irak en Syrië naar Turkije waait. De wind heeft nog meer namen, zoals simoom en samyel, naar het Arabische 'samm', hetgeen 'de lucht bedervend' betekent, en het Turkse 'yel', dat 'wind' betekent. De samoen waait ook in de Sahara, bij de passage van een koufront. In alle gevallen wordt continentaal tropische lucht (cTL) aangevoerd.

Santa ana:

Lokale wind in de buurt van Los Angeles, in het zuiden van Californië. Het is een warme valwind met föhneigenschappen, die waait uit noord tot noordoost. Omdat deze wind vanuit de Mojave-woestijn waait, heeft hij ook duidelijke kenmerken van de sirocco.
 
Meteosat satelliet
  Satelliet:
De eerste weersatelliet werd in 1960 gelanceerd. Sindsdien is de satelliet een van de belangsrijkste hulpmiddelen geworden in de meteorologie, zowel voor de dagelijkse weerberichten als voor onderzoek. De satellieten leveren niet alleen wolkenbeelden maar
ook gegevens over infraroordstraling waaruit temperatuur en vochtigheid wordt afgeleid. Satellieten zorgen ook voor gegevens van straling, wind, golfhoogtes, golfpatronen, zeestromingen, ijskappen en nog veel meer. Onderscheid wordt gemaakt tussen satellieten die op een vast punt ten opzichte van de aarde staan, de geostationaire satellieten en satellieten die een cirkelvormige baan over de polen beschrijven, de polaire satellieten.
De geostationaire, zoals de serie Meteosat-satellieten kunnen door hun vaste positie veel vaker opnamen maken van eenzelfde gebied dan de polaire. De polaire satellieten zijn vooral geschikt voor details en brengen de poolstreken in beeld. 
 
Savanneklimaat:
Zie A-klimaat.

Scatterometer:

De scatterometer is een radarinstrument op een weersatelliet dat windsnelheid en -richting meet boven wateroppervlakken. De radarbundel
interfereert met cm-golfjes op het zeeoppervlak die geforceerd worden door de lokale windsnelheid en -richting. De windinformatie betreft
gemiddelden over een gebied van 25 tot 100 km, afhankelijk van het instrument en de verwerking van de gegevens. Lokale maximale snelheden in stormen en cyclonen zijn vaak een factor twee groter dan de gemeten gebiedsgemiddelde waarden. De scatterometer is ook van nut boven land en zeeijs, waar het respectievelijk bodemvocht en de ijsconditie bepaald.

Schaal van Beaufort:

De Ierse Sir Francis Beaufort (1774-1857) introduceerde in 1838 een schaal om de windkracht te kunnen bepalen en benoemen. Hij baseerde zijn indeling op de zeilvoering van een groot schip onder de winddruk van een zwakke bries, storm of orkaan. Pas in 1873 werd de schaal van Beaufort internationaal aanvaard en daarna verder uitgebreid. Tegenwoordig is de schaal van Beaufort een uitgebreide dertiendelige schaal voor de windjkracht gemiddeld over tien minuten met omschrijvingen van de gevolgen van wind op zee en boven land.
 
Beaufort Snelheid m/sec Snelheid km/h Kopen  Benaming stoomschepen sinds 1898
0 0.0 - 0.2 0 - 1 0 - 1  Stilte
1 0.3 - 1.5 1 - 5 1 - 3  Flauw en stil  /  Zwakke wind
2 1.6 - 3.3 6 - 11 4 - 6  Flauwe koelte  /  Zwakke wind
3 3.4 - 5.4 12 - 19 7 - 10  Lichte koelte  /  Matige wind
4 5.5 - 7.9 20 - 28 11 - 16  Matige koelte  /  Matige wind
5 8.0 - 10.7 29 - 38 17 - 21  Frisse bries  /  Vrij krachtige wind
6 10.8 - 13.8 39 - 49 22 - 27  Stijve bries  /  Krachtige wind
7 13.9 - 17.1 50 - 61 28 - 33  Harde wind
8 17.2 - 20.7 62 - 74 34 - 40  Stormachtig
9 20.8 - 24.4 75 - 88 41 - 47  Storm
10 24.5 - 28.4 89 - 102 48 - 55  Zware storm
11 28.5 - 32.6 103 - 117 56 - 63  Zeer zware storm
12 > 32.6 > 117 > 63  Orkaan
 
Schaapscheederskou:
Periode omstreeks 5 t/m 20 juni. Zomerweer in juni houdt zelden de hele maand stand. Meestal draait de wind na de eerste zomerse of zelfs tropische dagen van zuid naar noordwest of noord. Daarmee stroomt aanzienlijk koudere lucht uit het Noordzeegebied Europa binnen.
Boven de nog relatief koude Noordzee ligt dan vaak een grijs wolkendek of een mistgebied dat met de noorwestelijke stroming onze kant op komt.
De felle juni-zon maakt dan plaats voor een grijs wolkendek en zeker in de wind is het ronduit koud. Zo'n weersomslag van warm en zonnig naar
koel en somber is in juni niet ongewoon. Schaapscheerders maakten vroeger van deze grijze koele periode gebruik om de schapen te scheren, vandaar de benaming Schaapscheerderskou. Meestal houdt dat koele en sombere weer wel enkele dagen aan, zodat de kale huid van de schapen niet blootgesteld wordt aan de felle zon.

Schaduwhelling:

Kant van een berg of heuvel die niet gericht is naar de zon. Op het noordelijk halfrond is dit de noordkant van de berg, op het zuidelijk halfrond de zuidkant. Op de schaduwhelling schijnt de zon minder uren per dag, waardoor de temperatuur er lager is dan op de zonnehelling. Bepaalde gewassen zullen daarom niet op de schaduwhelling, maar wel op de zonnehelling verbouwd kunnen worden. Het bekendste voorbeeld is de
wijnbouw, die vaak alleen aan de zonkant van de berg.

Scheepswaarnemingen:

Meteorologische waarnemingen op zee zijn van groot belang voor weersverwachtingen en klimaatonderzoek. KNMI-oprichter en meteoroloog Buys Ballot heeft in de 19e eeuw het verrichten van waarnemingen aan boord van schepen sterk gestimuleerd. Satellieten, weerboeien en vliegtuigen bieden tegenwoordig veel gegevens van het weer boven zee. Op de oceaan zijn inmiddels meer dan 500 zwevende boeien operationeel.
Daarnaast zijn waarnemingen aan boord van schepen nog steeds onmisbaar. Vandaag de dag worden op uurlijkse of zesuurlijkse basis iedere dag ruim 40.000 scheepswaarnemingen uit 14 landen over de wereld uitgewisseld. De gegevens worden niet meer in scheepsjournalen geschreven,
maar direct in de computer ingevoerd en via een telecommunicatienetwerk verspreid.

Scheepsweerbericht:

Weerbericht ten behoeve van de beroepsmatige en de recreatieve scheepvaart betreffende de gehele Noordzee, opgesteld door de Maritiem Meteorologische Dienst (MMD) van het KNMI. De Noordzee is, volgens internationale afspraak, ingedeeld in een aantal districten.
Het scheepsweerbericht bevat per district een overzicht van de relevante weersontwikkelingen, met name de windrichting en -snelheid, het weer en het zicht. Het bericht wordt opgesteld in het Engels en het Nederlands en uitgezonden via de kustwacht IJmuiden.
 
Schemering:
Schemering is een toestand waarbij de overgang van licht naar donker plaats vindt.
Dit gebeurt zowel bij dageraad (ochtendgloren) als bij zonsondergang (valavond). Tijdens de schemering is de hemel verlicht, maar de zon bevindt zich dan nog onder de horizon.
Er zijn verschillende gradaties van schemering:

Burgerlijke schemering

als het middelpunt van de zon 6 tot 12° onder de horizon staat.

Nautische schemering

als het middelpunt van de zon 12 tot 18° onder de horizon staat.

Astronomische schemering

als het middelpunt van de zon 18° of meer onder de horizon staat
 
De schemering bij middernacht in Lapland
 
Daardoor zien wij op een zekere moment geen verstrooing meer van het zonlicht. In de zomer staat de zon op breedtes van meer dan ongeveer
50°N 's nachts zo dicht onder de horizon dat de (astronomische) avondschemering meteen overgaat in de ochtendschemering en het niet echt
donker wordt, dit komt omdat de zon dan minder dan 12° onder horizon staat, nautische schemeringen brengen vaak in juni en juli
lichtende nachtwolken met zich mee. De schemering duurt het langst op hogere breedtegraden op. In zuidelijke landen zoals Spanje of Italië duurt
de schemering veel korter dan in noordelijke landen als Nederland of België. Het wordt daarom in zuidelijke landen 's avonds na zonsondergang veel sneller donker. Nog sterker is dit effect aan de evenaar. Dit komt doordat de zon recht onder de horizon verdwijnt. Ver ten noorden of ten zuiden van de evenaar beschrijft de zon een andere baan aan de hemel en gaat deze onder een kleinere hoek t.o.v. de horizon onder waardoor de schemering langer duurt. Zelfs in Nederland zijn al verschillen merkbaar. Zo duurt de burgerlijke schemering op 20 juni op Rottum het langst en in Maastricht het kortst (resp. 52 en 47 minuten).

Schemeringskleuren:

Verschijnsel dat optreedt ten gevolge van verstrooiing en reflectie van zonlicht. Bij lage zonnestand kan de hemel verschillende kleurschakeringen vertonen, meestal rood, maar ook wel geel, lichtgroen of zelfs donkergroen en purper. Bij helder weer kunnen de kleuren elkaar in vaste regelmaat opvolgen. Onder voor deze verschijnselen gunstige omstandigheden, zoals na grote vulkanische uitbarstingen, worden de schemeringskleuren zeer intens.

Schijnfront:

Soms is er op een weerkaart een aantal kenmerken te vinden, die duiden op de aanwezigheid van een front, zonder dat het er werkelijk is.
Wanneer bijvoorbeeld lucht van zee uit het land op stroomt, wordt er vaak, onder invloed van de grotere wrijving boven het land, iets landinwaarts
een voor een front karakteristieke windsprong waargenomen. Wanneer in de zomer deze boven het land aangekomen zeelucht bovendien sterk
wordt verwarmd, zou afgaande op de temperatuurverschillen en de windsprong tot een koufront in het kustgebied besloten kunnen worden.
Dit front is een stationair schijnfront, dat op de weerkaart weggelaten dient te worden.

Schijnbare wind:

Een zeilboot gaat vooruit door de wind. Zonder wind geen snelheid. Nu heeft echter het vooruitgaan van de boot ook weer een direct effect op diezelfde wind. Je creëert namelijk vanaf het moment dat je vooruitgaat een beetje tegenwind. Hoe harder de zeilboot gaat, des te sterker deze tegenwind is. Dit effect is nog groter bij fietsen: hardrijders hebben bijna altijd wind tegen! Gewoon wat minder hard fietsen is dan het devies.
Bij een zeilboot heeft de windverandering echter nog een effect. De richting waarin een zeilboot vaart is belangrijk voor een juiste zeilvoering.
Komt de wind bijvoorbeeld in het begin (vóór je snelheid had) van loodrecht opzij (je vaart dan halve wind), met toenemende snelheid krijg je die
wind vanzelf tegen. De wind die zo ervaren wordt is de schijnbare wind. Hij komt dus hier iets meer van voren dan de 'echte' wind.

Schildwolk: (Cloud shield (CS)

Een brede pluk wolken, vaak tot een lengte-breedte verhouding van maximaal 4:1.

Schraal:

Men spreekt van "schraal weer", wanneer het koud is voor de tijd van het jaar (temperatuur onder 10 graden) en er met veel wind (windkracht 4 of meer) uit noordoost of oost erg droge lucht (relatieve vochtigheid minder dan 40%) wordt aangevoerd, die een lange weg over land heeft afgelegd.

Schrikkeljaar:

Schrikkelen betekent overslaan. In onze tijdrekening is een schrikkeljaar een jaar dat met een dag verlengd is. Elk vierde jaar is een schrikkeljaar behalve de eeuwjaren, tenzij ze deelbaar zijn door 400. Paus Gregorius XIII besloot dat in 1582; om de kalender in de pas te laten lopen met de Zon stelde hij dat jaartallen deelbaar door 100 geen schrikkeljaren zijn, tenzij ze ook deelbaar zijn door 400. Dit betekent dat 1700, 1800 en 1900 geen schrikkeljaren waren, maar 1600 en 2000 waren dat wel! Eigenlijk zijn het kunstmatige ingrepen om de werkelijke duur van een jaar, net iets meer is dan 365 dagen, na verloop van tijd te corrigeren. Een (zonne)jaar is gedefinieerd als de tijd die de aarde nodig heeft om rond de zon te draaien.
De aarde draait in 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 45,1814 seconden om de zon. Als we ons van het verschil niets aantrekken en de duur van
een jaar op 365 dagen afronden, dan komen we na vier jaar bijna een dag te kort.

Schuimvlokwolk:

Zie 'kuifwolk'.

Seguin:

Lokale wind in Frankrijk. Het is een zeewind aan de MiddellandseZeekusten van de Basse-Provence en de zuidelijke Alpen. Het is de tegenhanger van de montagnère.
 
 
Waterstandsverloop Rotterdam
en Rozenburgse sluis.
 
  Seiches:
In havens kunnen grote slingeringen van de waterstand optreden met een
periode tussen de 2 en 200 minuten en met amplituden tot mogelijk enkele meters. Deze havenslingeringen, seiches genoemd, gaan gepaard met lokaal
hoge stroomsnelheden, die hinderlijk zijn voor de scheepvaart. De extra waterstand verhogingen en verlagingen zijn erg belangrijk voor het ontwerp
van waterbouwkundige constructies zoals dijken en stormvloedkeringen.
Seiches worden veroorzaakt door geringe waterstandsfluctuaties buiten op zee.

Frequenties van deze fluctuaties die overeenkomen met één van de eigen frequenties van het havenbekken veroorzaken opslingering in dat bekken.
Het systeem werkt als het ware als een orgelpijp die de luchttrillingen in één frequentie versterkt en aldus een toon geeft (de grondtoon) met een toonhoogte behorende bij de lengte van de pijp. De mechanismen die de waterstandsfluctuaties buiten op zee veroorzaken en die uiteindelijk de seiches opwekken zijn wind- en luchtdrukfluctuaties
(bui-oscillaties), overkomende luchtdrukfronten (buistoten) en overdracht van energie van windgolven naar lage frequenties.
 
In Nederland was de seichesproblematiek vanouds vooral bekend van de haven van IJmuiden. In het Europoortgebied treden echter ook behoorlijke seiches op. Bij Rozenburgse sluis, aan het einde van het Calandkanaal, zijn bijvoorbeeld seiches gemeten met een waterstandsverschil tussen top en dal van 1,70 meter met een periode van ongeveer 90 minuten bij gesloten sluis (zie figuur) 
 
Seismograaf:
Een seismometer of seismograaf is een instrument om de trillingen van de aarde te registreren.
Het bestaat meestal uit een set van drie seismometers: een voor de verticale beweging en twee voor
de horizontale bewegingen. De meter voor de verticale beweging bestaat uit een gewicht dat aan een veer is opgehangen. De meter voor de horizontale is een slinger. Vergelijkbaar met een deur die iets uit het lood hangt. Na een beweging zal de massa weer terugkeren in zijn oorspronkelijke evenwichtsstand.

Seistan:

Lokale wind in Iran. Het is een sterke sirocco-achtige, noordwestenwind in het oosten van Iran,
Zuid-Afghanistan en het noordwestelijke deel van Baloedjistan, die continentaal polaire lucht (cPL) aanvoert. Deze wind waait in de maanden mei t/m september en bezit nogal wat andere benamingen, zoals honderdtwintigdagenwind en bar-i-sad-o-bistroz.

Seizoen:

Een periode van ongeveer 3 maanden. Als seizoenen kennen we de lente, zomer, herfst en winter. Astronomisch gezien begint de lente wanneer de dagen langer worden en dag en nacht exact even
lang duren. Dit is omstreeks 20 maart. De zomer start wanneer de dag het langst duurt: op het noordelijk halfrond omstreeks 22 juni. De astronomisch herfst doet zijn intrede bij het korte van de
dagen wanneer opnieuw dag en nacht exact even lang zijn (omstreeks 23 september). Als laatste seizoen begint de winter wanneer de dag het kortst is (rond 22 december).

De meteorologische seizoenen zijn enigszins iets anders: er wordt steeds gerekend met volle maanden en de eerste maand van het seizoen is de maand waarin het astronomische seizoen start, bijvoorbeeld de eerste maand van de weerkundige lente is maart (astronomische lente start meestal op 20 maart).
De seizoensverschillen vinden hun oorzaak in de schuine stand van de as waar de aarde om draait. Hierdoor staat de zon op het Noordelijk Halfrond in de winter lager boven de horizon dan in de zomer.
De zon beschrijft 's winters een kortere baan boven de horizon dan 's zomers en is vooral daardoor
maar weinig uren zichtbaar.

Seizoensverwachting: (Vogezensysteem)

Het KNMI verricht onderzoek naar seizoensverwachtingen. Verwachtingen op een termijn van maanden tot jaren zijn een oude droom in de meteorologie. Voor een termijn langer dan twee weken vooruit is
een betrouwbare voorspelling van het weer op een bepaalde dag echter onmogelijk.
 
 
Wel mogelijk zijn (kans)verwachtingen voor het gemiddelde weer over een aantal maanden, bijvoorbeeld "de kans is groot dat we hier een droger dan gemiddeld voorjaar krijgen". De basis voor deze seizoensverwachtingen zijn relatief langzame veranderingen in de oceaan, sneeuwbedekking en bodemvochtigheid, die de weerpatronen beïnvloeden. Wereldwijde seizoensverwachtingen worden onder meer gemaakt door Het Europees Centrum voor Middellange Termijn Weersverwachtingen (ECMWF) in Engeland, het National Center for Environmental Prediction en het International Research Institute for Climate Prediction (IRI) in de Verenigde Staten.   

semi-aride:

Een gebied met een warm en vrij droog klimaat.

semi-humide:

Gebied met een warm en tamelijk vochtig klimaat.

September:

Septem (zeven) was vroeger de naam van deze maand toen het voor de Romeinen de zevende maand was. In de Juliaanse kalender waarin het de negende maand werd, bleef de naam bestaan. Bijnamen zijn gerstmaand, havermaent en d'ander oogstmaand. Na augustus is september de
tweede oogstmaand voor de late graangewassen. Meteorologisch begint op 1 september de herfst maar volgens de astronomische kalender begint het nieuwe seizoen pas rond 22 september. Dat laatste sluit beter aan bij de klimatologie: de eerste septemberweken horen gemiddeld nog
helemaal bij de zomer met soms zelfs nog tropische temperaturen.

Septentrionalis:

Latijnse naam voor de noordelijke windrichting.

Shamal:

Lokale wind in de Perzische Golf. Het is een sirocco-achtige noordwestelijke wind, afkomstig uit Irak, die continentaal polaire lucht (cPL) aanvoert.

Shelf cloud: (Zie ook rolwolk)

Een lage, horizontale wig-vormige wolk, vaak geassocieerd met een onweer gust front (of met een koud front, zelfs in afwezigheid van een nabij onweer). In tegensteling tot de rolwolk is de shelf cloud verbonden aan de basis van de bovenliggende wolk (vaak een "onweerswolk"). Vaak zijn
snel opstijgende wolk-bewegingen te zien aan de voorste zijde van de shelf cloud, terwijl de onderkant vaak een turbulente kokende massa is.

SIGMET:

(Significant Meteorological Message) Waarschuwing ten behoeve van het commerciële luchtverkeer, die wordt uitgegeven als de weersontwikkeling
in het luchtruim, dat door de verkeersleiding op Schiphol wordt bewaakt, dat noodzakelijk maakt. Een voorbeeld van zo'n situatie is een plotseling actief wordende onweersstoring. Voor meteorologische verschijnselen die uitsluitend voor het lichte luchtverkeer gevaar op kunnen leveren, worden geen SIGMET's uitgegeven. Hiervoor wordt indien nodig een zgn. special met warning for light aircraft uitgegeven, die per telefoon aan de betreffende kleine vliegvelden wordt doorgegeven.

Significant weather chart:

(SWC) weerkaart die een piloot tijdens een briefing kan ontvangen. Deze kaart bevat informatie betreffende relevante weersomstandigheden tijdens
de vlucht. Ondermeer staat aangegeven waar turbulentie te verwachten is.
 
Sint-Emusvuur:
Ook wel bekend als Elmusvuur en zichtbaar als een ontlading, een klein vlammetje, op uitstekende voorwerpen, zoals palen, masten, vlaggestokken of de vleugels van vliegtuigen. Het onschuldige verschijnsel wordt veroorzaakt door sterke atmosferische elektriciteit. Het Sint-Elmusvuur is vooral te zien bij winterse onweersbuien met sneeuw en hagel. De kleuren van de ontlading zijn wit, roodachtig, blauw of violet. De vorm van het Sint-Elmusvuur hangt af van de lading van de voorwerpen.
Als de voorwerpen waarop het te zien is positief zijn dan hebben de ontladingen de vorm van een uitwaaierende pluim van 1 tot hooguit 10 cm lengte. Bij negatieve lading ontstaan de lichtverschijnselen op grote delen van de voorwerpen tegelijk en is dat als een klein egaal licht zichtbaar.  
 
De schemering bij middernacht in Lapland
 
Sirocco:
Sirocco is het Arabische woord voor oostelijk, maar toch is het een warme zuiden- of zuidoostenwind aan de voorzijde van depressies die zich van west naar oost over de Middellandse Zee verplaatsen. Aangezien deze wind zijn oorsprong vindt boven de Sahara bestaat hij uit zeer droge en
warme lucht wanneer hij de noordkust van Afrika bereikt, des te meer omdat hij naar de kust toe een dalende beweging heeft ondergaan. Bij het overtrekken van het Middellandse Zeebekken wordt een aanzienlijke hoeveelheid waterdamp onder deze droge lucht gemengd, zodat de Sirocco
nu als een warme en vochtige wind Malta, Sicilië en Italië aandoet. Nochtans wordt in sommige gebieden rond de Middellandse Zee het begrip "Sirocco" gebruikt om elke warme zuidenwind aan te duiden. De lucht die de Sirocco aanvoert, is verontreinigd met zand en stof dat in de landen ronde de Middellandse Zee met regen naar beneden komt. In Griekenland wordt de 'rode regen' brengende wind de Gharbi genoemd.

SKC:

(Sky Clear) Een codewoord in een weersverwachting ten behoeve van de luchtvaart. Het betekent dat er geen bewolking wordt verwacht.

Slant Visual Range:

(SVR) zicht door een mistlaag aan de grond vanuit de cockpit van een vliegtuig. Dit zicht is niet horizontaal, maar onder een bepaalde hoek en kan daardoor belangrijk afwijken van het zicht aan de grond.

Slepend front:

Front dat precies in de richting van de wind ligt en daardoor schijnbaar niet of nauwelijks van plaats verandert.

Slingerpsychrometer:

Psychrometer waarbij de beide thermometers in een frame met een handvat zijn bevestigd. De luchtstroom langs de thermometerreservoirs wordt verkregen door het instrument als een ratel rond te slingeren.

Slootmist:

Mist, ontstaan doordat koude lucht, door uitstraling boven landerijen gevormd, in lager gelegen sloten vloeit en zich mengt met de daar aanwezige reeds me watedamp verzadigde lucht (zie ook 'zeerook').

Sluierbewolking:

Benaming in het weerbericht voor hoge bewolking (cirrus) waardoor de zon nog doorheen schijnt. De witte cirruswolken komen doorgaans op
6 tot 12 kilometer hoogte voor en bestaan uit kleine ijskristallen. De wolkenslierten kunnen zich verdichten tot sluiers. Sluierwolken, die vaak te
zien zijn als het (nog) mooi weer is, hebben een draderige structuur en kunnen zich ook rangschikken in kleinere of grotere plukken of smalle banden.

Smeltband:

Smeltbanden zijn smalle zones in de bewolking waar de sneeuw die hoger in de bewolking gevormd wordt, in regen overgaat. Op dit niveau liggen
de temperaturen vlakbij of rond het vriespunt. Zo'n smeltband geeft dus feitelijk het nulgradenniveau aan. Op de neerslagbeelden zijn bij uitgebreide neerslaggebieden kringen zichtbaar die een andere kleur tonen dan buiten of binnen de kringen.De ronddraaiende weerradars die in Den Helder en
De Bilt staan draaien niet alleen in het horizontale vlak maar doen dat onder bepaalde hoeken ook in verticale zin. Zo wordt iedere 5 minuten op 4 elevaties (4 verschillende hoogten) de radarpulsen de lucht ingestuurd. Wanneer de pulsen in aanraking komen met regendruppels
of sneeuwvlokken wordt er een deel van de energie teruggekaatst. Pulsen die dichtbij doel missen, komen wellicht met neerslagelementen op
grotere afstand in aanraking. De hoeveelheid ontvangen energie wordt uiteindelijk een maat voor de intensiteit van de neerslag.  
 
 
Smeltband bij Den Helder
 
U kunt zich voorstellen dat veel regendruppels (dus zware regen) opeen ook veel energie zullen reflecteren.Ook ontstaat er veel meer reflectie wanneer radarpulsen in aanraking komen met smeltende sneeuw. Rond de smeltende sneeuwvlokken zit een laagje water die samen met de nog resterende sneeuw extra reflectie geven en het idee kunnen geven dat daar meer neerslag zit. Niets is dus minder waar. Rondom het radarstation wordt op dezelfde afstand deze extra reflectie in de vorm van een ring zichtbaar. Er wordt op kleine afstand namelijk minder radarenergie
gereflecteerd dan op grotere afstand. Wanneer de afgelegde weg toeneemt, wordt er ook meer radarenergie door neerslag gereflecteerd
of geabsorbeerd Daarbij neemt ook de resolutie af naarmate de afstand groter wordt

Smelten:

Natuurkundig proces. De overgang van de vaste naar de vloeibare fase. Het smelten van ijs is voor de meteorologie van groot belang. Het smelten is een endotherm proces.

Smeltwater:

Eén millimeter smeltwater is te vergelijken met een sneeuwhoogte van één centimeter 
 
Smog:
Het woord smog is een samenvoeging van het smoke (rook) en fog (mist). Het woord is in
1911 geïntroduceerd, maar het smogprobleem is zo oud als de weg naar Rome. De Griekse wijsgeer Hippocratus maakte vier eeuwen vóór de jaartelling al onderscheid tussen stinkende lucht in de stad en frisse lucht op het platteland.

Het begrip smog wordt in Nederland tegenwoordig gebruikt voor een periode met verhoogde luchtverontreiniging. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven,
dat in Nederland de smogberichten verzorgt, maakt onderscheid tussen lichte of geringe smog, matige smog en ernstige smog. Bij mensen met chronische aandoeningen van de luchtwegen kunnen de klachten vanaf matige smog verergeren.
 
 
Sneeuw:
Sneeuw ontstaat bij temperaturen onder nul. Bij temperaturen tussen -10 en -23 graden komen in een wolk zowel onderkoelde waterdruppetjes als ijskristallen voor. Door de lagere dampspanning boven ijs komt een transport op gang van waterdruppeltjes (hoge dampdruk) naar ijskristalletjes (lagere dampdruk). De steeds grotere ijskristallen worden ook steeds zwaarder en vallen uiteindelijk als sneeuw naar beneden. Vrijwel alle neerslag begint hoog in de wolk in de vorm van sneeuw, ook in de zomer. Maar alleen als het ook bij het aardoppervlak koud genoeg is (temperaturen net ver boven nul of veel lager) kan de neerslag ook als sneeuw de grond bereiken, anders smelt de sneeuw al tijdens zijn val uit de wolk en zien we het gewoon regenen. Gewone sneeuw bestaat uit sterk vertakte ijskristallen die samengekonterd zijn tot sneeuwvlokken.
 
  Sneeuwdag:
Een sneeuwdag is een dag waarop minstens één sneeuwvlok is waargenomen.
Korrelsneeuw en motsneeuw vallen hier ook onder.

Sneeuwdekdag:

Een dag heeft een sneeuwdek als om 07.00 uur en / of om 19.00 uur tenminste de helft van
de grond met een laagje van tenminste 1 centimeter sneeuw is bedekt.

Sneeuwgrens:

Grens in een bergachtig gebied, waarboven op een bepaald moment de sneeuw blijft liggen. Onder invloed van de meteorologische omstandigheden kan de sneeuwgrens dus in hoogte variëren.
 
Sneeuwjacht:
Sneeuw levert de grootste problemen ook als het ook hard waait en vooral als het vriest. Bij een krachtige tot harde wind, windkracht 6 of 7, is
tijdens sneeuwval met minder dan 200 meter zicht sprake van een ware sneeuwjacht.De stuifsneeuw, die bij temperaturen onder nul in kieren en gaten doordringt, leidt tot grote overlast: het verkeer en openbaar vervoer worden ontwricht en wegen raken versperd door ophopingen en duinen van sneeuw. In een sneeuwjacht is het zeer onaangenaam, zeker bij temperaturen ver onder nul. Bovendien vermindert het het zicht, afhankelijk van de intensiteit van de sneeuw. Sneeuw en zeker een sneeuwjacht is zeer belemmerend voor het verkeer. Het KNMI geeft bij sneeuw extra waarschuwingen uit. Bij een sneeuwjacht of sneeuwstorm, waarin minstens windkracht 6 wordt bereikt en het zicht minder dan 200 meter is, gaat een Weeralarm uit, zo mogelijk voorafgegaan door een voorwaarschuwing. Sneeuwval of driftsneeuw bij windkracht 8 of meer wordt een
sneeuwstorm genoemd, zoals de blizzards in Canada en de Verenigde Staten
 
Sneeuwrollers:
Sneeuwrollers ontstaan wanneer een sterke wind vat krijgt op een sneeuwlaag op kale
velden of hellingen. Voorwaarde zijn een temperatuur rond het vriespunt, waardoor de
sneeuw samenkleeft en een sterke wind. Dergelijke verschijnselen komen geregeld voor in bijvoorbeeld Schotland en Canada en heel soms ook in ons land.

Volgens Minnaert (Natuurkunde van 't vrije veld) zijn in de Ardennen in het verleden sneeuwrollers waargenomen van 2 meter lengte en anderhalve meter dikte. Dikwijls zijn de kleinere meer bolvormig, de grotere cilindrisch.

Dat de natuurlijke sneeuwballen werkelijk rollend ontstaan blijkt uit het spoor dat ze in de sneeuw achterlaten en dat soms nog 20 of 30 meter achter de rollende sneeuwballen te volgen is. Eén windstoot van anderhalve minuut kan voldoende zijn om meer dan 500 sneeuwrollen te vormen.
 
Sneeuwrollers Foto: KNMI 
 
Sneeuwstorm:
Sneeuw is zeer belemmerend voor het verkeer vooral als het er ook hard bij waait en als het vriest. Bij driftsneeuw of als het sneeuwt bij
windkracht 8 of meer noemt het KNMI dat een sneeuwstorm, vergelijkbaar met een blizzard in de Verenigde Staten en Canada. Er gaan dan extra waarschuwingen uit. Wanneer het in een gebied van minstens 50 bij 50 kilometer of langs een lijn van minstens 50 kilometer lengte gaat sneeuwen bij windkracht 8 of meer geeft het KNMI een weeralarm uit, zo mogelijk voorafgegaan door een voorwaarschuwing. Bij sneeuw of driftsneeuw in combinatie met minstens windkracht 6 in een gebied van zeker 50 bij 50 kilometer of langs een lijn van zeker 50 kilometer lengte met gedurendeminstens een uur een zicht van minder dan 200 meter gaat een weeralarm uit voor een sneeuwjacht. De stuifsneeuw, die bij temperaturen onder nul in kieren en gaten doordringt, leidt tot grote overlast: het verkeer en openbaar vervoer worden ontwricht en wegen raken versperd door ophopingen en duinen van sneeuw. In een sneeuwjacht storm is het zeer onaangenaam, zeker bij temperaturen ver onder nul. Bovendien vermindert het zicht, afhankelijk van de intensiteit van de sneeuw.

Sneeuwwoorden:

Sneeuw is neerslag van meer of minder samengeklonterde ijskristallen, die sneeuwvlokken vormen. Er bestaan niet alleen verschillen soorten sneeuw, zoals natte sneeuw (met veel, water), korrelsneeuw (neerslag van witte ondoorzichtige ijsdeeltjes), driftsneeuw (die door een voldoend
sterke of turbulente wind van de grond wordt opgewerveld) of poolsneeuw (neerslag van zeer kleine ijskristallen bij een wolkenloze hemel en temperaturen ver onder nul die zo klein zijn dat ze in de lucht lijken te zweven).

In verschillende publicaties wordt vermeld dat Eskimo's honderden of zelfs duizenden namen voor sneeuw zouden hebben. Maar niets is minder
waar: het zijn er volgens het toonaangevende Eskimowoordenboek van C.W. Schultz-Lorentzen uit 1927 welgeteld twee: qanik (voor vallende
sneeuw of sneeuwvlok) en aput (voor liggende sneeuw). Volgens Prof. dr. Jacques Van Keymeulen van de Vakgroep Nederlandse Taalkunde van de Universiteit Gent is de mythe over de vele sneeuwwoorden van de Eskimo's begonnen met Franz Boas die in het Handbook of American Indian Languages vier sneeuwwoorden van de Eskimo's opsomde. Benjamin Lee schreef in 1940 een populair wetenschappelijk artikel waarin hij wat overdreef. Hij noemde vijf woorden en misschien nog meer. Dat verhaal werd telkens verder verteld en uiteindelijk zouden er honderden, ja misschien wel duizenden Eskimo benamingen van sneeuw bestaan.

Snow-eater:

In Canada kan een warme wind de sneeuw ineens doen smelten. Deze Chinook uit de bergen heet ook wel 'snow eater'.

Solano:

Lokale wind in het zuiden van Spanje. Het is een sirocco-achtige zuidoostenwind, die waait vanuit Algerije.

Solstitium:

Ook wel zonnewende genoemd. In de sterrenkunde zijn dat de twee punten van de baan van de zon waarop de grootste declinatie (afstand van het midden van de zon tot de evenaar) wordt bereikt. Het solstitium is dus het punt waarop de zon ten opzichte van de aarde de meest zuidelijke en noordelijke positie bereikt, het zomer en winterpunt. Die punten liggen 90 graden van het lente- en herfstpunt.

Somber weer:

Donker en regenachtig weertype met veel laaghangende bewolking. Deze term wordt in de weersverwachtingen zoveel mogelijk vermeden, vanwege de eventuele uitwerking op de gemoedsgesteldheid van mensen.

Sonde:

Peilapparaat.

Sonische anemometer:

Anemometer waarbij gebruik wordt gemaakt van hoogfrequente (ultrasonische) geluidspulsen. Het tijdsverloop tussen het zenden en ontvangen van een geluidspuls over een bepaalde afstand wordt gemeten. Wordt zon geluidspuls uitgezonden met de wind mee, dan zal de tijdsduur korter zijn
dan tegen de wind in. Op die manier is dat tijdsverloop dus een maat voor de windsnelheid.

Solar Radiometer:

De solar radiometer staat ook wel bekend als een lichtwindmolen en is een natuurkundig en technisch wonder, dat op een eenvoudige manier laat zien hoe de 'kleinste zonne-energie centrale ter wereld', licht omzet in energie. De werking is als volgt: in de glazen bol staat een glazen buisje met vier 'wieken' eraan op een naald opgesteld. De wrijving tussen het glas en de dunne naaldpunt is vrijwel nihil, waardoor de wieken makkelijk kunnen ronddraaien. Eén kant van de wieken is zwart, de andere zijde is zilverkleurig. Wanneer nu warm licht, bijvoorbeeld zonlicht of licht van een gloeilamp (geen 'koud' TL-licht), op de wieken van de lichtwindmolen valt, zal de constructie beginnen te draaien. Dit komt doordat een zwart oppervlak licht absorbeert, terwijl een zilveren oppervlak licht weerkaatst. Hierdoor worden de zwarte vlakjes warmer dan de zilveren, net als de luchtmoleculen die zich in de buurt van deze vlakjes bevinden. De warmere luchtmoleculen bewegen sneller en zullen vaker en harder tegen de zwarte vlakjes botsen, waardoor de druk op de zwarte zijdes groter wordt en de constructie begint te draaien. Binnenin de glazen bol is de luchtdruk wat verlaagd, teneinde een evenwicht te verkrijgen tussen de luchtweerstand en de draaikracht van de zonne-energie. Afhankelijk van de hoeveelheid licht zullen de 'wieken' met een variabele snelheid gaan draaien en kan er een rotatiebeweging tot wel 3000 omw/min worden bereikt.

South-easter:

Lokale wind in Zuid-Afrika. Het is een zuidoostelijke valwind, die vanaf de Tafelberg naar de Tafelbaai bij Kaapstad waait. De southeaster heeft wel föhneigenschappen, maar kan niet echt als koude of als warme valwind aangemerkt worden.

Southerly burster:

Lokale wind in het oosten van Nieuw-Zuid-Wales in Australië. Het is een hevige koude zuidenwind, die grote gelijkenis vertoont met de pampero in Argentinië. De southerly burster komt het meest voor in de lente en de zomer.

Spanje:

Spanje grenst aan de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en kent zowel bergen als laagland. Het klimaatbeeld is daardoor zeer gevarieerd en we vinden hier een mediterraan klimaat, een zeeklimaat en een bergklimaat. Wie denkt dat Spanje alleen maar zon en warmte kent, zal verrast zijn door de vele wolken en regen die vanaf de Atlantische Oceaan het noorden van het land binnendringen. De bergen en de kust in het noordwesten van Spanje zijn de natste gebieden van het land. Ten zuiden van de Pyreneeën neemt de neerslag af vooral in oostelijke richting. In Midden-Spanje valt 's winters de meeste neerslag in de vorm van sneeuw. De zomers zijn hier echter lang, heet en zeer droog. Alleen in het voorjaar en de vroege zomer valt hier nog wat regen, meest in de vorm van korte plensbuien. Hoe zuidelijker hoe langer en zonniger de zomer. Hier schijnt de zon 's zomers dagelijks 11 à 12 uur zon (2500 tot 3200 uur zon per jaar!) en valt er nauwelijks regen. Het zeewater wordt aan de Spaanse zuidkust zo'n 25 graden, langs de minder droge en minder hete Spaanse oostkust ongeveer 23graden. De nachten zijn heerlijk zwoel.

SPECI:

Extra weerrapport ten behoeve van de luchtvaart.

Specifieke vochtigheid:

Van een bepaalde hoeveelheid lucht is dit de verhouding tussen de massa aanwezige waterdamp en de totale massa van die hoeveelheid.

Spectrum:

Isaac Newton gebruikte het Latijnse woord spectrum om de kleurenreeks te omschrijven die ontstond toen hij een bundel zonlicht door een glazen prisma liet vallen. De kleurenvolgorde rood-oranje-geel-groen-blauw-indigo-violet komt overeen met de kleuren van de regenboog en tevens met dalende golflengte (stijgende frequentie) van de lichtgolven Straling is een proces waarbij energie zich door elektromagnetische trillingen voortplant. Die trillingen hebben een breed scala van golflengten. Het totaal van deze golflengten wordt het spectrum genoemd. De verdeling over de
verschillende kleuren is als volgt in de tabel.1µ = 1 micron = 10-6meter. De maximale energie van de zonnestraling ligt rond de 0,50µ dus ongeveer midden in het zichtbare licht. Die van de aarde is ongeveer 10µ, dus in het infrarode gebied.
 
 
 Kleur  Golflengte
 Ultra violet  < 0,38 µ
 Violet  0,38 - 0,45 µ
 Blauw  0,45 - 0,50 µ
 Blauw - groen  0,50 - 0,52 µ
 Groen  0,52 - 0,55 µ
 
 Kleur  Golflengte
 Geel - groen  0,55 - 0,57 µ
 Geel  0,57 - 0,60 µ
 Oranje  0,60 - 0,63 µ
 Rood  0,63 - 0,78 µ
 Infrarood  > 20,78 µ
 
Spectrofotometer:
Instrument dat de stralingsintensiteit (bijvoorbeeld van de zon) meet bij verschillende golflengten

Spectrograaf:

Meetinstrument waarmee de chemische samenstelling van een gas bepaald kan worden aan de hand van het spectrum, d.w.z. de verschillende lichtgolflengten die door het gas worden uitgezonden of onderschept. 

SPEWI:

Alleen nationaal verspreid codebericht met gegevens over de wind in de onderste laag van de atmosfeer tot en met een hoogte van 3.000 m.

Spissatus: (dicht, in elkaar vervlochten)

Wolkensoort. Dikke plukken wolken van het geslacht cirrus, die voldoende dicht zijn om de zon te versluieren. Het zijn vaak restanten van buien,
die met de bovenwind meedrijven. Aan de bovenkant is de cirrus spissatus enigszins opbollend, als cumulus. Aan de onderzijde zijn vaak valstrepen van ijskristallen, virga, te zien. Dit verschijnsel duidt op bestendig weer. Tegen een ondergaande zon geeft de cirrus spissatus aan de westelijke hemel vaak spectaculaire en kleurige taferelen. Het lijkt dan alsof het zwerk in brand staat.

Springtij:

De hoogte van de zeespiegel wordt bepaald door de aantrekkingskracht van zon en maan op het water. Dit wordt astronomisch getij genoemd.
Als zon, maan en aarde op één lijn staan is de aantrekkingskracht het grootst en spreekt men van springtij.

Springvloed:

De hoogte van de zeespiegel wordt bepaald door de aantrekkingskracht van zon en maan op het water. Dit wordt astronomisch getij genoemd.
Als zon, maan en aarde op één lijn staan is de aantrekkingskracht het grootst en spreekt men van springtij. De wind kan het water langs de kust
nog hoger opstuwen. Wanneer het boven bepaalde hoogtes komt is sprake van stormvloed. Valt de storm toevallig samen met springtij dan is komt het water nog hoger: springvloed genaamd. Vooral sterke en langdurige noordwesterstormen hebben effect op de waterstanden. Richting, sterkte en duur van de storm worden bepaald door de depressiekoers, de snelheid waarmee die passeert en de diepte van de depressie.
Het gevaarlijkst is een langzaam passerende depressie, waarin de luchtdruk snel daalt en die in zuidoostelijke richting over het noorden van de Noordzee trekt. De trechtervormige kustlijn draagt ertoe bij dat het water nog hoger komt.
 
Sprites:
Wanneer een reguliere bliksem in contact komt met het aardoppervlak, verandert dat de elektrische eigenschappen van de atmosfeer erboven ook en dat heeft tot gevolg dat er zich een ontstekingspunt vormt hoog boven de onweerswolk. Kort hierna loopt er een ontlading razendsnel van het ontstekingspunt naar de wolk en legt hierbij een afstand af van ongeveer 30-50 km. De sprite, zoals deze ontlading genoemd wordt, ontwikkelt zichzelf in een
tijdsduur van 2 milliseconde en begint daarna al te vervagen. De breedte van zo'n sprite verschilt en kan oplopen tot zelfs 100 km. De reden waarom dit gepaard gaat met het uitzenden van licht, is dezelfde als voor de bliksem die we al kennen. De atmosfeer is een
gas en bestaat dus uit allemaal deeltjes en moleculen. Wanneer deze moleculen met elkaar botsen of beschenen worden met (energierijk) licht, zenden de moleculen zelf ook licht uit.

Door de enorme ladingsverschillen in de atmosfeer op het moment vlak voor een sprite
worden elektronen in de atmosfeer versneld waardoor zij botsen met andere deeltjes,
die dan licht uitzenden, enzovoorts.
 
Rode sprites en blauwe jets
 
Doordat er een verschil in druk is op verschillende hoogtes in de atmosfeer, is de kleur die uitgezonden wordt niet overal hetzelfde, maar is blauw
vlak boven de onweerswolk, en rood naarmate hij hoger reikt (vandaar 'red sprite'). Sprites zijn tot nu toe alleen waargenomen in de Verenigde Staten, Europa en vanuit vliegtuigen en satelliet. Satellietwaarnemingen maken duidelijk dat ze ook voorkomen in Afrika, Indonesië en Australië. Uit deze beelden blijkt dat het om ingewikkelde grillige vormen gaat, die zich over grote afstanden uitbreiden. De drie bekende soorten stratosfeerontladingen
 
Doordrukverschillen in de atmosfeer verschilt
de kleur met de hoogte.
  Roodgekleurde sprites
Dit zijn zwakke lichtgevende flitsen die zeer kort duren en weliswaar voor het oog zichtbaar zijn, maar die men niet kan volgen. Deze sprites bereiken een hoogte van 95 kilometer en benaderen daarmee de onderste regionen van de E-laag. Sprites zijn de meest voorkomende soort stratosfeerontladingen. Ze lijken vooral in de latere stadia van onweerscomplexen voor
te komen als er een grote ladingsverplaatsing plaatsvindt, na een positieve blikseminslag. 

Staartwind:

De wind die een vliegtuig van recht achter heeft. Vanwege de voor de draagkracht benodigde winddruk onder de vleugels, moet een vliegtuig de wind liefst van voren krijgen. In sommige omstandigheden is dit echter niet mogelijk. Een teveel aan staartwind levert problemen op bij het opstijgen en landen.

Stabiele golf:

Een frontale golf die zich in de tijd niet verder ontwikkeld oftewel waarvan de kerndruk in de tijd niet meer uitdiept en waarvan voor het frontale systeem waar weinig ontwikkeling of
 
 intensivering op verwacht hoeft te worden. De tegenstelling is een onstabiele golf (in het stromingspatroon) die in de tijd kan uitgroeien tot een groot lagedrukgebied met bijbehorend intensiever weer.

Stabiele lucht:

Lucht met weinig of geen tendens om op te stijgen of te dalen. Het komt meest voor bij mooi en droog weer. De 'toestandskromme' is zodanig dat, als een luchtdeeltje verplaats wordt (naar boven of naar beneden), het op zijn oorspronkelijke plaats terugkeert.

Stadsklimaat:

Het weer in de (grootte) stad verschilt aanzienlijk van het weer in het omringende gebeid met minder bebouwing (platteland). Asfalt, steen en
cement warmen snel op maar koelen langzaam af. Vooral 's avonds en 's nachts, maar in de winters ook overdag, ligt de temperatuur aanzienlijk hoger; in een wereldstad kan dit oplopen tot zo'n 5 graden. Dit wordt ook veroorzaakt door opwarming a.g.v. verwarming van huizen, uitlaatgassen ed. Deze extra warmte kan ook leiden tot fikse onweersbuien in de zomer. Uiteraard waait het in de stad minder en ligt de luchtvochtigheid lager.

Stadsmist:

Mist die meer uitgesproken is in de omgeving van steden en industriegebieden doordat zich daar meer luchtvervuiling is en er dus meer condensatiekernen zijn waarop de waterdamp zich kan neerzetten.

Standaarddrukvlak:

Eén van de drukvlakken waarvan de gegevens voortdurend op weerkaarten worden geplot en door de meteoroloog worden geanalyseerd.
Deze zijn het 300 hPa-, het 500 hPa-, het 700 hPa- en het 850 hPa vlak.

Standaardgebied:

Gebied ter grootte van 50 bij 50 kilometer of langs een coherente band van tenminste 50 kilometer lengte.

Standvastig weer:

Rustig weer, dat maar weinig verandert.

Stapelwolk:

Is een wolk met een uitgesproken vertikale ontwikkeling (convectieve bewolking). Ze behoren tot het geslacht cumulus.

Starre schuifmethode:

Eenvoudige voorspel methode. Op grond van recente verplaatsingen en windrichting en -snelheid worden weersystemen, fronten en slechtweergebieden op weerkaarten in de stromingsrichting vooruit verplaatst. Op die manier wordt een eerste indicatie verkregen omtrent het toekomstige weerbeeld.

Stationair front:

De scheidingslijn of overgangszone tussen twee luchtmassa's met verschillende eigenschappen waarbij geen van de twee luchtmassa's zich opdringt. De scheiding blijft ter plaatse.

Stationsnummer:

Identificatienummer van waarnemingsstations. In het onderstaande overzicht is een aantal Nederlandse stations opgenomen, voorzien van (vooral in de luchtvaart gebruikte) kenletters en geografische plaatsbepaling (NB = noorderbreedte en OL = oosterlengte). De eerste twee letters daarvan geven aan dat het Nederlandse stations zijn:
E = Europa, H = Holland. Voor het stationsnummer wordt nog het bloknummer geschreven. De Bilt heeft nummer 06260, Schiphol 06240.
 
NO: letter Naam NB OL Sinds
 210  EHVB  Valkenburg

52° 11'

04° 25' 1947
 225    IJmuiden 52° 28' 04° 35'  
 235  EHKD  De Kooy (Den Helder) 52° 55' 04° 47' 1972
 240  EHAM  Schiphol (Amsterdam) 52° 18' 04° 46' 1937
 250    Terschelling 53° 22' 05° 13'  
 260  EHDB  De Bilt 52° 06' 05° 11' 1904
 265  EHSB  Soesterberg 52° 08' 05° 16' 1951
 268    Lelystad-Houtrib 52° 32' 04° 46'  
 270  EHLW  Leeuwarden 53° 13' 05° 45' 1950
 275  EHDL  Deelen 52° 04' 05° 53' 1949
 
NO: letter Naam NB OL Sinds
 280  EHCG  Eelde (Groningen)

53° 08'

06° 55' 1945
 285    Meetpaal Huibertsgat 53° 34' 06° 24'  
 290  EHTW  Twente 52° 16' 06° 54' 1946
 310  EHFS  Vlissingen 51° 27' 03° 36' 1855
 330    Hoek van Holland 51° 59' 04° 06'  
 344  EHRD  Rotterdam 51° 57' 04° 27' 1956
 350  EHGR  Gilze-Rijen 51° 34' 04° 56' 1948
 370  EHEH  Eindhoven 51° 27' 05° 25' 1947
 375  EHVK  Volkel 51° 39' 05° 42' 1951
 380  EHBK  Beek (Maastricht) 50° 44' 05° 47' 1946
 
Stationsthermometer:
Gestandaardiseerde droge-bolthermometer, die op ieder waarnemingsstation wordt gebruikt om de temperatuur van de lucht te meten.
De thermometer is gemaakt van Jena-normaalglas en heeft een schaalverdeling van -30° tot +40°C, onderverdeeld in 1/5 delen van een graad.
De vulvloeistof is kwik. De thermometer is voorzien van een ijkcertificaat, waarop de geldigheidsduur en de eventueel toe te passen correcties zijn vermeld.
 
Steam Devils:
Relatief lichte tornado's die 's winters ontstaan in koude lucht boven het warme water van de Noord-Amerikaanse Grote Meren, zoals het Ontariomeer in Canada. Als er weinig wind staat kunnen zich daar diverse tornado's ontwikkelen die vooral vanaf de oevers van het meer goed waar te nemen zijn. Soms is sprake van een ware tornado out break, zoals in Nederland ook meerdere waterhozen tegelijk worden waargenomen.

Het verschijnsel heeft wat weg van een waterhoos, maar de condities waaronder Steam Devils ontstaan zijn anders. Waterhozen ontstaan in ons land vooral in zomer en herfst onder meer boven het IJsselmeer en de Waddenzee, wanneer het water sterk opgewarmd is en de atmosfeer zeer onstabiel is met lage temperaturen op grote hoogte.
 
 
De rode lijn geeft de steenbokskeerkring aan 
  Steenbokskeerkring: (zuiderkeerkring)
De Steenbokskeerkring is een bijzondere parallel rond de aarde die op ongeveer 23½° Zuiderbreedte (exact: 23,439° of 23° 26′ 22″) ligt. De naam is afgeleid van het sterrenbeeld Steenbok (Capricornus), het teken van de dierenriem dat ingaat op het moment dat de zon loodrecht boven deze keerkring staat.

De steenbokskeerkring wordt ook wel zuiderkeerkring genoemd.De steenbokskeerkring markeert de hoogste breedte op het zuidelijk halfrond waarop de zon gedurende eenmaal per jaar schijnbaar recht boven het aardoppervlak staat. Dit gebeurt elk jaar rond 21 december, en luidt het begin van de zomer in op het zuidelijk halfrond.
 
Steppeklimaat:
Zie B-klimaat.

Steppewind:

Lokale wind in Duitsland. Het is een koude noordoostenwind, die soms helemaal vanuit de Russische steppen waait.

Sterren in het ijs:

zie Dooisterren in het ijs

St. Elmusvuur:

In de atmosfeer kunnen zich grote ladingsveschillen opbouwen voordat het tot een ontlading komt. Het kan dan gebeuren dat voorwerpen bij de
grond zo sterk geladen worden, dat er (positief) geladen vonken uit weglekken. Dit kan bij uitstekende voorwerpen gebeuren zoals, antennes en scheepsmasten. Het verschijnsel heeft een groenige of blauwachtige kleur. Dit is St. Elmusvuur. Wanneer er ook nog een een ontlading in de buurt is, kan de bliksem ieder moment inslaan.

St. Gummaruszomertje:

Zomerse periode rond 11 oktober.

St. Maartenszomer:

Zomerse periode rond 11 november.

St. Michielszomer:

Zomerse periode rond 29 september. Deze naam wordt voornamelijk in Vlaanderen gebruikt. In Nederland komt de naam 'Oudenwijvenzomer' vaker voor. De term "oudenwijven" wordt geassocieerd met oude breiende vrouwen en aan veldspinnen die bij rustig nazomerweer lange draaden spinnen.
 
Stijgklap:
Achter de knijpzone van de backbent-occlusie gaat de luchtdruk rap omhoog.
Dit is de 'stijgklap', de naam is dus een gevolg van abrupte luchtdrukstijgingen.
Hoe je 'm kunt vinden en classificeren weet ik wel, maar waarom het voor de professionele meteorologie belangrijk is om aandacht te besteden aan dit fonomeen, dat is ook mij nog
niet duidelijk. Mogelijk zijn er door het confluente karakter van de luchtstromingen net achter de knijpzone enige meteorologisch interessante en/of gevaarlijke zaken te vinden.

Ook al weet ik niet precies het belang, je kunt echter zelf enige conclusies over het formaat van de stijkklap trekken door een zogeheten isallobarenkaart erbij te pakken. (isallobaren
zijn een soort afgeleide vorm van isobaren en ze worden gebruikt om (let op) de snelheid in verandering van luchtdruk op een bepaalde plaats over drie uur tijd weer te geven.)
Actuele versies zijn zelden of nooit openbaar te vinden op het internet. Maar met wat kunst-
en vliegwerk kan je die zelf ook enigszins opstellen.
 
 
Stijgingsregens:
Zie orografische regens.

Stijve bries:

De benaming op zee van de windkracht 6 op de schaal van Beaufort.

Stikstof:

Is het belangrijkste gas (qua hoeveelheid) waaruit onze atmosfeer bestaat. Ongeveer 78% van de aardatmosfeer bestaat uit stikstof.

Stikstofoxyden:

Stikstofoxiden, of NOx, is de algemene term voor een groep zeer reactieve gassen, die alle stikstof (N) en zuurstof (O) bevatten.
Veel stikstofoxiden zijn kleurloos en reukloos.

Stil:

Benaming op land van de windkracht 0 (nul) op de schaal van Beaufort.

Stilte:

Benaming op zee van de windkracht 0 (nul) op de schaal van Beaufort.
 
Stofhoos
  Stofhoos:
Een stofhoos is een kleine, relatief zwakke wervelwind die op warme dagen kan ontstaan
door convectie in de lucht boven een sterk opgewarmd oppervlak. Op warme zonnige dagen
in het zomerhalfjaar met weinig wind kunnen boven sterk verhitte oppervlakken wervelwindjes ontstaan. Ze doen zich vooral voor boven zandgrond, maar soms ook boven de stenen van
een plein of boven hooi op het land (een hooiduivel). Meestal is er dan een draaiende zuil van stof of zand te zien en daarom worden deze wervelwindjes stof- of zandhozen (in de
Verenigde Staten dust devils) genoemd. In een vuurzee worden ook wel eens vuurhoosjes gezien en ook boven de hete lava van een vulkaan zijn hoosjes waargenomen.
Het verschijnsel heeft dus alles met hitte te maken en aan de grond moet het minstens
enkele tientallen graden warmer zijn dan op zo'n honderd meter hoogte. Er vormt zich dan
een hete luchtbel die opstijgt, waardoor aan het aardoppervlak lucht toestroomt uit de naaste omgeving. Net als bij water in een leeglopend bad kan de toestromende lucht dan een roterende beweging krijgen. In tegenstelling tot windhozen, die samenhangen met wolken op enkele honderden meters hoogte, doen stof- of zandhozen zich alleen aan het aardoppervlak
 
en bij rustig weer voor. Stofhoosjes worden meestal maar enkele tientallen meters hoog, maar kunnen soms een hoogte bereiken van honderd meter. De levensduur is doorgaans niet langer dan enkele minuten. De windkracht van stofhozen kan daarom nooit in de schaal van Beaufort worden uitgedrukt, die gebaseerd is op gemiddelden van minstens tien minuten.

Storing:

In het algemeen een klein, zich al dan niet verder ontwikkelendlagedrukgebied of een uitloper van een groter lagedrukgebied (randstoring). Een storing kan met een frontaal systeem te maken hebben. In dat geval is er sprake van een frontale storing. Maar een storing kan ook ontstaan uit een thermisch lagedrukgebied. Een voorbeeld daarvan is de onweersstoring, die in de zomer na een periode van erg warm weer vanuit Frankrijk en België Nederland binnentrekt.
 
Storm:
Bij storm of windkracht 9 op de schaal van Beaufort ligt het 10 minuut gemiddelde van de windsnelheid tussen 75 en 88 km/uur (20,8 - 24,4 meter per seconde). Een storm gaat meestal vergezeld van zware tot zeer zware windstoten van meer dan 100 km/uur.
Een storm leidt tot schade aan dakpannen en schoorsteenkappen en veroorzaakt lichte schade in de bossen. Tijdens een storm wagen alleen de zwaluwen en eenden zich nog in
de lucht, alle insecten blijven aan de grond. Op zee zijn hoge golven te zien met zware schuimstrepen en rollers. Door verwaaid schuim is het zicht boven zee slecht.

Vanaf september nemen op het Noordelijk Halfrond de temperatuursverschillen tussen de tropen en noordpool toe. In de periode oktober t/m maart zijn deze verschillen het grootst.
Dit openbaart zich door actieve depressies die door toestroming van warme en koude luchtsoorten op de Atlantische Oceaan gevormd worden. De warmere lucht wordt door de koude lucht opgetild In de nabijheid van een krachtige straalstroom (een medegevolg van de
 
Ontwortelde boom na een zware storm
 
 temperatuursverschillen) wordt op 7 tot 10 km hoogte de lucht a.h.w. weggezogen en dat bevordert het uitstromen van lucht bovenin de atmosfeer.
Onderin wordt de lucht aangezogen om het tekort aan te vullen. Zolang de uitstroom bovenin groter is dan de instroom aan het aardoppervlak,
diept de depressie uit, d.w.z. de luchtdruk daalt in het centrum. Zolang dit proces doorgaat worden ook de luchtdrukverschillen over een horizontale afstand steeds groter. Dit resulteert in een toename van de wind. Uiteindelijk leidt dit tot hoge gemiddelde windsnelheden die windkracht 9 of hoger kunnen bereiken. Dan hebben we dus een storm of wellicht zwaarder dan dit.

Hoe zwaar de storm wordt is dus niet zozeer afhankelijk van de luchtdruk in de kern van de depressie, maar veel meer van de grootte van de luchtdrukverschillen rond de kern. Storm ontstaat in Nederland meestal bij actieve - niet per definitie altijd diepe - depressies die vanuit Engeland
over de Noordzee richting Scandinavië koersen. Vaak zien we dit gebeuren wanneer het stormlaag met de kern over het midden van de Noordzee trekt zodat het windveld Nederland bedekken kan. Afhankelijk waar de grootste luchtdrukverschillen zitten kan dat óf in het noorden óf in het midden en zelfs in Limburg tot een storm leiden. Meestal waait de storm dan uit west of zuidwestelijke richting maar ook uit het noordwesten wanneer de wind over de vlakke Noordzee een lange afstand zonder grote invloed van wrijving kan afleggen, kan de storm flink uitpakken. Trekt de kern van de depressie juist ten zuiden van ons land langs dan passeert het windveld ook ten zuiden en blijft de west- of zuidwesterstorm in Nederland uit.

Stormachtige wind:

Een stormachtige wind of windkracht 8 op de schaal van Beaufort komt overeen met een 10 minuut gemiddelde windsnelheid van 62 - 74 km/uur (17,2- 20,7 meter per seconde). In vlagen kan de wind snelheden bereiken van rond 100 km/uur. Lopen is dan lastig ook als de wind van opzij waait. Twijgen breken af en er zijn nog maar weinig vogels in de lucht. Alleen libellen vliegen nog altijd. Op het water leidt een stormachtige wind tot matig hoge golven met een flinke kamlengte. Golftoppen waaien af en vormen goed ontwikkelde schuimkoppen.
 
  Stormglas:
Het wonder-, stormglas, is een zeer ouderwets instrument dat eeuwen geleden al gebruikt werd door de scheepvaart. Al in 1750 werd er in Florence via de media over gerept. Een glazen buisje gevuld met een oplossing van alcohol en chemicaliën met daarin opgelost kamfer kristallen, zou het weer kunnen voorspellen. De samenstelling van de oplossing is: 10 gram kamfer, 40 cc alcohol, 2,5 gram salmiak-zout, 2,5 gram salpeter en 33 cc. gedestilleerd water.

Afhankelijk van het weer kunnen de kamferkristallen groeien, of zakken juist ineen. In b.v. een hogedrukgebied zitten de kristallen onder in het glazen buisje (mooi weer). Het lijken net veertjes en
ze doen in zeker opzicht denken aan wilde cirruswolken in de ijzige bovenlucht.
Je kunt er het volgende uit afleiden:·

Heldere vloeistof met het gehele kristal op de bodem: Mooi weer.
Kristallen op de bodem: vorst in de winter.
Troebele vloeistof met kleine kristallen: Onweer.
Grote vlokken: Drukkend weer, bewolkte hemel.
Draadvorming boven de vloeistof: Winderig weer:
Mist.Kleine puntjes: Vochtig weer.
Stijgende vlokken die blijven hangen: Wind in de hogere regionen tot storm.
Kleine kristallen: in de winter mooi weer, zon.

Indien de kristallen naar één kant van het glas overhellen, dan heeft dat te maken met de windrichting. De kristallen worden als het ware door de wind meegevoerd.
 
Hoewel het stormglas officieel circa 1750 werd beschreven en erkend werd als weervoorspeller, zijn er redenen om aan te nemen dat de
geschiedenis van dit apparaat veel verder terug grijpt in de historie. Zijn algemene bekendheid dankt het aan Admiraal Fitzroy, de zeeman die
onder meer bekend werd door zijn reizen naar de Galapagos eilanden en de Darwin Expeditie. Hij verrichtte voor de meteorologie pioniers arbeid en stelde talrijke weerkundige regels vast en schreef hier ook een boek over.

Toen in 1859 de Britse eilanden door een zware storm getroffen werd, werden er aan de vissers van alle Britse eilanden Fitzroy's stormglazen verstrekt, en vele van deze instrumenten zijn nu nog in gebruik. Het stormglas kreeg hierdoor grote bekendheid en verspreidde zich over Schotland, Engeland, Nederland, Scandinavië en speciaal Denemarken. Admiraal Fitzroy was van mening dat de elektriciteit in de lucht in samenwerking met
de windrichting de verhoudingen van de kristallen konden beïnvloeden. Als wij ons realiseren dat vroeger de kamertemperatuur ca. 15 graden was
valt te begrijpen dat het stormglas ook op die temperatuur geijkt is. De beste temperatuur is dan ook bij ons tegenwoordig, de hal of gang,van onze woning,daar hier de temperatuur vrij stabiel is.

Stormachtig:

1. Benaming, zowel op land als op zee, van de windkracht 8 op de schaal van Beaufort.
2. Beschrijvende term voor een weertype. Er is erg veel wind, ten minste windkracht 8, en bovendien vaak buien.

Stormdepressie:

Actief lagedrukgebied, dat gepaard gaat met windsnelheden van ten minste stormkracht (windkracht 9).

Stormvloed:

sterke verhoging (opzet) boven het astronomisch getij van de zee langs de kust onder invloed van de wind. Zo'n extra verhoging boven het astronomisch getij, opzet genoemd, hangt af van windrichting en windkracht over de hele Noordzee. Een trechtervormige kustlijn kan de opzet nog verder verhogen en dat geldt ook voor een diepe zee en in mindere mate voor lage luchtdruk. Gemiddeld eens in de twee jaar heeft ons land te
maken met een lage stormvloed, die de dijken gemakkelijk aankunnen. Gevaarlijker, maar ook zeldzamer zijn middelbare (eens in de tien tot
honderd jaar) en hoge stormvloeden (eens in de honderd tot duizend jaar). De watersnood van 1 februari 1953 hoorde als enige van de 20e eeuw tot hoge stormvloeden.

Stormvloedwaarschuwingsdienst: (SVSD; vroeger: Stormvloedseinendienst)

In 1929 ingestelde dienst van de Rijkswaterstaat (RWS), met als doel bij stormvloed informatie en advies te geven aan dijkbeheerders en andere belanghebbenden in het Nederlandse getijgebied. Aanleiding tot het instellen van de SVSD was de watersnood van 13 januari 1916. De weerkundige gegevens worden tegenwoordig betrokken van de Maritiem Meteorologische Dienst (MMD) van het KNMI te Hoek van Holland. Zodra de dienstdoende meteoroloog op grond van meteorologische ontwikkelingen verwacht dat een bepaald waterpeil overschreden zal worden (het zgn. informatiepeil), neemt hij contact op met de betreffende Ingenieur van Dienst van de RWS. Deze beslist dan of al dan niet het waarschuwingscentrum van de SVSD zal worden geopend en bezet.

Stormwaarschuwing: (stormsein)

Ten be hoeve van de scheepvaart, zowel de beroepsmatige als de recreatieve, worden bij het overschrijden van bepaalde limieten wind- en stormwaarschuwingen uitgegeven. Via het ANP en de kustwacht IJmuiden worden waarschuwingen verspreid bij windkracht 6 of meer in de Nederlandse kustwateren en op het IJsselmeer. De kustwateren zijn opgedeeld in een vijftal districten. Van zuid naar noord zijn dat de districten Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, Texel en Rottum. Voor de rest van de Noordzee wordt gewaarschuwd bij windkracht 7 of hoger, alleen via
de kustwacht IJmuiden. Ten behoeve van de scheepvaart wordt door de Maritiem Meteorologische Dienst (MMD) van het KNMI
te Hoek van Holland tevens vier maal per etmaal een scheepsweerbericht opgesteld, geldig voor de gehele Noordzee, en een marifoonbericht,
geldig voor de Nederlandse kustwateren en het IJsselmeer.

Stortbui:

Zware bui met een zeer grote neerslagintensiteit. Zo'n stortbui hoeft niet met hagel of onweer gepaard te gaan. Vooral in de tropen komen dit soort buien tijdens de natte moesson nogal eens voor.

Straalstroom:
In het Engels: "jet stream". Is een "rivier" van lucht die zich snel voortbeweegt o 9 à 10 kilometer hoogte waait in de regel een zeer sterke wind, die de straalstroom wordt genoemd. Weerkundigen spreken van een straalstroom als de wind op die hoogte een gemiddelde snelheid heeft van meer dan 100 kilometer per uur (windkracht 11 of meer). Regelmatig
worden echter hogere windsnelheden bereikt van soms zelfs meer dan 350 kilometer per uur.

De straalstroom is gemiddeld enkele duizenden kilometers lang, enkele honderden kilometers breed en slechts een paar kilometer hoog. Het is dus een zeer langgerekte maar smalle band met hoge windsnelheden, die door de atmosfeer kronkelt als een rivier in het landschap. Meestal is de stroming van west naar oost gericht, maar door de vele kronkels kan de luchtstroming op bepaalde plaatsen ook naar zuid of noord gericht zijn.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen vijf verschillende types:de polaire straalstroom:
de meest voorkomende positie over West-Europa is een weinig ten noorden van de ligging van het polaire front op de grond. Over de Atlantische Oceaan komt hij meestal uit het westen (tussen ZW en NW).
 
 
de subtropische straalstroom:
studies van hoogtewindkaarten tonen het bestaan van een lange stroming krachtige westenwinden tussen de 20e en 30e breedtegraad, zowel noord als zuid.  

de equatoriale straalstroom:

van midden juni tot begin september strekt zich in de hogere troposeer tussen de evenaar en de 20e breedtegraad een band oostenwinden uit omheen de aarde. Deze winden bereiken slechts in twee streken een jet-wind intensiteit:= één ervan loopt van de Filipijnen tot Soedan, de andere situeert zich boven West-Afrika.

de stratosferische straalstroom (poolnacht-jet):

deze komt voor in de winter tussen de breedten 60° en 70°. De jet-buis bevindt zich onmidellijk onder de stratopauze op een hoogte van 40 tot 45 km.

low-level straalstroom (lage jet):

onder bepaalde voorwaarden kunnen er boven uitgestrekte vlakten op lage hoogte krachtige windvelden ontstaan. Ze ontwikkelen zich 's avonds en bereiken hun maximum rond zonsopgang om daarna snel te verdwijnen. Ze krijgen de naam van jet-stream omdat hun stroomlijnen zich voordoen in een smalle band gelijkaardig aan deze van de jet-stream op grotere hoogten.

Straalstroom-cirrus:

Straalstroom is niet alleen een horizontale luchtstroom, maar de lucht draait ook nog rond de as van die straalstroom. Gezien met de richting van
de wind mee volgt de lucht rond die as een beweging als een kurkentrekker die in een kurk wordt gedraaid (rechtsom dus). Dat betekent dat aan de linkerkant, de koude kant van het front, de lucht een stijgende beweging doormaakt en aan de rechterkant een dalende beweging. In die stijgende luchtbeweging aan de koude kant van de straalstroom vormt zich bewolking van het geslacht cirrus. Vandaar dat de plaats van de straalstroom op een satellietfoto vaak heel goed te zien is als een langgerekte band met cirrus: de straalstroom-cirrus.

Straling:

VVerzamelnaam voor een groot aantal natuurkundige verschijnselen die alle berusten op het uitzenden van energie door een bron, in de vorm van elektromagnetische trillingen met verschillende golflengten. De zon straalt licht en warmte uit met een golflengte in de orde van 0,5μ (μ= 1 micron = 10-6m). Deze kortgolvige straling wordt door de aarde opgevangen en verwarmt het aardoppervlak. Maar de aarde houdt die warmte niet vast. Die wordt als langgolvige straling (ca. 1μ) weer uitgezonden. In de meteorologie wordt met straling doorgaans de zonnestraling of zonne-energie bedoeld.
 
  Stralingsbalans:
Overzicht van de hoeveelheid straling die de aarde bereikt en de hoeveelheid straling die de atmosfeer weer verlaat. De zonnestralen die de aarde bereiken, zijn kortgolvig. Deze kortgolvige straling kan de dampkring passeren. Met name het zichtbare licht ondervindt weinig hinder van de atmosfeer. De hoeveelheid straling die een bepaald punt op de aarde bereikt, is afhankelijk van:

1. de breedteligging: op lage breedte (dicht bij de evenaar) vallen de zonnestralen loodrecht in,
    waardoor er veel straling per oppervlakte-eenheid opgevangen wordt;
2. de lengte van de dag; en
3. de dichtheid van het wolkendek.

Hoe meer wolken, hoe minder kortgolvige stralen het aardoppervlak bereiken. De kortgolvige stralen worden door het aardoppervlak geabsorbeerd, dat daardoor wordt verwarmd. Zoals alle objecten, geeft ook de aarde straling af. Dit is echter straling met een veel langere golflengte
 
dan de zonnestraling. Deze langgolvige straling is veel minder goed in staat door de dampkring heen te gaan. Vooral waterdamp en koolstofdioxide, twee van de zgn. broeikasgassen, en wolken absorberen de langgolvige straling. Afhankelijk van de aanwezige hoeveelheid van deze stoffen, zal de netto uitstraling variëren.

Als de lucht onbewolkt en droog is, zal de uitstraling vooral s nachts groot zijn, waardoor de temperatuur daalt (mist, nachtvorst, vorst aan de grond). Indien de hoeveelheid straling die het aardoppervlak bereikt, groter is dan de hoeveelheid langgolvige straling vanaf de aarde, zal de temperatuur aan het aardoppervlak toenemen. Dit komt, behalve door de zonnestraling, ook af en toe 's nachts voor als relatief warme wolkenvelden het land binnendrijven en dan een voldoende grote tegenstraling leveren.  Als gevolg van de toename van een aantal stoffen in de atmosfeer die wel de kortgolvige zonnestralen doorlaten, maar niet de langgolvige warmte van de aarde, stijgt de temperatuur aan het aardoppervlak. Er is hier sprake van een versterking van het broeikaseffect.

Stralingsdauw:

Vorm van dauw. Afzetsel van water op voorwerpen waarvan het oppervlak, in het algemeen door nachtelijke uitstraling, voldoende is afgekoeld om rechtstreekse condensatie van waterdamp uit de omringende lucht te veroorzaken.

Stralingsintensiteit:

In de meteorologie wordt de hoeveelheid gemeten zonne-energie (kortgolvige straling) per oppervlakte-eenheid de globale straling genoemd.
De stralingsintensiteit is de globale straling per tijdseenheid. De hoeveelheid straling wordt gemeten met een pyranometer en uitgedrukt in Joules/cm2. De gemeten stralingsintensiteit zegt iets over de toestand van de atmosfeer. Aan de (witte) bovenkant van bewolking wordt veel van de zonnestraling direct weer de ruimte in teruggekaatst. Bij veel bewolking wordt daarom weinig straling gemeten, bij een wolken loze hemel veel.

Stralingsmeter:

Zie pyranometer.

Stralingsmist:

Mist, ontstaan door uitstraling van het aardoppervlak. Dit wordt dan kouder. De eropliggende luchtlaag koelt mede af, waarbij het dauwpunt bereikt kan worden.

Stralingsnacht:

Nacht met weinig bewolking. Het aardoppervlak kan dan veel energie uitstralen, zonder dat die door bewolking wordt tegengehouden en teruggestraald. Aan de grond kan het bij weinig wind flink afkoelen, met onder meer als mogelijk gevolg de vorming van mist. Temperaturen aan de grond van 5°C of meer beneden de huttemperatuur komen voor. Wanneer de temperatuur op waarnemingshoogte boven het vriespunt is, terwijl deze aan de grond onder nul is, wordt gesproken van vorst aan de grond.

Stralingsrijp:

Vorm van rijp. Een ijsafzetting, doorgaans in de vorm van schubben, naalden, veren of waaiers, dat zich vormt op voorwerpen waarvan het oppervlak, in het algemeen door nachtelijke uitstraling, voldoende is afgekoeld om de rechtstreekse sublimatie van waterdamp uit de omringende lucht te veroorzaken.

Stratiforme bewolking: (stratiform = gelaagd)

Egaal aaneengesloten gelaagd wolkendek, zonder structuur, van de geslachten stratus, altostratus en cirrostratus. Als stratiforme bewolking geen ijskristallen bevat, zal er in het algemeen geen of weinig neerslag uit vallen. Bereikt de wolk een dusdanige verticale ontwikkeling en hoogte dat er
wel ijskristallen ontstaan, dan kan de neerslag een grotere intensiteit hebben. In stratiforme bewolking zijn de wolkenelementen meestal klein.
De onderkoelde druppeltjes zullen slechts tot relatief lage hoogten voorkomen, omdat de stijgsnelheden in de wolk betrekkelijk gering zijn,
doorgaans slechts enkele centimeters per seconde.

Stratiformis:

Wolkensoort. Een aaneengesloten laag van de wolkengeslachten altocumulus, stratocumulus en soms cirrocumulus, lijkend op een grote en egale wolkendeken. Er zijn nauwelijks opbollingen waar te nemen.

Stratocumulus:

Behoort tot de familie van de lage wolken. Grijze of witachtige wolkenbank of wolkenlaag, waarin bijna altijd donkere gedeelten voorkomen;
de bank of laag lijkt op een tegelvloer of is samengesteld uit ballen, rollen, enz., die niet vezelachtig zijn (afgezien van virga) en die met elkaar versmolten kunen zijn. De meeste regelmatig gerangschikte, kleine elementen hebben een schijnbare afmeting van meer dan vijf graden.
Dit type wolken behoort tot de 'lage wolken' en bestaat uit waterdruppeltjes. (Wolkenatlas Stratocumulus)

Stratopauze:

De bovenste begrenzing van de stratosfeer op een hoogte van ca. 50 km. Het vormt de fictieve scheidingslijn tussen de stratosfeer en de mesosfeer. Ter hoogte van de stratopauze worden temperaturen waargenomen in dezelfde ordegrootte als deze aan het aardoppervlak of zelfs nog iets hoger.

Stratosfeer:

De luchtlaag die zich uitstrekt vanaf 12 km tot 40 km hoogte en dus begrenst is door de tropopauze en de stratopauze.. Kenmerkend voor de stratosfeer is de ozonlaag (tussen de 25 en 35 km hoogte) die de schadelijke UV-C-straling van de zon tegenhoudt. Ook een typisch kenmerk voor deze luchtlaag is de temperatuurstoename (van -50°C tot +20°C) bij grotere hoogte.

Stratus:

Behoort tot de familie van de lage wolken. Een over het algemeen grijze wolkenlaag met een tamelijk egale onderzijde waaruit motregen, sneeuw of motsneeuw kan vallen. Als de zon door de wolken heen is te zien, is zijn omtrek duidelijk zichtbaar. In Stratus onstaan geen haloverschijnselen, behalve soms bij zeer lage temperaturen. Stratus kan zich ook in de vorm van flarden voordoen. Stratus bestaat gewoonlijk uit waterdruppeltjes en
bij hevige koude ook uit ijsdeeltjes. (Wolkenatlas Stratus)

Strenge vorst:

Er is sprake van strenge vorst indien de minimumtemperatuur tussen -10°C en -15°C ligt.

Strijklengte:

Onder de strijklengte verstaan we de afstand die lucht aflegt boven land of water om warmte en/of vocht op te nemen en zodoende (sneeuw)buien
te kunnen veroorzaken in de gebieden die, gezien in de stromingsrichting van de lucht, achter het water of land liggen.

Strooilichtmeter:

Instrument waarmee het zicht kan worden gemeten. Net als bij de transmissometer wordt, de doorlatendheid van de lucht tussen een lichtbron en een lichtgevoelige cel gemeten. Bij strooilichtmeters wordt echter de uitdoving door meting van zijdelingse lichtverstrooiing bepaald. Vooral op vliegvelden worden zichtmeters gebruikt. Naast het door de waarnemer geschatte zicht op het waarnemingspunt wordt vaak nog per landingsbaan een gemeten zicht vermeld. Deze landingsbaan kan zich immers op flinke afstand van het waarnemingspunt bevinden.

Stuifmeel:

In het voorjaar produceren bloeiende grassen en bomen, zoals dennen, berken, sparren bij warm en zonnig weer en een lage luchtvochtigheid veel stuifmeel, dat vervolgens over afstanden van soms honderden kilometers door de wind wordt verspreid. Het stuifmeel, dat vaak wordt aangezien voor zand of saharastof, is vooral goed zichtbaar op tuinmeubilair en auto's. Stuifmeel kan, voor wie er allergisch voor is, bij inademing aanleiding geven
tot hooikoortsverschijnselen, zoals niezen of tranende ogen.

Sturing:

De invloed van de stroming op grote hoogte in de atmosfeer op de koers die de hogedrukgebieden en de lagedrukgebieden volgen. Een weerkaart waarop deze (verwachte) koers staat aangegeven, heet een sturingskaart.

Stuwingsregen:

Regen die ontstaat doordat vochtige lucht gedwongen is te stijgen tegen de loefzijde van een berg. De warme lucht koelt daarbij af, zodat het dauwpunt bereikt wordt. Wolkenvorming en uiteindelijk neerslag zijn het gevolg. De andere kant van de berg, de lijzijde, zal, doordat de lucht weer kan dalen en dus opgewarmd wordt, droger zijn. Men spreekt hier ook wel van het gebied in de regenschaduw.

Stuwingsneerslag:

Neerslag die valt doordat de lucht gedwongen wordt tegen een gebergte op te stijgen. Er ontstaat een overvloedige neerslag die soms dagenlang aanhoudt.

Sublimeren:

Is de directe overgang van gasvormige toestand naar vaste toestand, zonder dat de vloeibare toestand wordt bereikt.

Subboreaal:

Deel van het Holoceen, dat ong. 3000 v. Chr. begon en ruim 1000 jaar duurde. Er heerste in deze streken toen een vrij droog klimaat. Vanuit het zuiden drong de beuk onze streken binnen en de zee trok later vrijwel overal terug.

Subpolaire streken:

Gebieden tussen de poolstreken en de gematigde luchtstreken.

Subpolair minimum:

Lagedrukgebied dat ontstaat doordat lucht uit de subtropen die richting polen beweegt, als het ware in botsing komt met luchtstromen vanuit de polen. De tussen 40 en 60°NB en ZB bij elkaar komende lucht wordt gedwongen naar omhoog te stromen, waardoor aan het aardoppervlak een
lage druk ontstaat. Doordat er sprake is van het bij elkaar komen van warme lucht uit de subtropen en koude lucht vanuit de polen ontstaat er een complex druksysteem, waarin frontale depressies voorkomen. Zie voor de schematische weergave het polair maximum.

Subsidentie:

Subsidentie is het proces van grootschalig dalende luchtbewegingen in een hogedrukgebied. De subsidentie heeft in het algemeen een gunstige invloed op het weer. De dalende lucht wordt namelijk geleidelijk opgewarmd (met 1°C per 100 meter), waardoor eventueel in de lucht aanwezige wolkendruppeltjes verdampen, de bewolking dunner wordt of zelfs verdwijnt. Door de aanwarming kan de lucht op hogere niveaus warmer worden
dan de lucht direct daaronder, zodat een invesie ontstaat. Wanneer het hogedrukgebied waarin dit proces plaatsvindt langdurig op zijn plaats blijft,
zal de subsidentie doorgaan en zal dus ook de subsidentie-inversie steeds dichter bij het aardoppervlak komen. Omdat er bij een inversie geen uitwisseling meer is tussen de luchtlagen aan de onder- en bovenkant ervan, zullen vocht en stof in de onderste luchtlagen als het ware gevangen zitten.

Subsidentie-inversie:

Inversie die ontstaat ten gevolge van subsidentie. Door de adiabatische aanwarming kan de lucht op hogere niveaus warmer worden dan de lucht direct daaronder, zodat een inversie ontstaat. Wanneer het hogedrukgebied waarin dit proces plaatsvindt langdurig op zijn plaats blijft, zal de subsidentie doorgaan en zal dus ook de subsidentie-inversie steeds dichter bij het aardoppervlak komen. Omdat er bij een inversie geen uitwisseling meer is tussen de luchtlagen aan de onder- en bovenkant ervan, zullen vocht en stof in de onderste luchtlagen als het ware gevangen zitten. Subsidentie-inversies kunnen dan ook aanleiding geven tot ernstigeluchtvervuiling en smog. Dat is vooral het geval in de winter, wanneer lucht dicht
bij het aardoppervlak koud is. In sommige gevallen kan de subsidentie-inversie zelfs het aardoppervlak bereiken. De temperaturen stijgen dan plotseling, soms wel met 5 à 10°C, zonder dat daartoe een aanleiding aanwezig lijkt te zijn.

Subtropisch lucht:

Lucht, afkomstig uit de subtropen, het overgangsgebied tussen de tropen en de gematigde streken. Voor Europa is dat het Middellandsezeegebied. Elders tussen de 25° noorderbreedte en 25° zuiderbreedte.

Subtropisch klimaat:

Klimaat dat wordt gevonden in gebieden tussen het tropische en het gematigde klimaat. Het kenmerkt zich door warme zomers en zachte winters. Zie ook C-klimaat.

Subtropisch maximum:

Hogedrukgebied in de subtropen, dat ontstaat als gevolg van in dit gebied dalende lucht vanuit de tropen. De lucht die in de tropen opstijgt,
vloeit in een bovenstroom naar de polen weg, maar zal door de Coriolis-kracht afbuigen. De lucht zal dan op ongeveer 30° NB en ZB (de subtropen) een maximale afwijking gaan vertonen, waardoor een westelijke luchtstroom ontstaat. De constante aanvoer uit de tropen dwingt de lucht boven de subtropen tot dalen, waardoor aan het aardoppervlak een ophoping van lucht (een hoge druk) ontstaat. De belangrijkste gevolgen zijn: droogte en weinig wind.

Suction vortices:

Bij tornado's gebruiken we vooral Amerikaanse termen.In heel grote tornado's, en in Amerika kunnen ze doorsneden van meer dan 1 kilometer bereiken, zie je soms apart draaiende kolken, suction vortices genaamd. Die draaien aan de buitenkant van de tornado in de tornado mee.
Daar waar de windsnelheden van de kleinere vortex en de grote tornado meekoppelen, zijn zeer grote windsnelheden te bereiken. In Amerika zijn daarbij windsnelheden van meer dan 450 km per uur afgeleid uit onder andere filmopnamen.

Suestado:

Lokale wind in Argentinië. Het is een hevige zuidoostenstorm in de monding van de Rio de la Plata.

Sukhovey:

Lokale wind, die vooral in Kazachstan voorkomt. Het is een warme zuidoostelijke valwind met duidelijke föhneigenschappen. Maar aangezien de
wind ook nogal wat stof en zand bevat, zijn er ook kenmerken van de sirocco.

Sumatrans:

Lokale wind in Indonesië. Het is een zuidwestelijke valwind, die vanaf het eiland Sumatra naar de Straat van Malakka waait. De sumatrans heeft,
net als de south-easter in Zuid-Afrika, wel föhneigenschappen, maar kan niet echt als koude of als warme valwind aangemerkt worden.

Omho: Sun-glint

Reflectie van de zon op oppervlakken met een grote albedo, zoals rustige wateroppervlakken en sneeuw- en ijsvlakten. De sun-glint is soms zeer goed waar te nemen op de satellietfoto's vanuit de polaire weersatellieten, met name in de Middellandse Zee. De weerspiegeling van de zon in de lens levert vlekken op de foto's op, die behoorlijk hinderlijk kunnen zijn om een goed overzicht te krijgen van de bewolking in een groot gebied.

Supercel:

In sommige gevallen groeit een multicel uit tot een zware storm en evolueert uiteindelijk tot een supercel. Deze zeer krachtige stormen, die altijd hevig zijn, hebben bijna vertikaal uitgestrekte en zeer intense kernen met sterke stijgstromen. Ze zijn zo goed als altijd vergezeld van zeer frequente daalstromingen of microbursts, van grote hagelstenen (tot 2 cm diameter) en soms ook tornado's.

Superstorm:

Het kritisch niveau dat onze zeedijken aankunnen mag volgens de bestaande wettelijke normen eens in de 10.000 jaar worden bereikt.
De waterstand die bij een zware storm in combinatie met springvloed (de hoogste stand die het getij kan bereiken) mag volgens de vastgestelde
norm met een kans van 1 op 10.000 (0,01%) tegen de grenzen van een overstroming komen. Klimaatonderzoekers kunnen op grond van deze gegevens bij benadering berekenen bij welke windsnelheden dergelijke extreme waterstanden bereikt worden. Vertaald in wind zou in het huidige klimaat volgens modelberekeningen eens in de 10.000 jaar gemiddeld over 12 uur op een hoogte van ongeveer 2 kilometer een windsnelheid worden bereikt van 170 km/uur, een superstorm van orkaankracht die boven de Noordzee nog nooit gemeten is. Wordt het broeikaseffect erbij betrokken
dan zou de frequentie voor een gemiddelde wind van minstens 170 km/uur toenemen naar eens in de 1000 jaar. Eens in de 10.000 jaar wordt dan
een gemiddelde wind van zo’n 200 km/uur bereikt.

Symetrisch zadelgebied:

Zadelgebied waarin de invloed van de aanliggende lagedrukgebieden en hogedrukgebieden ongeveer even groot is.

Synodische maand:

Tijd die verstrijkt tussen twee nieuwe manen.

Synop:

Synoptisch is een samentrekking van synchroon (tegelijkertijd) en optisch. Het zijn waarnemingen die overal op de wereld op hetzelfde tijdstip en
op dezelfde manier worden verricht. De uitkomsten daarvan, die op weerkaarten worden verwerkt, zijn onderling vergelijkbaar. De synop is een codenaam voor een gecodeerd weerrapport van een synoptische waarneming van een weerstation boven land. De codenaam voor een synoptischer waarneming op zee is schip.

Synoptische meteorologie: (klassieke meteorologie)

Deel van de meteorologie dat er op is gericht om met behulp van o.m. de synoptische waarnemingen weersverwachtingen te maken. Het principe
van de synoptische meteorologie werd gelanceerd door Lavoisier en Lamarck in 1804. Zij stelden voor om gelijktijdig op een groot aantal waarnemingspunten een waarneming te doen van het weer. Via de zgn. starre schuifmethode, het op de weerkaart verplaatsen van het weer op een bepaalde plaats met de wind mee, konden dergelijke momentopnamen worden gebruikt voor een uitspraak over het toekomstige weer.

In 1857 vond Buys Ballot experimenteel een verband tussen luchtdrukverdeling en wind: de wet van Buys Ballot. Naderhand bleek dat de wet al eerder langs theoretische weg was gevonden door de Amerikaan Ferrel. In 1918/1919 introduceerden de Noor Bjerkness en de Zweed Bergeron de zgn. frontentheorie van de Noorse school, een werkwijze die nog steeds wordt gebruikt. Nadat Bergeron in 1935 nog had bijgedragen aan de meteorologie met zijn theorie over de neerslagvorming, bereikte de synoptische meteorologie in de veertiger en vijftiger jaren haar bloeiperiode.

Synoptische waarneming:

Overal op de wereld worden vergelijkbare waarnemingen op hetzelfde tijdstip en op dezelfde wijze verricht. Het woord synoptisch is een samentrekking van SYNchroon (= tegelijkertijd) en OPtisch. Elk synoptisch weerrapport bevat gegevens over een groot aantal weerelementen:
het zicht; de windrichting en -snelheid; de temperatuur; het dauwpunt; de luchtdruk; de neerslaghoeveelheid, -soort en -duur; het heersende weer;
en de bewolking (soort, hoogte en hoeveelheid). Kuststations en schepen voegen hier soms nog gegevens aan toe over zeegang en deining.
Voor een deel vinden de metingen automatisch plaats. Andere elementen kunnen echter niet automatisch verkregen worden en moeten dus van bemande stations worden betrokken. Het weerrapport waarin al deze gegevens door de waarnemer worden vastgelegd, heet een SYNOP of SHIP.