Meteorologische encyclopedie hoofdstuk T
 
TAF: (Terminal Aërodrome Forcast)
Naam van een internationale code. De TAF is een zgn. puntverwachting (betreft dus alleen de luchthaven zelf en de directe omgeving ervan) en
bevat voor de luchtvaart relevante gegevens. De TAF komt, voor wat betreft de code, sterk overeen met de METAR en is eveneens self evident.
De TAF’s worden met name gebruikt voor de vluchtplanning. Bij verwachte slechte weersomstandigheden op de doelluchthaven kan eventueel
worden uitgeweken naar een andere luchthaven. Ten behoeve van het Europese luchtverkeer wordt elke drie uur een TAF uitgegeven met een geldigheidsduur van 9 uur, de zgn. korte TAF. Ten behoeve van het intercontinentale luchtverkeer wordt vier maal daags een verwachting uitgegeven met een geldigheidsduur van 6 tot 24 uur. Deze laatste wordt de lange TAF genoemd. Klik hier voor uitgebreide beschrijving van de TAF code

Tegenzon:

Halo, die een enkele keer is waar te nemen. Er verschijnt dan tegenover de zon een (witte) tegenzon. Op 60° afstand van die tegenzonnen zijn eventueel weer één of meer bijtegenzonnen waar te nemen. In tegenstelling tot de bijzon is de bij tegenzon niet gekleurd.

Tehuantepecer:

Lokale wind aan de zuidkust van Mexico, genoemd naar de plaats Tehuantepec of de Golf van Tehuantepec. Het is een zeer krachtige noordelijke valwind, die zowel koud als warm kan zijn en die waait in de wintermaanden. De wind is een plaag voor de scheepvaart in de Golf, omdat hij zeer plotseling kan opsteken.

Temp:

Jargon voor een geplotte grafische voorstelling op een Θ s,p-diagram van temperatuur, dauwpunt, windrichting en windsnelheid in de atmosfeer loodrecht op het aardoppervlak. De gegevens zijn afkomstig van de oplating van een radiosonde.

Temperatuur:

Is een maat voor de kinetische energie die een voorwerp bezit. Hoe meer kinetische energie iets bezit, hoe hoger zijn temperatuur is.
Er zijn verschillende temperatuurschalen om te temperatuur van een voorwerp uit te drukken. Het nulpunt van de absolute temperatuurschaal ligt op het punt waar het voorwerp geen kinetische energie meer heeft.

De stand die een thermometer aangeeft is afhankelijk van de omgeving waar de temperatuur wordt gemeten. Vandaar dat reclamethermometers op uiteenlopende plaatsen bij winkels en bedrijven een verschillende waarde aangeven. Zeker als die instrumenten ook nog eens een deel van de dag door de zon worden beschenen kunnen grote afwijkingen optreden. De temperatuur die langs de weg in digitale cijfers wordt afgelezen kan dan ook verschillen van de temperatuur die door het KNMI wordt gemeten.

Op meteorologische stations wordt de temperatuur van de lucht volgens internationale afspraak gemeten in graden Celsius op een hoogte van anderhalve meter boven een open grasvlakte. De thermometer of de sensor, waarmee de temperatuur wordt waargenomen, staat in een wit kastje met wanden die de vorm hebben van een open jaloezie. Daardoor heeft de wind vrij spel, maar zon en neerslag kunnen niet tot de instrumenten doordringen.

De temperatuur die op deze wijze wordt gemeten wordt ook in de weerberichten gegeven. In een stedelijke omgeving kan de temperatuur vooral door de bebouwing en bestrating afwijken. Zo zal het daar in de regel warmer zijn dan op het platteland. Vooral op heldere avonden met weinig wind, wanneer het boven een grasvlakte sterk afkoelt, kunnen de temperatuurverschillen met de binnenstad groot worden. Ook in de buurt van wateroppervlakten, bossen, heide en zandvlakten kan het temperatuurverloop anders zijn dan bij een weiland.

Temperatuursgradiënt:

Het verschil in temperatuur of een welbepaalde afstand. Meestal wordt de vertikale temperatuursgradiënt bedoeld, in het Engels "lapse rate".
Deze wordt veel gebruikt om te bepalen of de atmosfeer stabiel, conditioneel stabiel of onstabiel is.

Temperatuursinversie:

Ontstaat veelal bij een sterke afkoeling van de onderste luchtlagen in een anticycloon waarbij de lucht daarboven merkelijk warmer is.
Vertikale luchtstromingen krijgen geen kans te ontstaan. Luchtvervuiling blijft hangen. Er is gevaar voor CO-vergiftiging (geen trek in de schouwen
van kachels). In de winterperiode meestal grijs weer. 
 
Temperatuurprofiel:

Grafische voorstelling van het verloop van de temperatuur in de atmosfeer, loodrecht op het aardoppervlak. Aan de hand van een temperatuurprofiel
op een Θ s,p-diagram kunnen diverse stabiliteitsberekeningen worden uitgevoerd.

Temperatuursom:

Zie cumulatieve temperatuur.
 
Temperatuurterm:
In weersverwachtingen gebruikte terminologie met betrekking tot de temperatuur. Het gebruik van termen als koud, vrij koud, zeer warm, e.d. is namelijk aan regels gebonden. De temperatuur op aarde neemt van de evenaar naar de polen af. Dit houdt verband met de duur van de dagelijkse instraling. Verder is de temperatuur afhankelijk van de volgende factoren:

1. De breedteligging.
2. De hoogteligging.
3. De gesteldheid van het aardoppervlak.
4. De aanvoer van kou of warmte van elders.
5. De ligging van gebergten.
 
TEMPO: (TEMPOrary - tijdelijk)

Wordt vooral gebruikt in de TAF en de TREND. De afkorting betekent, dat er in een aaneengesloten periode af en toe een bepaalde verandering in de weergesteldheid optreedt. De veranderende weerstoestand mag echter niet langer dan één uur per geval duren. Als dat wel het geval is, moet de term BECMG worden gebruikt.
 
 Term  Verschil Tmax en Tnormaal  Max. temp
 Zeer warm  +8 graden of meer  23°C en hoger
 Warm  +5 t/m +10 graden  20°C en hoger
 Vrij warm  +2 t/m +7 graden  20°C en hoger
 Zeer zacht  +8 graden of meer  19°C en lager
 Zacht  +5 t/m +10 graden  19°C en lager
 Vrij zacht  +2 t/m +7 graden  19°C en lager
 Koel  -2 t/m -7 graden  12°C en hoger
 Vrij koud  -2 t/m -7 graden  
 Koud  -5 t/m -10 graden  
 Zeer koud  -8 graden en kouder  
 
Tephigram:
Aërologisch diagram voor het uitvoeren van stabiliteitsberekeningen, voornamelijk in gebruik in Engelstalige landen. In afwijking van het in Nederland in gebruik zijnde Θ s,p-diagram, is in dit diagram de temperatuur tegen de entropie (een thermodynamische toestandsgrootheid afgezet. De overige hulplijnen zijn hiervan afgeleid. Dit diagram is energetisch. Dat wil zeggen dat gelijke oppervlakken op het diagram ook gelijke hoeveelheden energie vertegenwoordigen.

Terminologie:

Ten behoeve van de eenduidigheid wordt in weersverwachtingen zoveel mogelijk een vaste terminologie gebruikt. Wanneer verschillende
meteorologen eenzelfde beeld voor ogen hebben van de weersontwikkelingen, moeten zij dat op ongeveer dezelfde manier benoemen. Zo zijn er zonneschijntermen, bewolkingstermen, temperatuurtermen, plaatselijkheidstermen en kanstermen. Verder is er een vaste terminologie voor de hoeveelheid en intensiteit van neerslag, bijvoorbeeld af en toe regen (of sneeuw) of perioden met regen (of sneeuw). Ook het gebruik van termen als koud, vrij koud, zeer warm e.d. is aan regels gebonden. Zie hiervoor de temperatuurtermen.

Terre altos:

Lokale wind in Brazilië. Noordwestelijke valwind, die vanuit het binnenland in de buurt van Rio de Janeiro waait. De terre altos heeft föhneigenschappen, maar kan niet als koude of als warme valwind worden aangemerkt.

Θ s,p-diagram: (tèta-s,p-diagram of adiabatisch diagram)

In Nederland veel gebruikt thermodynamisch diagram, o.m. voor het uitvoeren van stabiliteitsberekeningen. De s-lijnen (verticale lijnen) stellen adiabatische processen voor, de p (horizontale lijnen) staat voor de druk. Het diagram bevat tevens isothermen, die ongeveer diagonaal van
linksonder naar rechtsboven lopen. In het diagram is verder een mintralijn aangebracht. Met behulp van deze lijn kan, voornamelijk ten behoeve van
de luchtvaart, het niveau worden berekend waarop condenstatiesporen van vliegtuigen (zgn. contrails) op kunnen treden. De berekeningen met
behulp van dit diagram zijn redelijk eenvoudig. Het diagram is niet geheel energetisch, maar de afwijkingen zijn niet groot.
Uit het diagram kan ook nog een Gold-temperatuur worden berekend.

Theodoliet:

Instrument voor het meten van hoeken. In de meteorologie wordt dit gebruikt om met behulp van een wolkenlicht de wolkenhoogte te bepalen.

Thermiek:

Verticaal opstijgende luchtbewegingen onder invloed van door de zon opgewarmde lucht boven een vlak terrein. Zweefvliegers maken daar gebruik
van en gaan op zoek naar kleine plekjes waar de lucht met flinke snelheid. De stijgsnelheden liggen tussen 1 en 5 meter per seconde of iets meer.
In bergachtig terrein makt de zweefvlieger vaak gebruik van door het reliëf veroorzaakte helling- en stijgwinden. Stijgende luchtstromingen kunnen tot condensatie leiden waardoor stapelwolken ontstaan, natte thermiek genaamd. Wolken helpen de zweefvlieger bij het vinden van thermiek.
Als er ondanks de stijgende luchtstromingen geen wolken ontstaan wordt dat droge thermiek genoemd.

Thermiekwolk:

Stapelwolk (cumulus) die ontstaat bij thermiek. Met name in de zweefvliegerij wordt dankbaar gebruik gemaakt van de thermiek. Daar waar deze stapelwolken worden waargenomen, is ook thermiek aanwezig. Door van wolk naar wolk te springen kunnen vaak zeer grote afstanden worden afgelegd.

Thermisch:

Door middel van warmte.

Thermische wind:

Theoretische windcomponent. Het is de verticale windschering van de geostrofische wind in een bepaalde luchtlaag op een bepaalde plaats.
Het begrip thermische wind is ingevoerd, omdat de windschering in een luchtlaag wordt bepaald door de advectie van de temperatuur in die laag.
Bij advectie van warme lucht ruimt de wind met de hoogte, bij advectie van koude lucht treedt juist een krimpen van de wind met de hoogte op.

Thermisch hogedrukgebied:

Een hogedrukgebied dat ontstaat als gevolg van de koude van de lucht. De koude lucht heeft een relatief hogere dichtheid, is daardoor zwaarder en zal dus dalen. De lucht zal langs de bodem wegstromen, terwijl om dit te compenseren vanuit de bovenlaag lucht naar de bodem toe stroomt. Thermische hogedrukgebieden ontstaan vooral in het gebied van de polen (polair maximum), maar ze kunnen ook ontstaan in de winter boven uitgestrekte landoppervlakken, zoals Siberië en Canada, wanneer de lucht bij het aardoppervlak sterk afkoelt.

Thermisch lagedrukgebied (warmtelagedrukgebied)

Lagedrukgebied dat ontstaat als gevolg van sterke plaatselijke verwarming van de lucht. Thermische lagedrukgebieden ontstaan vaak op eilanden, schiereilanden of in kustgebieden.Het land wordt door de zonnestraling verwarmd, waardoor het daar veel warmer wordt dan het wateroppervlak.
Het proces is vrijwel gelijk aan het ontstaan van zeewind. De warmere en dus ook lichtere lucht boven land stijgt op en stroomt in de bovenlucht zijdelings weg. Aan het aardoppervlak daalt deluchtdruk en ontstaat er een stroming vanuit zee naar het land, waar deze gaat convergeren.
Verder speelt zich dit proces op grote schaal af in de tropen, waar de instraling van de zon maximaal is. De opgestegen lucht zal op grote hoogte
van de evenaar wegstromen, zodat aan de bodem een relatief tekort ontstaat: een lagedrukzone. Uit de bijbehorende luchtstromingen ontstaan de passaten. De stijgende lucht zal, als zij voldoende vochtig is, tot hevige (tropische) regens kunnen leiden (stijgingsregens). Omdat de opwarming
van de lucht aan de evenaar het hele jaar doorgaat, heerst er in de tropen constant een lage druk.
 
Thermograaf:
Een thermograaf is een instrument dat de temperatuur registreert door middel van het optekenen van de gegevens op een papieren rol, die op een trommel vastzit. In de trommel bevindt zich een mechanisme dat ervoor zorgt dat één omwenteling van de trommel één
week duurt.Het voornaamste onderdeel van deze thermograaf is een platte buis gebogen in een ronde vorm, die met alcohol is gevuld. Bij een temperatuur stijging zal deze buis zich
min of meer willen uitzetten, dit omdat ze een grotere inhoud krijgt door de uitzetting van de alcohol. De buis staat weer in verbinding door middel van een stelsel van hefbomen met een wijzer. Deze wijzer geeft dan de veranderingen van het weer aan op de papieren rol.

Op de papieren rol zijn horizontale lijnen aangebracht, die de dag en de uur indeling weergeven. Ook zijn er verticale lijnen aangebracht en op deze lijnen staat de temperatuur aangegeven van -30 tot +60 °C. Zo kan men vervolgens van deze papieren rol aflezen hoe hoog de temperatuur op ieder tijdstip van de week is geweest.
 
Thermograaf Foto: trends@presents
 
Thermoklien:
Hiermee bedoeld men de scheiding tussen een laag warm water en een laag koud water in de oceaan.

Thermometer:

De thermometer is eind 16e eeuw in Italië uitgevonden door Galileo Galilei. Het duurde ruim een eeuw voordat een goede schaalverdeling werd ingevoerd. De thermometers waren eerst gevuld met water en later met alcohol en werden toen nog aangeduid als thermoscoop. Die instrumenten waren niet zo betrouwbaar. Gabriël Fahrenheit (1686-1736) maakte indertijd in Amsterdam de eerste betrouwbare thermometers ter wereld.
Hij gebruikte kwik en de glazen buis sloot hij aan de bovenkant af, zodat zijn thermometer niet reageerde op luchtdrukveranderingen. Getallen met een minteken waren in zijn tijd ongebruikelijk en daarom zette hij 0° bij de laagste temperatuur die hij bereikte in een mengsel van ijs, zout en salmiak. Het vriespunt en kookpunt van water zijn de andere vaste punten van de Fahrenheit-schaal.

De Zweedse natuurkundige Anders Celsius (1701-1741) zette op zijn thermometer 0° bij het kookpunt en 100° bij het vriespunt van water.
Zijn opvolger, de Zweedse astronoom Strömer, draaide de getallen om en plaatste 0° bij het vriespunt en 100° het kookpunt van water.
Om verwarring te voorkomen is men die verdeling de schaal van Celsius blijven noemen.

Thermometerhut:

Een (meestal) houten goed geventileerde hut, wit geschilderd, gebruikt om de meteorologische instrumenten (o.a. thermometers) af te schermen
van directe zonnestraling. De hoogte van de thermometerhut is 1,50 meter boven kort geknipt gras.

Thermosfeer:

Luchtlaag boven de mesosfeer, dus boven de 80 km hoogte.

Tienminutengemiddelde:

In de SYNOP wordt volgens internationale afspraak zowel voor de windrichting als voor de windsnelheid een tienminutengemiddelde gepresenteerd. Daartoe worden de gemiddelden van de beide grootheden bepaald over de periode van tien minuten direct voorafgaande aan het waarnemingstijdstip. Tegenwoordig wordt daarbij veelvuldig gebruik gemaakt van continu registrerende schrijvers. De penregistraties op papieren stroken zijn relatief eenvoudig af te lezen en te middelen.

Tijdrekening:

Voor de huidige tijdrekening is de aarde verdeeld in 24 zones, waarin UT (Universal Time of wereldtijd) als standaardtijd geldt. Men gebruikt van
UTC (Coordinated Universal Time), een op de atoomklok gebaseerde tijdschaal die zo goed mogelijk de Universal Time volgt. Deze tijd wordt ook gebruikt in de meteorologische berichtgeving en is in de meeste landen de bais van de wettelijke/burgerlijke tijd. Nederland en het grootste deel van Europa liggen in de zone waarin het een uur later is dan in Greenwich, de Middeneuropese Tijd (MET).
Als bij ons de zomertijd geldt is dat UT + 2 uur.

Toegepaste klimatologie:

Deze tak van de klimatologie wordt uitgeoefend voor zeer bepaalde doeleinden. De door de klassieke klimatologie gerangschikte gegevens worden hierbij met een operationeel oogmerk geanalyseerd, of verder bewerkt. Dit operationele oogmerk kan zijn: elke onderneming op industrieel, landbouwkundig, technologisch of militair gebied. De voornaamste toepassingen zijn:

1. De landbouw. Hierbij wordt voornamelijk beschouwd welke gewassen in welk jaargetijde op welke plaats kunnen worden verbouwd.
2. Het verkeer: scheepvaart, luchtvaart, begaanbaarheid van wateren landwegen. De luchtvaartklimatologie bijvoorbeeld, beschrijft meteorologische
    grootheden die het vliegverkeer kunnen beïnvloeden zoals zicht, wolkenbasis en bovenwinden.
3. De gezondheidszorg. De op grond van het klimaat meest geschikte plaats voor sanatoria e.d.
4. Waterstaat. Hoogte van dijken in verband met stormvloeden, sterkte van stuwdammen in verband met hoeveelheid neerslag.
5. Stadsplanning. Vaststellen van de meest geschikte plaats voor scholen, sportterreinen e.d., afhankelijk van de ligging van de schadelijke
    stoffen producerende industrieën.

Toendra-klimaat:

Zie E-klimaat.

Toestandskromme:

Kromme, die in het waarnemingspunt de verandering van de temperatuur van de lucht aangeeft met de hoogte.
 
  Tornado:
Een tornado is de benaming voor een zware windhoos, een wervelwind (een snel draaiende kolom lucht) die
als trechtervormige slurf onder een buienwolk zichtbaar is. Tornado's zijn gevaarlijk, vooral door hun enorme kracht en de hevige wervelingen om een verticale as. Het gebied met hoge windsnelheden, meestal tussen
120 en 250 km/uur en soms meer dan 400 km/uur, is doorgaans kleiner dan een kilometer. De lucht stijgt dan snel op, waardoor wolken ontstaan tot soms meer dan vijftien kilometer hoog. Bij sommige buien wordt de
lucht zo sterk omhoog worden gezogen dat de luchtdruk bij de grond sterk daalt. De lucht uit de omgeving stroomt daar in een spiraalvorm naar toe. Zo ontstaat de zichtbare slurf die het aardoppervlak kan bereiken.
De schade die tornado's veroorzaken hangt niet alleen samen met de sterke wind maar ook met ronvliegende objecten.

Tornado's komen vooral in het centrale deel van Verenigde Staten voor, gemiddeld zo'n duizend per jaar.
De meeste zijn niet sterk, maar sommige wel. Vooral de Tornado Alley, van midden-Texas tot het oosten van Nebraska en Iowa heeft er last van, voornamelijk in april, mei en juni. Vochtige warme lucht stroomt vanuit de Golf van Mexico noordwaarts en komt in Tornado Alley in aanraking met droge woestijnlucht uit Mexico en koude lucht uit Canada. (Lees meer over tornados)
 
Tornado-warning:

Deze wordt uitgegeven zodra er een snel roterende luchtbeweging in de bui wordt gedetecteerd door de radar of als er daadwerkelijk een slurf is waargenomen.
 
Tornado-watch:
Voorwaarschuwing van een tornado-warning. Een watch wordt meestal halverwege de middag uitgegeven en is geldig voor de avond.
In principe wordt hier een gebied aangegeven waar mogelijk onweersbuien met tornado-gevaar ontstaan.  

Totale bedekkingsgraad:

Gedeelte van de hemel koepel dat onzichtbaar is geworden ten gevolge van alle aanwezige wolken.

Touch down:

De feitelijke uitbreiding van de rotatie in de buienwolk naar beneden tot op het aardoppervlak. Meestal herken je een touch-down aan het opwervelen van sof/gruis/puin vanaf de grond.

Totaliteitszone:

Het gebied waar een zonsverduistering totaal is.

Trajectorie:

Route die luchtdeeltjes in de atmosfeer afleggen onder invloed van de wind, in feite trajecten in de atmosfeer, waarlangs lucht en verontreiniging zich verplaatst. De routes worden berekend met behulp van een trajectoriënmodel. Met computers wordt nauwkeurig uitgerekend welke weg de bewegende lucht door de atmosfeer heeft afgelegd. Die berekeningen kunnen voor iedere plaats op aarde voor verschillende hoogtes in de lucht worden uitgevoerd. Het trajectoriënmodel van het KNMI is in de jaren zeventig van de vorige eeuw ontwikkeld en heeft sindsdien tal van verbeteringen en uitbreidingen ondergaan.

Tramontane:

Een wind uit noordwestelijke sector die over het Languedoc en de Roussillon waait. Hier worden er twee types onderscheiden: verbonden aan een polaire invasie: wanneer er zich boven de Golf van Genua een laag bevindt tezamen met een doordringing van het hoog van de Azoren boven het
ZW van Frankrijk. Ten zuiden van de Cevennes en Corbieres is de hemel wolkenloos terwijl het vaak betrokken en regenachtig is boven het ZW
van Frankrijk. De Tramontane is een hevige, droge en koude wind die met windstoten waait. De Tramontane komt elk seizoen voor. Zoals de mistral vertoont hij een zeer uitgesproken dagelijkse schommeling in intensiteit. De Tramontane verbonden aan een laag met centrum boven het westelijk Middellands Zeegebied (tussen de Golf van Lyon en de Balearen): dit type van Tramontane ligt aan de oorzaak van een trage verbetering van het
weer verbonden aan een voortgaande verdwijning van het lagedrukcentrum gelegen boven de Middellandse Zee. Vooraf houdt het slecht weer aan
met een krachtige wind, vooral in de streek van Perpignan. Over het algemeen waaien de Tramontane en de mistral samen.

Tranlicidus: (Doorschijnend, als door matglas)

Wolkenvariëteit van de wolkengeslachten altocumulus, altostratus, stratocumulus en stratus. Het zijn wolken in uitgestrekte velden, maar voor het grootste deel zijn ze enigszins doorschijnend zodat men de zon nog net kan zien. Als dit niet meer mogelijk is heet de wolkenvariëteit opacus.

Transmissometer:

Toestel om de transmissiviteit (doorlaatbaarheid of transparantie) van de atmosfeer te meten tussen twee punten op een bepaalde afstand van
elkaar. Wordt gebruikt om de horizontale zichtbaarheid te meten. Men werkt met behulp van een zender en een ontvanger die 12 tot 80 meter uit elkaar staan en zijn opgesteld op een hoogte van 2,5 meter. De zender beschikt over een Xenon lamp die iedere seconde een lichtpuls naar de ontvanger stuurt. Onderweg kunnen zich deeltjes in de lucht bevinden die het licht reflecteren en absorberen, maar ook verstrooien. Het resultaat
zal zijn dat er in dit geval door de ontvanger minder licht wordt gemeten dan er aanvankelijk uitgezonden werd.

Transportkou:

Een koude lucht, die met krachtige winden vanuit het vaste land van Rusland of Siberië geheel over land naar onze omgeving wordt aangevoerd,
wordt ook wel transportkou genoemd. Onder dergelijke weersomstandigheden wordt het 's winters in ons land in korte tijd bijzonder koud en kan het overdag ook bij zonnig weer matig en in extreme situaties zelfs streng blijven vriezen. Door de krachtige wind (windchill) is het voor het gevoel nog een stuk kouder dan de thermometer aangeeft en bij zeer lage temperaturen bestaat zelfs gevaar voor bevriezing van onbedekte delen van de huid.

De laatste keer was dat op 25 en 26 januari 1996 en tijdens de jaarwisseling 1996/1997 het geval toen de temperatuur in De Bilt voor het gevoel tussen -17 en -20°C lag. In het noorden en oosten lag de gevoelstemperatuur rond -25°C. Nog kouder was het op 14 en 15 januari 1987, toen het overdag 10 tot 13°C vroor bij een krachtige tot stormachtige oostenwind. De gevoelstemperaturen lagen toen ruim 30° tot 33°C onder nul. Op oudejaarsdag 1978 deed zich in ons land een vergelijke situatie: middagtemperaturen van 10 tot 15°C onder nul en een harde tot stormachtige wind. Bovendien werd het openbare leven die dag ontwricht door sneeuw.

Extreme doordringende kou kwam in De Bilt in deze eeuw op 12 dagen voor, maar in deze eeuw doet zich gemiddeld eens in de twee jaar een situatie voor waarbij de gevoelstemperatuur door de wind overdag meer dan 10°C onder nul ligt. Sinds de strenge winter van 1963 is dat echter maar op 4 dagen voorgekomen.Voorwaarde voor een dergelijke situatie is de aanwezigheid van een zeer krachtig hogedrukgebied boven Noord-Rusland
of Siberië tegenover lage luchtdruk boven Zuid-Europa. De drukverschillen zijn dan boven het Europese continent heel groot, waardoor over een omvangrijk gebied een krachtige oostelijke wind waait. Kleine storingen kunnen in onze omgeving de wind tijdelijk nog verder doen toenemen en soms, zoals eind 1978, aanleiding geven tot uitgebreide sneeuwval.

Trekhoog:

Zwakke rug van hogedruk tussen twee achtereenvolgende lagedrukgebieden. Een tregrug brengt vaak een tijdelijke weersverbetering met zich mee. De wind valt weg en het klaart op. De nachtelijke uitstraling zal groot zijn, dus er is kans op vorst. Vaak ontstaat er ook mist.

Treksnelheid:

Snelheid waarmee een weersysteem zich verplaatst. In sommige gevallen wordt de treksnelheid verward met de windsnelheid, met name bij een tropische cycloon. De treksnelheid daarvan ligt doorgaans in de orde van 20 tot 30 km per uur, terwijl in de cycloon zelf windsnelheden voorkomen van ca. 200 km per uur. De bewering dat een tropische cycloon met zo'n 200 km per uur over een bepaald gebied zou razen is dus niet waar.

TREND:

Codenaam van een korte-termijn-landingsvewachting, die wordt toegevoegd aan een METAR of een SPECI. De TREND is een verwachting in
verkorte vorm van zicht, wolkenbasis, en significant weer, geldig voor twee uren volgend op het tijdstip van waarneming van de bijbehorende METAR

Trog:

Gedeelte van een lagedrukgebied waar de luchtdruk langs de as gemeten, groter is dan de luchtdruk aan weerszijden van die as. De lucht in een trog is onstabiel van opbouw en gaat vaak samen met een buiig weertype. Zie ook vore.

Tropen:

Warme gebieden aan weerszijden van de evenaar. De tropische gordel ligt tussen de keerkringen, denkbeeldige cirkels over de aarde evenwijdig
aan de evenaar op 23,5 graden Noorderbreedte en 23,5 graden Zuiderbreedte. In dit gebied heerst een tropisch klimaat met een droge en een natte periode. De natte tijd doet zich gewoonlijk voor als de zon zijn hoogste punt bereikt. De instraling door de zon is hier groter dan het verlies van energie door de nachtelijke uitstraling, zodat het hier heel warm is.

Tropische cycloon:

Een storm wordt orkaan genoemd als de wind gemiddeld over tien minuten een snelheid bereikt van meer dan 117 kilometer per uur. In sommige delen van de wereld wordt een orkaan aangeduid als tropische orkaan (hurricane) of tropische cycloon. In tegenstelling met een "gewone" orkaan is de tropische variant tot grote hoogte gevuld met warme lucht. Tropische cyclonen ontstaan boven het noordelijk halfrond in de zomer en het najaar. Voorwaarde is een zeewatertemperatuur van minstens 26 graden. De levensgeschiedenis van tropische stormen begint meestal boven zee en de verwoestende uitwerking is het grootst in kustgebieden en op eilanden. Zodra de cycloon landinwaarts koerst neemt het windgeweld meestal snel in kracht af, maar valt er wel vaak veel regen, soms meer dan 500 millimeter in een dag. Ex-tropische cyclonen worden, worden in hun eindfase vaak meegenomen door de westenwinden. Zodra de cycloonrestanten in de gematigde breedten boven minder warm oceaanwater terechtkomt, zwakken ze af en wordt het een "gewone" depressie.

Tropische dag:

Een dag waarop de maximumtemperatuur 30,0 graden of hoger is wordt in de meteorologie een tropische dag genoemd. Het grootste deel van ons land telt normaal (gemiddeld over het tijdvak 1971-2000) 2 tot 5 tropische dagen per jaar, het oosten van Limburg 6. In sommige jaren met warme zomers loopt dat aantal wel op tot meer dan 20 tropische dagen. Uit een vergelijking van de gegevens in de nieuwe Klimaatatlas van Nederland over het tijdvak 1971-2000 met de atlas over het tijdvak 1930-1961 blijkt dat het aantal tropische dagen op veel plaatsen in ons land met 1 of 2 dagen is toegenomen.

Tropische lucht:

(Tl) Maritiem tropische lucht (mTl) is een luchtsoort die haar oorsprong heeft boven het subtropische deel van de Atlantische Oceaan, in de
omgeving van de Azoren. Deze lucht, die het hele jaar in onze omgeving kan voorkomen, wordt aangevoerd met zuidwestenwinden. De lucht is meestal warme massa, maar kan in de zomer overdag ook koude massa zijn met als gevolg: stapelwolken en eventueel buien en ook onweer.
In de winter is de mTl daarentegen steeds bijzonder stabiel, met hogere temperaturen en vochtigheid dan in andere luchtsoorten. Het zicht is dan
ook slecht, en mist en motregen zijn veel voor komende verschijnselen. Continentaal tropische lucht (cTl) heeft haar oorsprong in het zuidoosten
van Europa en het noorden van Afrika. Ook deze luchtsoort kan onze omgeving het hele jaar bereiken, en wel als warme massa. Hoe wel deze lucht de warmste en droogste lucht is die in onze omgeving kan voorkomen, is het zicht slecht ten gevolge van het hoge stofgehalte (uit het Ruhr-gebied). De bewolking kan uit wat cumulus bestaan, die 's zomers in de namiddag verschijnt, wanneer de luchtsoort tot koude massa is getransformeerd. Voor wat de luchtsoort-indeling betreft: juist niet uit die streken afkomstig, maar uit de subtropen!

Tropisch klimaat:

Klimaat dat gevonden wordt in het gebied tussen de beide keerkringen. Kenmerkend zijn de hete zomers en warme winters.

Tropisch regenklimaat:

Zie A-klimaat.

Tropopauze:

De bovenste begrenzing van de troposfeer. Bevindt zich op een hoogte van circa 15 kilometer. Daarboven bevindt zich de stratosfeer.

Troposfeer:

De onderste laag van de atmosfeer waar vrijwel alle weersverschijnselen optreden. Boven de poolgebieden reikt de troposfeer tot ongeveer
8 kilometer hoogte, in ons land tot zo'n 10 kilometer hoogte en bij de evenaar tot 18 kilometer hoogte. In de troposfeer neemt de temperatuur af
met de hoogte, gemiddeld tussen ongeveer 0,6 en 1,0 graden per 100 meter stijging. De troposfeer bevat ongeveer 80% van de totale luchtmassa
van de hele atmosfeer. Aan de bovenzijde wordt de troposfeer begrensd door de dunne tropopauze die overgaat in de stratosfeer.

Tsjechië:

Tsjechië, dat tot 1993 deel uitmaakte van Tsjechoslowakije, is een heuvelachtig land in Centraal-Europa. Door de ligging heerst er een mengeling
van klimaten die onder invloed staat van het zachte, regenachtige weerbeeld van Atlantisch Europa, maar ook van hete zomers en strenge winters. De zomers zijn warm, maar regenachtig, de winters koud en nat, vooral in de hogere gebieden van het land waar de sneeuw vier maanden per jaar blijft liggen.

Tsunami:

Bij aardbevingen onder de oceanen kunnen golven ontstaan die zich met een snelheid van meer dan 500 km/uur voortplanten. In de oceaan is de
golf vele tientallen kilometers breed en slechts enkele centimeters hoog. Wanneer zo'n golf bij ondieper kustwater komt, kan hij tot enorme afmetingen groeien. Er ontstaat daardoor een ware vloedgolf van tientallen meter hoogte die tot enkele kilometers in het binnenland grote schade
kan aanrichten. Een dergelijke vloedgolf wordt een tsunami genoemd. Voordat een tsunami toeslaat, trekt het water zich eerst terug, waarbij soms - onwetend - van de lage waterstanden gebruik gemaakt wordt om te jutten. Tsunami's hebben in het verleden vele duizenden doden geëist en langs alle kusten van oceanen zijn er waarschuwingscentra. Zie ook impulsgolf.

Tuba: (Trechter, slurf)

Meteorologisch: windhoos, waterhoos, tornado. Bijkomende vorm van het wolkengeslacht cumulonimbus, soms te zien bij de cumulus.
Het zijn uitzakkende delen van de wolkenbasis in de vorm van een omgekeerde kegel. Een tuba geeft ook de wolk een dreigend aanzien.

Turbiditeitsfactor van Linke:

Bij een onbewolkte lucht bepaalt de turbiditeit (troebelheid) van de atmosfeer hoe sterk het zonlicht wordt verstrooid en gereflecteerd. Meer stof en waterdamp zorgen ervoor dat de directe straling afneemt (de zon brandt minder fel in een heiige of vochtige atmosfeer), terwijl de indirecte (diffuse) straling dan juist groter is.Een van de manieren om met behulp van een getal de troebelheid van de atmosfeer te beschrijven, is via de turbiditeitsfactor van Linke (TL). Voor een (hypothetische) volledig droge, stofvrije atmosfeer stelde hij de waarde van TL op 1. In de praktijk bevat de atmosfeer altijd waterdamp en stof en zal de waarde dus groter dan 1 zijn. Welke de waarde van TL precies is, hangt in de praktijk af van 3 factoren:

a. het weertype (in de drogere, en vaak ook schonere lucht achter een koufront is TL veelal lager).

b. De tijd van het jaar: in de wintermaanden en in maart zijn, omdat koudere lucht minder vocht kan bevatten, 
    de TL-waarden lager (vaak rond 2 a 3) dan in de zomer (4 tot 10).

c. De ligging van de stations. Aan de kust is de lucht vaak schoner dan in het binnenland (althans bij aanvoer over zee).
    Daardoor is aan de kust TL wat kleiner dan landinwaarts.

Turbulentie:

In de atmosfeer de benaming voor onregelmatig wervelende beweging van lucht. In een luchtstroming ontstaan wervels van verschillende grootte (variërend van enkele millimeters tot honderden meters) met draaiingsassen in verschillende richtingen. De rotatiesnelheid kan sterk uiteenlopen. Passagiers in een vliegtuig ondervinden soms last van turbulentie in een buienwolk. Turbulentie kan vooral op geringe hoogte gevaarlijk zijn voor
para-, ultralight en hanglidervliegers. Men onderscheidt mechanische turbulentie (wervels opgewekt door de bodemruwheid), schuifspanningsturbulentie in gebieden met grote verschillen in windrichting en windsnelheid over kleine afstanden en convectieve turbulentie in en rond bellen opstijgende warme lucht.

Turbulentiestratus:

Een vrij dunne stratuslaag, ontstaan ten gevolge van turbulentie onder een inversie. In de 'menglaag' zal warmtetransport van boven naar beneden plaatsvinden. Daardoor wordt het waterdampgehalte homogeen, de 'mengverhouding' de hele menglaag is dan overal even groot. Maar de laag is bovenin het koudst, dus daar zal de relatieve vochtigheid het grootst zijn. Bereikt die de 100% dan ontstaat er tegen de inversie aan stratus, in dit geval 'turbulentiestratus' genoemd.

Tweelingstormen:

We spreken van tweelingstormen als in een korte periode de ene storm de andere opvolgt. Uit onderzoek blijkt dat de kans op een volgende storm twee tot drie dagen na een storm groter is dan de kans op een enkele storm. Enkele voorbeelden hiervan: 16 tot 25 november 1928 (3 stormen in
een week); 21 tot 23 december 1954 (2 stormen in 3 dagen) en laatst nog tussen 25 en 31 december 1999 (2 stormen in een week).

Tyfoon:

Wervelstorm van verwoestende kracht in het zuidwestelijke deel van de noordelijke Stille Oceaan. De tyfonen koersen veelal in noordelijke richting naar de Filippijnen, China of Japan, waar veel schade wordt aangericht. Op de Filippijnen wordt een tyfoon ook wel taifoon of baguio genoemd.
n het Caribisch gebied, de Noord-Atlantische Oceaan en de Golf van Mexico noemt men zo'n wervelstorm een hurricane, in Australië een
Willy-Willie en in andere delen van de wereld gebruikt men gewoon de algemene benaming en wordt gesproken vaneen tropische cyclonen. Dergelijke stormen ontstaan in tropische gebieden boven oceanen met een zeewatertemperatuur van minstens 26 graden. Het seizoen voor
tropische wervelstormen duurt in de meeste landen vier of vijf maanden van halverwege de zomer tot het eind van de herfst.