Meteorologische encyclopedie hoofdstuk Z
 
Zacht:
Weerkundigen spreken van zacht wanneer de temperatuur boven het langjarig gemiddelde ligt. Het weer op een bepaalde dag wordt als zacht omschreven als de gemiddelde temperatuur zo'n 5 tot 10 graden hoger dan het gemiddelde van de vijfdaagse periode (pentade) waarin die dag valt. Bedraagt de afwijking 2 tot 7 graden dan wordt in de regel gesproken van vrij zacht weer, is het verschil meer dan 8 graden dan noemt men dat zeer zacht. De temperatuur moet echter wel onder de 20 graden liggen, de grenswaarde voor warm weer.

Zachte ruige rijp:

Broze ruige rijp, voornamelijk bestaande uit dunne ijsnaaldjes of ijsschubben.

Zadelgebied:

Een gebied dat zich bevindt op het kruispunt en tussen de invloeden van twee hogedrukgebieden en twee lagedrukgebieden, Een zadelgebeid kenmerkt zich altijd door een zeer rustig weerbeeld. Er wordt een drietal zadelgebeiden onderscheiden: het symmetrische zadelgebied,
het cyclonale zadelgebied en het anticyclonale zadelgebied.

Zandhoos: (stofhoos)

Kleine, meestal ongevaarlijke wervelwind, die soms boven sterk verhitte zandgronden te zien is. In tegenstelling tot de windhoos en de tornado, ontstaan ze niet in een wolk ten gevolge van grote onstabiliteit in de atmosfeer, maar aan het aardoppervlak. Het zijn in feite wervelende thermiekbellen, die een hoop zand en stof in de vorm van een slurf doen opwaaien. In Nederland zijn ze op een warme zomerdag nog al eens op de Veluwe waar te nemen. Op onze breedte zijn ze meestal niet hoger dan enkele meters, maar in de subtropische woestijnen kunnen zij zich ontwikkelen tot kortdurende zandstormen die zand en stof kilometers hoog doen opwervelen. De wind wordt ook wel dust devil genoemd.
Vanwege de plaatsgebondenheid kunnen ze als lokale winden worden beschouwd.

Zandstorm:

In kale droge gebieden kan de wind stof of zand doen opwaaien en tot grote hoogte in de atmosfeer brengen. In de woestijn komen zulke enorme stof- en zandstormen regelmatig voor, soms 20 tot 30 keer per jaar. De wind is in staat om grote hoeveelheden zand over grote afstand te verplaatsen. Wanneer het zand hoog in de atmosfeer komt kan het duizenden kilometers afleggen waarbij het onderweg door neerslag of de zwaartekracht geleidelijk uit de lucht verdwijnt. Het zand kan tot tien kilometer hoogte in de atmosfeer komen en kan het zicht aan de grond beperken tot minder dan vijftig meter. Stof- en zandstormen komen in veel gebieden vooral in het voorjaar voor, wanneer de temperatuurvariaties het grootst zijn. Elk land zijn eigen benaming: sharav in Israël, sirocco in Marokko, chili in Tunesië, ghibli in Lybië en khamsin in Egypte. In ons land komen heel soms zandverstuivingen voor.

Zandverstuiving:

Zandstormen die in de woestijn heel normaal zijn komen in Nederland niet voor maar wij hebben wel te maken met zandverstuivingen.
Vooral de veenkoloniën in Drenthe en Groningen hebben er soms last van. Hoewel de zandstormen in ons land veel bescheidener zijn dan in woestijngebieden, blijkt uit schattingen dat ook in Nederland jaarlijks miljarden kilo's veelal vruchtbare grond door de wind op transport gaan en voor de landbouw verloren zijn. Per tien jaar wordt de schade geschat op tientallen miljoenen euro's.

Z.B:

Zuiderbreedte, het equivalent van noorderbreedte.

Zee:

Zo'n 75% van het aardoppervlak wordt bedekt door zeeën. De aarde telt er drie: de Atlantische Oceaan, de Grote, Stille of Pacifische Oceaan en
de Indische Oceaan. Over de hele aarde is de matigende invloed van oceanen op het klimaat merkbaar, doordat water langzamer van temperatuur verandert dan land. Oceanen fungeren als brongebied voor maritieme luchtsoorten. Het KNMI stond aan de wieg van het oceanografisch onderzoek
in de wereld. Onderzoek naar de interactie tussen oceaan en atmosfeer en stromingen en golven is tegenwoordig een van de belangrijkste facetten van klimaatonderzoek.

Zeebeving:

Aardbeving waarvan het epicentrum op de bodem van een oceaan ligt. Wanneer daarbij de zeebodem plotseling in verticale zin een sterke
verandering ondergaat, wordt ook het zeeoppervlak sterk verstoord. Er breiden zich dan vanuit het epicentrum in alle richtingen golven uit,
die met grote snelheid over de oppervlakte van de oceaan lopen. Als deze golven de kust bereiken, kunnen brandingsgolven van tientallen meters hoogte ontstaan.

Zeebries:

Een bries in de kuststreken vooral tijdens de namiddag. De zeebries ontstaat doordat overdag het land sterk gaat opwarmen en de lucht daar gaat stijgen (lokaal lagedrukgebied). Deze wordt dan vervangen door koelere lucht van boven zee (lokaal hogedrukgebied).

Zeegang:

Golven op zee, als direct gevolg van de heersende wind. De hoogte, die een golf kan bereiken, hangt verder af van de diepte van het water.
Golven worden bijna nooit hoger dan 1/7 tot 1/10 van de waterdiepte. De afstand tussen twee golftoppen is de golflengte, uitgedrukt in meters.
Het tijdsverloop tussen het passeren van twee golfkammen bij een bepaald vast punt wordt golfperiode genoemd, uitgedrukt in seconden.
Bij voldoende waterdiepte en een voldoende lange periode met een heersende windsnelheid geldt het volgende overzicht (tabel links onder)
De zeegang is de toestand van de zee. De hoogte in meter is de gemiddelde hoogte van de hoogste, duidelijk afgetekende, golven van het beschouwde golfopppervlak. (tabel rechts onder)
 
 Gebruikte termen  Hoogte in meter
 Vlak, spiegelglad  0
 Vlak, licht kabbelend  0 tot 0,1
 Kabbelend, licht golvend  0,1 tot 0,5
 Golvend  0,5 tot 1,25
 Onstuimig  1,25 tot 2,5
 Aanschietende zee  2,5 tot 4
 Wilde zee  4 tot 6
 Hoge zee  6 tot 9
 Zeer hoge zee  9 tot 14
 Buitengewoon hoge en wilde zee  meer dan 14
 
 Windkracht in 
 Beaufort
 Te verwachten
 golfhoogte
in mtr
 Windkracht in
 Beaufort
 Te verwachten
 golfhoogte
in mtr
 0  -

 7

 4,0
 1  0,1  8  5,5
 2  0,2  9  7,0
 3  0,6  10  9,0
 4  1,0  11  11,5
 5  2,0  12  14,0
 6  3,0    
 
Zeeklimaat:
Klimaat dat wordt gekenmerkt door regenrijke en vrij zachte winters, vrij koele zomers, een geringe dagelijkse gang van de grondtemperatuur,
grote vochtigheid en een gemiddeld grote bedekkingsgraad van de bewolking. Dit klimaat wordt gevonden in gebieden die grenzen aan een zee of
een groot meer. Voorwaarde is dat onder de gemiddelde meteorologische omstandigheden de luchtaanvoer inderdaad doorgaans van zee komt. Voorbeelden van gebieden met een typisch zeeklimaat zijn Nederland en België. Onder invloed van de gemiddelde ligging van de grote druksystemen, hoge luchtdruk boven de Azoren en lage luchtdruk boven de noordelijke Atlantische Oceaan,
heeft Nederland gemiddeld met een stroming uit westzuidwest te maken, die zachte en vochtige lucht aanvoert.

Zeer dichte mist:

We spreken van zeer dichte mist als het horizontale zicht minder is dan 50 meter. Deze term kan voorkomen in de dagelijkse weerberichten
op radio en TV.

Zeer-korte-termijnverwachting: (nowcasting)

Een weersverwachting geldig voor de heel korte periode van 0 tot 3 uur vooruit. Deze verwachting zegt bijvoorbeeld iets over individuele onweerscomplexen, het tijdstip van het optrekken van mist, een nauwkeurige beschrijving van de passage van een front e.d. Typische hulpmiddelen voor dit doel zijn de laatst binnengekomen weerrapporten en radaren satellietinformatie. De inbreng van de meteoroloog in de zeer-korte-termijnverwachting is zeer groot.

Zeer koud:

Zeer koud is het volgens de terminologie van het KNMI als dat de maximumtemperatuur van een dag minstens 8 graden lager is dan het langjarig gemiddelde over het meest recente tijdvak van dertig jaar. Het begrip wordt in het dagelijks weerbericht alleen bij winterweer gebruikt. Klimatologisch is sprake van een zeer koud tijdvak, bijvoorbeeld een maand of seizoen, als het gemiddelde over dat tijdvak een plaats verovert in de top tien.

Zeer-lange-termijnverwachting:

Weersverwachting voor perioden langer dan 10 dagen vooruit. Deze verwachtingen hebben geen praktische waarde en zijn alleen van belang voor onderzoeksdoeleinden.

Zeer lichte sneeuw:

De sneeuwval bedraagt tot 0,5 mm per uur en het zicht is dan nog steeds 2 tot 4 km.
Zie ook intensiteit.

Zeerook:

Mist die ontstaat boven wateroppervlakken wanneer het koud is. Het relatief warmere water verdampt, de waterdamp koelt af door de lage luchttemperatuur en geraakt al snel volledig verzadigd. Het komt in alle seizoenen voor, behalve tijdens de zomerperiode.

Zeer strenge vorst:

Vorst betekent in de meteorologie dat de temperatuur op waanemingshoogte van anderhalve meter boven de grond onder het vriespunt komt. Wanneer de temperatuur lager is dan -15,0 graden is dat zeer strenge vorst.

Zeer warm:

Zeer warm weer houdt volgens de terminologie van het KNMI in dat de maximumtemperatuur van een dag minstens 8 graden hoger is dan het langjarig gemiddelde over het meest recente tijdvak van dertig jaar. Bovendien moet het maximum minstens 23 graden zijn. Klimatologisch is
sprake van een zeer warm tijdvak, bijvoorbeeld een maand of seizoen, als het gemiddelde over dat tijdvak een plaats verovert in de top tien.

Zeer zware regen:

Zie intensiteit.

Zeer zware sneeuw:

Zie intensiteit.

Zeer zware storm:

Benaming, zowel op land zee, van de windkracht 11 schaal van Beaufort.

Zeer zware windstoten:

In zeer zware windstoten bereikt de wind bij vlagen snelheden van meer dan 100 kilometer per uur. Dat is zeer gevaarlijk, zeker in het verkeer met name voor fietsers, bromfietsers, vrachtauto's, auto's met aanhanger en caravans. Die zijn al gauw een speelbal van de verraderlijke wind en kunnen gemakkelijk van de weg raken of omslaan. Slagregens of sneeuw kunnen de toestand op de weg nog gevaarlijker maken. Soms worden wegen, dijken en bruggen afgesloten voor auto's met aanhangers en caravans.

Zeespiegel:

Met de zeespiegel wordt het oppervlak van de zee bedoeld bij rustig weer maar het woord wordt meestal in verband gebruikt met de zeespiegelstijging. Veranderingen in de zeespiegel zijn het gevolg van veranderingen in de totale hoeveelheid water in de oceanen en in de dichtheid (en daarmee in het volume) van het aanwezige oceaanwater. De totale hoeveelheid zeewater neemt toe door het smelten van gletsjers en ijskappen en wijzigingen in rivierafvoer. De hoogte van de zeespiegel verandert ook door het krimpen of uitzetten van oceaanwater door een veranderingen in de temperatuur.

Zeespiegeldaling:

Daling van de hoogte van de zeespiegel. Deze hoogte wordt in Nederland uitgedrukt in NAP (Normaal Amsterdams Peil). Men maakt een onderscheid tussen een absolute zeespiegeldaling en een relatieve zeespiegeldaling. Bij een absolute daling daalt de zeespiegel daadwerkelijk, bijvoorbeeld omdat door extreme koude de polen aangroeien. Van een relatieve zeespiegeldaling is reeds sprake als het zeeniveau daalt ten
opzichte van het land.

Zeespiegelstijging:

Stijging van de hoogte van de zeespiegel. Deze hoogte wordt in Nederland uitgedrukt in Normaal Amsterdams Peil (NAP). Men kan een onderscheid maken tussen de absolute zeespiegelstijging en de relatieve zeespiegelstijging. Bij een absolute stijging stijgt de zeespiegel daadwerkelijk, bijvoorbeeld omdat het landijs of ijs op de polen smelt. Van een relatieve zeespiegelstijging is reeds sprake als het zeeniveau stijgt ten opzichte van het land. Door het broeikaseffect zou in de toekomst sprake kunnen zijn van een zeespiegelstijging.

Zeestroming:

Grote doorgaande beweging (verplaatsing) van het zeewater buiten de werking van het getij. De zeestromingen hebben een grote invloed op de klimaten. Onderscheiden worden warme en koude zeestromingen. Klimaten onder invloed van een warme zeestroming zijn doorgaans zacht en regenrijk. Koude zeestromingen veroorzaken vaak een koud en regenarm klimaat. Bekende zeestromingen zijn de Alaska-stroming, de Aleoetenstroming, de Californië-stroming, de Golfstroom en de Labradorstroming.

Zeestroom:

Waterstroom in de oceanen en zeeën. Zeestromen vormen in de oceanen uitgebreide patronen, zowel aan de oppervlakte als in de diepte. Er zijn verschillende vormen: Ten eerste is er de getijbeweging, die haar energie ontleent aan de aantrekkingskracht die door zon en maan op de aarde
wordt uitgeoefend (getijstromen). Ten tweede is er de stroming als gevolg van verschillen in waterdruk. Wanneer de waterdruk niet overal gelijk is,
dan zal de natuur trachten dat verschil door een compenserende stroming op te heffen. Verschillen in waterdruk kunnen ontstaan door dichtheidsverschillen tussen waterpakketten. Een derde vorm is de driftstroom, die een direct gevolg is van de wind. Tenslotte zijn
er nog compensatiestromen, die ontstaan als het water van een driftstroom tegen een kust wordt opgestuwd. Door de draaiing van de aarde volgen
de stromen soms andere routes dan men op grond van bovengenoemde oorzaken zou verwachten. De zeestromen hebben daardoor op het
noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links (Coriolis-kracht).
 
Zeevlam:
Warme lucht die over een koud wateroppervlak stroomt kan zodanig afkoelen dat zich mist vormt. Zo kan boven zee gemakkelijk mist ontstaan. Een zeewind, die op warme dagen in
het voorjaar of de voorzomer, wanneer de zee nog relatief koud is, vaak langs onze kust optreedt, kan die mist of lage wolken plotseling landinwaarts brengen. Dit tot groot ongenoegen van strandgangers die de zon dan plotseling zien verdwijnen terwijl de temperatuur soms met meer dan 10 graden in korte tijd daalt. Dat verschijnsel waarbij een zeewind, mist van zee landinwaarts transporteert, wordt van oudsher zeevlam genoemd.
Die benaming is waarschijnlijk afkomstig van zeelieden die de mistflarden tijdens poollicht boven zee heel goed konden waarnemen en dachten dat de zee in brand stond.
Men dacht vroeger dat de vanuit zee opkomende mist, die lijkt op rook van een brand
op zee, alle bloesems, bladeren en grasscheuten in het kustgebied zou verschroeien.

Zeewatertemperatuur:

Temperatuur van het oppervlaktewater in de zee. Deze grootheid is in de meteorologie van groot belang. De eigenschappen van lucht die over een groot wateroppervlak strijkt, worden in
 
Mistig IJmuiden (foto: Marco Peters)
 
 hoge mate door het wateroppervlak bepaald. Voor de bepaling van de oppervlaktetemperatuur van het zeewater wordt een puts (emmer), met een inhoud van 4 tot 6 liter, gevuld met ten minste 3 liter zeewater. De temperatuur wordt vervolgens zo snel mogelijk gemeten.

Zeewaterthermometer:

Instrument waarmee de oppervlaktetemperatuur van zeewater gemeten wordt. De zeewaterthermometer bestaat uit twee delen: de thermometer
zelf en een metalen huis met waterreservoir. De thermometer is een glasthermometer met in het capillair (= zeer dunne buis) boven het kwik een hoeveelheid stikstof onder lage druk, waardoor het breken van de kwikdraad wordt voorkomen. De schaal loopt van -4 tot +36° Celsius,
onderverdeeld in 1/5 delen van een graad. Het waterreservoir blijft tijdens het aflezen gevuld met (zee)water, zodat de thermometer zich niet snel
aan de luchttemperatuur kan aanpassen. Het zal duidelijk zijn dat de aflezing wel snel gedaan moet worden.

Zeewind:

Op een zonnige warme dag met weinig wind kan, door grote temperatuurverschillen tussen de koele zee en het warme binnenland, vlak aan zee
de wind van zee gaan waaien. In het overgangsgebied van de koude zee naar het warme land ontstaan dan kleine luchtdrukverschillen, waardoor de wind van zee gaat waaien. De wind van zee kan mist meevoeren (zeevlam), zodat het aan het strand ineens heel onaangenaam wordt. Het invallen van zeewind gebeurt meestal pas in de loop van de middag, wanneer de temperatuur boven land voldoende is opgelopen. In de avond valt de wind weer weg, tenzij het weer totaal is omgeslagen. Ook aan de oevers van grote meren en waterplassen kunnen temperatuurverschillen tussen water
en land optreden, waardoor ook daar de wind plotseling vanaf het water kan gaan waaien.

Zeewindcirculatie:

Stelsel van luchtstromingen na het invallen van zeewind. Boven land ontstaat bij grote aanwarming een thermisch lagedrukgebied en daardoor een stijgende beweging van de lucht. Op enige hoogte, tot enkele honderden meters, trekt de lucht zeewaarts. Enkele kilometers verder boven zee
daalt de lucht door afkoeling en stroomt weer in de richting van de kust.

Zenit:

Punt van de hemel recht boven het hoofd van de waarnemer.

Zeng:

Volgens Van Lenneps Zeemans-woordeboek (1856) is dat een plotslinge en kortstondige vermeerdering van den heerschenden wind.
Die omschrijving is waarschijnlijk overgenomen van Nicolaas Witsen, Aeloude en Hedendaagsche Scheeps-bouw (1671).
 
Ameland in de mist, aan zee ook wel zeevlam genoemd (foto Martha Appelman)
  Zicht:
Het meteorologisch zicht is de grootste afstand waarop een zwart object te zien en te herkennen is. Het zicht kan in verschillende richtingen verschillen. Een vermindering van het zicht kan optreden door stof, rook of kleine waterdruppeltjes. Een weertype met veel stof of rook wordt heiig genoemd. Bij zichtafname door waterdruppeltjes wordt gesproken van nevel
of mist. Bij nevel is het zicht beperkt tot 1 of 2 kilometer en bij mist bedraagt het zicht
minder dan 1 kilometer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen dichte mist
(tussen 50 en 200 meter zicht) en zeer dichte mist (minder dan 50 meter).

Voor de scheepvaart wordt daarnaast ook een andere indeling gebruikt. In het weerbericht
van het KNMI via de marifoon spreekt men van goed zicht (good) als het in het algemeen
beter is dan 10 kilometer. Bij 4- 10 kilometer is dat matig zicht (moderate), bij 1-4 kilometer
of als het in sneeuw of hagel minder is dan 1 kilometer noemt men dat slecht zicht (poor).
In scheepsweerberichten wordt gesproken van mist (fog) als het zicht minder is dan
1 kilometer, bij mistbanken (fog patches), als er mist zit bij de kust (coastal fog) of bij
ijsmist (freezing fog). Ook combinaties worden gegeven zoals "goed"
 
in neerslag plaatselijk matig zicht (good, locally moderate in showers) of matig, in motregen plaatselijk slecht zicht (moderate, locally poor in
drizzle) of slecht zicht, bij de kust kans op mist" (poor, risk coastal fog).  

Zichtbepaling:

Het zicht kan op verschillende manieren zijn bepaald. Als het op een meetstation is waar mensen de waarneming verrichten wordt het zicht onder meer bepaald met behulp van zogenaamde zichtkenmerken. De KNMI-waarnemer op Schiphol kan in heel schone en heldere lucht bijvoorbeeld de Euromast in Rotterdam zien, en weet dan hoeveel kilometer hij in die richting kan kijken; of hij kan ver naar het westen een top van een goed ontwikkelde buienwolk zien waarvan met behulp van radar de afstand bekend is. Op waarneemstations met automatische meetapparatuur wordt het zicht bepaald met behulp van zogenaamde transmissometers, meters die de doorlaatbaarheid van de lucht meten tussen een zender en een ontvanger die op enkele tientallen meters van elkaar staan. De gemeten doorlaatbaarheid tussen zender en ontvanger is een maat voor de helderheid van de lucht en wordt omgerekend naar een zichtwaarde (die zelfs meer dan 40 km kan bedragen).
 
Zichtbaarheid:
Dit is de eigenschap van iets om met de ogen waargenomen te kunnen worden. In de luchtvaart en meteorologie is dit een belangrijk begrip. Zichtbaarheid kan door diverse zaken worden verminderd of zelfs weggenomen:

1: Objecten die iets gedeeltelijk of volledig aan het oog onttrekken
2: Mist, rook of smog in de lucht
3: Vertroebeling in water
4: Het ontbreken van een lichtbron
5: Het ontbreken van contrast met de omgeving; camouflage is hierop juist gebaseerd.
6: Te kleine afmeting.
7: Te grote afstand.Bij de definitie van zichtbaarheid die binnen de meteorologie wordt
    gehanteerd, wordt het al dan niet aanwezig zijn van een lichtbron buiten beschouwing
    gelaten, en gaat het enkel om de helderheid van  de lucht. 
 Gebruikte term  Zichtbaarheid aan het
 aardoppervlak
 Zeer dichte mist  Minder dan 50 m
 Dichte mist  Tussen 50 en 200 m
 Mist  Tussen 200 en 1000 m
 Nevel  Tussen 1 km en 2 km
 Slecht zicht  Tussen 2 km en 4 km
 Matig zicht  Tussen 4 en 10 km
 Goed zicht  Meer dan 10 km
 
Zichtmerk:
Bekend en herkenbaar object, aan de hand waarvan een waarnemer het zicht kan schatten. Zichtmerken kunnen zijn bomen, huizen, torens, enz.
Op een kaart zijn de zichtmerken aangegeven, voorzien van de richting en de bekende afstanden van het waarnemingspunt tot aan die zichtmerken. Zichtmerken moeten in alle richtingen worden gekozen.

Zoeloe-tijd:

Andere benaming voor Greenwich Mean Time, die komt uit het internationaal alfabet, waarin de letter z met Zoeloe wordt aangeduid.
Tegenover deze tijdmaat staat de alfa-tijd (van a = alfa), waarmee de plaatselijke tijd wordt bedoeld.

Zomer:

Eén van de 4 seizoenen. De astronomische zomer start rond 22 juni, wanneer de dagperiode het langst is en de nachtperiode het kortst.
De meteorologische zomer telt de maanden juni, juli en augustus. Het is in dit seizoen dat meestal de hoogste temperaturen worden opgetekend. Ook in dit seizoen telt men de meeste onweersdagen.

Zomerse dag:

Een zomerse dag is in de meteorologie een dag met een maximumtemperatuur van 25,0 graden of hoger. Mei levert normaal (gemiddeld over
1971-2000) 3 zomerse dagen op, juni 4, juli 7, augustus 7 en september 1, in totaal 22 per jaar dus. In het zuiden van ons land komt zomerse warmte met temperaturen van 25,0 graden of hoger soms al eind maart voor, terwijl het daar ook eind oktober nog zomers kan zijn. In De Bilt is
15 april de vroegste datum: in 1904 werd die dag 26,4 graden gemeten. De 10e oktober 1921 was met 26,7 graden in ruim honderd jaar de laatste zomerse dag in het najaar.

Zomerse temperaturen van 25 graden of hoger komen in het binnenland op gemiddeld 20 tot 25 dagen per jaar voor. Aan de kust worden gewoonlijk
5 à 10 zomerse dagen gehaald, maar in warme zomers kan dat aantal ook daar tot 20 of 30 dagen en plaatselijk nog meer oplopen

Zomercijfer volgens IJnsen:

Net als bij de winters heeft IJnsen een getal ontwikkeld dat rekening houdt met meerdere aspecten van een zomer. Voor meer uitleg hierover zie
de speciale pagina die hieraan gewijd is.

Zomerstorm:

In de zomer duren stormen minder lang dan en zijn ze minder heftig dan in de winter, maar dat maakt het niet minder gevaarlijk. Zomerstormen komen vaak plotseling opzetten en kunnen met name watersporters en houders van strandtenten in de problemen brengen. Bomen die vol in blad staan kunnen de wind moeilijk verdragen, vooral als het ook hevig regent. Stormdepressies die via het Kanaal naar ons land koersen worden ook wel kanaalratten genoemd. De laatste jaren zijn de weermodellen steeds beter in staat om deze kleinschalige maar venijnige storingen goed in te schatten.

Zomertijd:

De zomertijd begint tegenwoordig op de laatste zondag van maart en eindigt op de laatste zondag van oktober. In de nacht van zaterdag op zondag eind maart worden de klokken om 2 uur een uur vooruit gezet, dus van 2 naar 3 uur (ezelsbruggetje: in het VOORjaar gaat de klok een uur VOORuit, zie www.ezelsbrug.nl. Door de zomertijd wordt het niet in het holst van de nacht licht. Een groot voordeel is ook dat we 's avonds een uur langer van daglicht kunnen profiteren. Zonder zomertijd zou het eind juni tegen half vier licht worden en tegen half tien 's avonds donker. In Nederland is de zomertijd in 1977, vanwege de oliecrisis, opnieuw ingevoerd; ook van 1916 tot 1945 was de zomertijd van kracht.
Uitvinder in 1907 is de Londense aannemer William Willett.

Zon:

Is de ster van ons zonnestelsel die hét weer maakt op onze aarde. Het is de leverancier van energie voor alle atmosferische processen.
De zon is niet klein: ze heeft een straal die 696.000 kilometer is (109 keer de straal van de aarde), heeft bijna 12.000 keer de oppervlakte van
onze aardbol en de inhoud ervan is meer dan 1.300.000 keer deze van de aarde. De temperatuur aan de opervlakte bedraagt ongeveer 5800 graden Kelvin (gemiddeld).

Zonaal:

Evenwijdig aan de breedtecirkels.

Zonaliteit:

Het verschijnsel waarbij veel natuurlijke processen overeen blijken te komen met bestaande klimaatzones.

Zonale circulatie:

Eén van de drie hoofdcirculatietypen uit de circulatieclassificatie. De gemiddelde stroming loopt ongeveer evenwijdig aan de breedtegraden.
Het subtropisch maximum verandert weinig van plaats. Voorbeelden van zonale circulaties zijn de westcirculatie en de ombuigende westelijke circulatie. Met name bij de westcirculatie hoort in onze omgeving een sterk wisselend weerbeeld, omdat er in zon stroming nogal eens actieve storingen meetrekken.

Zonda:

Lokale wind in Argentinië. De wind is vernoemd naar de plaats Zonda, aan de voet van het Andesgebergte. Het is een warme westelijke valwind
met föhneigenschappen, die helemaal vanuit de Andes tot aan de Argentijnse kust waait.

Zonnig:

Een dag waarop de gemiddelde bedekkingsgraad van 7, 11, 15 en 19 uur minder dan 1/8 bedraagt en het op geen enkel moment van die dag
meer dan 2/8 bedekt is.

Zonkracht:

De zonkracht is een maat voor de hoeveelheid ultraviolette straling (UV) in het zonlicht die de aarde bereikt. De zonkracht neemt toe naarmate de zon hoger staat en varieert met de seizoenen en het moment van de dag. Warmte heeft geen invloed: op een koele zonnige dag kan de zonkracht even sterk of sterker zijn dan op een warme dag. Wel is de hoeveelheid UV afhankelijk van wolken, vocht of stof in de atmosfeer en van de hoeveelheid ozon.

De zonkracht (UV-index) kan in ons land kan variëren van 0, wanneer er geen UV is tot 8 voor de maximale hoeveelheid UV-zonlicht. In landen
dichter bij de evenaar en in de bergen kan de zonkracht een waarde van 15 of hoger halen. Bij een lage zonkracht (0-4) verbrandt de huid minder
snel dan bij een hoge zonkracht (7 en hoger). De zonkracht hangt ook af van de hoeveelheid bewolking: op een zonnige dag is er meer UV-zonlicht dan wanneer er bewolking is. 
 
Huidtypen Uiterlijke kenmerken  Kans op zonnebrand  Bruining   Zonkrachtgetal
1   Lichte huid met vaak sproeten, blond of rossig  haar en
 blauwe ogen.
Verbrandt zeer snel. Wordt niet bruin. 60
2   Lichte huid, blond haar, lichte ogen.  Verbrandt snel.  Wordt langzaam bruin.  200
3  Licht getinte huid, donkerblond of bruin haar, vaak donker
 ogen.
 Verbrandt zelden.  Bruint gemakkelijk.  200
4   Getinte huid, donker ogen en donker haar.  Verbrandt bijna nooit.  Bruint heel goed.  300
 
Als je je persoonlijke zonkrachtgetal deelt door de in de media aangegeven (verwachte) zonkracht, weet je hoe lang je die dag buiten mag zijn
zonder bescherming.

Als bijvoorbeeld zonkracht 6 wordt verwacht, en je hebt huidtype 2 (zonkrachtgetal 100), mag je 100 : 6 = ongeveer 16 minuten buiten blijven.

Zonloos:

Een dag waarop de zon in het geheel niet heeft geschenen.

Zonneactiviteit:

Verzamelnaam voor energierijke verschijnselen op de zon, zoals zonnevlammen en zonnevlekken. Bij een hoge zonneactiviteit zendt de zon extra veel elektrisch geladen deeltjes uit, die in de magnetosfeer van de aarde terecht kunnen komen en daar verstoringen in het magnetisch veld,
en daardoor in intercontinentale radioverbindingen, kunnen veroorzaken.

Zonneconstante:

Hoeveelheid zonne-energie, die aan de rand van de atmosfeer van de aarde per minuut loodrecht invalt op 1 cm2. Deze constante bedraagt
ongeveer 1400 Joules per m2 per seconde en varieert met ongeveer 2%.

Zonnehelling:

Kant van een berg die gericht is naar de zon. Op het noordelijk halfrond is dit de zuidkant van de berg, op het zuidelijk halfrond de noordkant.
Op de zonnehelling schijnt de zon meer uren per dag dan op de schaduwhelling, waardoor de temperatuur er hoger is. Bepaalde gewassen zullen daarom niet op de schaduwhelling, maar wel op de zonnehelling verbouwd kunnen worden. Het bekendste voorbeeld is de wijnbouw, die vaak alleen aan de zonkant van de berg geconcentreerd is. De hoogtegordels en vegetatiegordels zullen op de zonnehelling op grotere hoogte liggen dan op de schaduwhelling.

Zonneschijnmeter van Campbell-Stokes:

Instrument om de duur van de zonneschijn te meten. Het bestaat uit een massieve glazen bol, geklemd in een frame. De bol fungeert als een brandglas, dat, zolang de zon schijnt, een brandspoor achterlaat op een i n het frame geschoven strook speciaal soort papier. Op deze strook is
een uurverdeling aangebracht. Zo kan men bepalen hoe lang en op welke tijdstippen de zon heeft geschenen.

Zonneschijnterm:

In weersverwachtingen gebruikte terminologie met betrekking tot de hoeveelheid zonneschijn in relatie tot de hoeveelheid bewolking.

Zonnevlam:

Krachtige uitbarsting vlak boven het oppervlak van de zon met een levensduur van enkele minuten tot enkele uren. Soms is een zonnevlam ook als wit licht zichtbaar. Bij krachtige zonnevlammen wordt materie het heelal in geblazen met snelheden van enkele honderden kilometers per seconde. Zonnevlammen treden vooral op tijdens een activiteitsmaximum van de zon.

Zonnevlek:

Gebied op het zonsoppervlak dat koeler is dan de omgeving en daardoor donkerder lijkt.

Zonnewarmte:

43% van de zonnestraling komt op het aardoppervlak. Er is evenwicht tussen de zonnestraling en de uitstraling.

Zonsgetij:

Getij dat ontstaat als gevolg van de aantrekkingskracht van de zon op het water van de aarde.

Zonshoogte: (zonnestand)

Hoek waaronder de zon boven de horizon staat. De zonshoogte varieert in de loop van een dag als gevolg van de draaiing van de aarde om haar
eigen as. De zonshoogte varieert ook in de loop van het jaar als gevolg van het feit dat de aarde rond de zon draait, terwijl de richting waarin de aardas staat hetzelfde blijft. Hoe verticaler de zonnestralen invallen, des te warmer het wordt: de zonnestralen leggen een kortere weg door de dampkring af en verwarmen dan met een gelijke energiebundel een in verhouding klein oppervlak. 

Zonsondergang:

Het moment dat de zon volledig onder de horizon verdwenen is
 
Zonsopkomst en zonsondergang:
Van zonsopgang spreken we als het bovenste randje van de zon boven de horizon verschijnt.
VVan zonsondergang spreken we als het bovenste zonsrandje onder de horizon verdwijnt. Zodra de zon 's avonds is ondergegaan begint de burgerlijke schemering.
Dan is kunstverlichting nodig en verschijnen de eerste heldere sterren en planeten. Is de zon tussen 6 en 12 graden onder de horizon dan spreekt men van nautische schemering.
Er worden steeds meer sterren zichtbaar. Als de zon tussen 12 en 18 graden onder de horizon is spreekt men van astronomische schemering. In deze periode kunnen sterrenkundige waarnemingen worden gedaan, ook aan lichtzwakke objecten zoals kometen. Pas als de zon 18 graden onder de horizon is wordt het niet meer veel donkerder en spreekt men van de astronomische duisternis. Dan zijn ook de zwakste sterren zichtbaar.
In het begin van de zomer (eind mei tot half juli) komt de zon in onze streken niet tot 18° onder de horizon en blijft het dus altijd schemeren.
 
Zonsopkomst Foto: Volkskrant
 
Zonsverduistering:
Een zonsverduistering (of zonne-eclips) is een voor mensen direct waarneembaar astronomisch fenomeen, waarbij overdag het licht van de zon de planeet aarde niet bereikt, omdat de maan in de weg van het licht zit. In feite is het echter niet de zon, maar een gedeelte van de aarde dat verduisterd wordt. De zon wordt door de maan bedekt en lijkt daardoor vanaf aarde verduisterd te zijn. 
Er zijn vier typen zonsverduisteringen: 
 
Corona (Frankrijk 1999) 
  Gehele of totale zonsverduistering:
de zon is in zijn geheel aan het zicht onttrokken door de maan. Een totale zonsverduistering kan maximaal iets meer dan zeven minuten duren.

Gedeeltelijke zonsverduistering:

de zon is gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door de maan — de maan lijkt een hap uit de zon te nemen.

Ringvormige of annulaire zonsverduistering:

de zon is gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door de maan — de zon vormt een lichtgevende rand om de maan. Een ringvormige zonsverduistering kan maximaal iets meer dan twaalf minuten duren.

Hybride zonsverduistering:

eeen zonsverduistering, die afhankelijk van de plaats op aarde totaal dan wel ringvormig wordt waargenomen. Een ringvormige-totale verduistering is niet zoals gebruikelijk eerst ringvormig, dan vervolgens totaal en dan weer ringvormig, maar begint ringvormig, wordt vervolgens totaal en... blíjft dan tot en mét het einde totaal!  Dit komt zelden voor. De vorige keer gebeurde
dit in 1854, de volgende keer in 2072. 
 
Zonsverduisteringen vinden plaats als de aarde, maan en zon precies op een lijn staan.
Een zonsverduistering kan slechts op een deel van de aarde worden waargenomen.
De schaduw van de maan vormt een cirkel in het brandpunt en een ellips daarbuiten op het aardoppervlak.

Een gehele verduistering is te zien waar de slagschaduw, dit wordt ook wel kernschaduw of umbra genoemd, van de maan het aardoppervlak raakt is er sprake van een totaliteitszone. Een gedeeltelijke verduistering is te zien waar de halfschaduw dat ook wel penumbra
 
 
Totale zonsverduistering.
Z=zon, M=maan, A=aarde. 
 
genoemd wordt, de maan raakt het aardoppervlak gedeeltelijk. Bij deze laatste is er slechts een hap zichtbaar uit de zon. Niet bij elke zonsverduistering raakt de kernschaduw van de maan de aarde; in dat geval is er nergens op aarde een totale verduistering te zien, maar enkel een gedeeltelijke.

Een ringvormige zonsverduistering is in feite een bijzondere variant op een gedeeltelijke zonsverduistering. De baan van de maan om de aarde is
niet precies cirkelvormig, waardoor de maan soms dichtbij, soms ver van de aarde afstaat. In het laatste geval kan het voorkomen dat de maan slechts het middelste gedeelte van de zon afdekt. Er is dan een ringvormige zonsverduistering te zien. Een bijzonder soort zonsverduistering doet zich voor wanneer een zonsverduistering in bepaalde gebieden totaal is en in andere gebieden als ringvormig wordt waargenomen. Er is dan sprake van een ringvormig/totale of hybride zonsverduistering  Voor astronomen biedt een totale zonsverduistering een unieke kans om de corona (de lichtkrans om de zon, zie de foto rechts) te bestuderen. Deze bevat b.v. vaak zichtbare zonnevlammen. Zonsverduisteringen kunnen met grote nauwkeurigheid voorspeld worden met behulp van de Saros Cyclus.

Zuidcirculatie:

Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De zuidcirculatie is een meridionale circulatie. Er strekt zich een zone van hoge luchtdruk uit over
het oosten van Europa, van Finland tot aan de oostelijke Middellandse Zee. In de bijbehorende zuidelijke stroming trekken storingen in onze richting en wordt warme tropische lucht (TL) vanuit de tropen rechtstreeks naar onze omgeving gevoerd.

Zuidelijke wind:

Wind, die ongeveer uit het zuiden waait, tussen zuidzuidwest en zuidzuidoost.

Zuidelijk halfrond:

Ook wel zuiderhalfrond genaamd. Het gebied van de aarde ten zuiden van de evenaar dus tussen de evenaar en de Zuidpool. Het weer op het noordelijk en zuidelijk halfrond wordt begrensd door de Inter Tropische Convergentie Zone (ITCZ), een ontmoetingsgebied van lucht uit het zuiden
en het noorden met bewolking en soms zware regen.

Zuiderbreedte:

(ZB) Breedteligging van een plaats op het zuidelijk halfrond. Een plaats kan op maximaal 90° ZB liggen.

Zuiderlicht:

Zie poollicht.

Zuidföhn:

Föhn, waarbij de lucht van zuid naar noord over de Alpen stroomt. De lucht, die aan de Italiaanse kant van de Alpen wordt gedwongen op te stijgen,
is van origine, vanwege de zuidelijke oorsprong, doorgaans al vrij warm. De temperaturen kunnen daardoor aan de lijzijde van het Alpen massief flink oplopen. Deze lokale wind ontstaat bij een lagedrukgebied boven Frankrijk, of in ieder geval ten westen of noordwesten van de Alpen, en een hogedrukgebied ten oosten van de Alpen.

Zuidoostcirculatie:

Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De zuidoostcirculatie is een meridionale circulatie. Er strekt zich een uitgebreide hogedrukzone uit over de noordelijke Atlantische Oceaan, over Scandinavië en over Rusland. Zuidoostenwinden voeren, afhankelijk van het jaargetijde, warme dan wel koude lucht aan.
 
De Zuidpool
  Zuidpool:
Ook Antarctica genaamd. Het Antarctisch continent wordt verdeeld in een oostelijk deel
ten zuiden van Afrika en Australië en een westelijk deel ten zuiden van het Amerikaanse continent. Bijna heel Antarctica is bedekt door ijs, alleen langs de kusten komen gebieden zonder ijs voor. De ijskap bevat voldoende water om bij afsmelten de zeespiegel met
30 meter te doen stijgen. Klimatologisch zijn vooral de lage temperaturen opvallend: aan de pool liggen de maandelijkse temperaturen gemiddeld tussen -29 en -59 graden en soms
vriest het meer dan 80 graden. Bovendien waait het hard met op sommige plaatsen een jaargemiddelde windsnelheid van bijna 20 m/sec (windkracht 8). De neerslag valt in de vorm van sneeuw en door de harde wind is er vaak sprake van driftsneeuw.

De geografische zuidpool van een planeet is het zuidelijke snijpunt van de draaiingsas met
het oppervlak. Voor de aarde is dit punt gelegen op het continent Antarctica. De basis Zuidpoolstation Amundsen-Scott bevindt zich hier. Deze basis is het hele jaar door bezet.
  
Zuidwestcirculatie:

Eén van de onderscheiden luchtcirculatietypen. De zuidwestcirculatie is een half-meridionale circulatie. Er strekt zich een uitgebreide hogedrukzone uit over het zuidoosten van Europa.
De bijbehorende zuidwestenwinden voeren maritiem tropische lucht naar onze omgeving.
 
Zuil:
Optisch verschijnsel ontstaan door lichtbreking in ijskristallen (Cirrus); zichtbaar bij opkomende of ondergaande zon

ZUP:

Een klimaat gekenmerkt door gematigde temperaturen en vrij veel neerslag.

Zuurstof:

Het belangrijkste gas in de atmosfeer voor het leven op onze aarde. Ongeveer 21% van de atmosfeer bestaat uit zuurstof.

Zwaar bewolkt:

Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Bedoeld wordt een verwachte bedekkingsgraad van de bewolking van zeven achtste of meer, overeenkomend met een zonneschijnpercentage van 0 tot 20%. Deze term wordt zowel voor overdag als 's nachts gebruikt.

Zwak front:

Een front waarbij nauwelijks significante weersverschijnselen waargenomen worden. De passage van een zwak front wordt vaak alleen door enkele wolkenvelden gemarkeerd. Het tegenovergestelde is een actief front.

Zwakke wind:

Windkracht 1 of 2 op de schaal van Beaufort met gemiddeld over tien minuten windsnelheden tussen 1 en 5 km/uur of tussen 0,3 en 1,5 meter per seconde (winkdracht 1) en tussen 6 en 11 km/uur of tussen 1,6 en 3,3 meter per seconde (windkracht 2). Rookpluimen zijn dan goed te gebruiken om de richting van de wind uit af te leiden en bij windkracht 2 voel je de wind in je gezicht. Een zwakke wind heeft op planten weinig effect,
hoogstens gaan bij windkracht 2 bladeren wat ritselen. Verder zijn er bij windkracht 1 veel zwevende vogels, vliegende bladluizen en spinnen aan draden en worden bij windkracht 2 alle vogels en diersoorten actief. Op het water ontstaan kleine korte golfjes. In De Bilt waait de wind gedurende jaarlijks gemiddeld meer dan 95% van het totale aantal uren met windkracht 1 of meer, in De Kooy bij Den Helder gedurende 99% van de tijd.

Zware regen:

Van zware regen is sprake als het zicht tijdens de neerslag terugloopt tot 1 à 4 kilometer. Wordt het zicht minder dan 1 kilometer dan is de regen zeer zwaar. Een willekeurige plaats in ons land krijgt gemiddeld vijf keer per jaar een hoeveelheid van 20 mm binnen een etmaal; een etmaalsom
van 30 mm komt twee keer per jaar voor en eens per tien jaar valt er meer dan 50 mm op een dag. De meeste regen valt in de zomer, vooral wanneer een aantal onweersbuien na elkaar komen. Aanhoudend zware regen met enkele tientallen millimeters regen binnen een etmaal kan aanleiding
geven tot wateroverlast op wegen en aquaplaning (watergladheid). Tijdens hevige regen kan het zicht vooral bij hoge rijsnelheid flink teruglopen,
op de weg in combinatie met opspattend water tot minder dan 100 meter, vergelijkbaar met dichte mist!  
 
Zware storm:
Zware storm of windkracht 10 op de schaal van Beaufort levert windsnelheden op tussen
89 en 102 km/uur (24,5 - 28,4 meter per seconde). Zo'n storm gaat vergezeld van zeer zware windstoten van meer dan 100 km/uur en soms worden snelheden bereikt van circa 150 km/uur. Een zware storm leidt tot grote schade aan gebouwen, bomen kunnen worden ontworteld en flinke takken breken af. In de volle wind is het ook voor volwassenen moeilijk
om je staande te houden. Ook in het verkeer is een storm hinderlijk met extra risico's voor (brom)fietsers, motorrijders, vrachtauto's, auto's met aanhanger en caravans. Alle vogels blijven bij windkracht 10 aan de grond. Op zee gaat een storm vergezeld van zeer hoge
golven met lange verstortende schuimkammen en zware overslaande rollers. De zee ziet wit van het schuim en het zicht wordt daardoor zeer beperkt. Een zware storm vergezeld van sneeuw leidt tot volledige ontwrichting van het verkeer en openbaar vervoer. De wegen raken dan versperd door meters hoge sneeuwduinen.

Het KNMI geeft bij zware storm voor de verschillende districten stormwaarschuwingen uit voor de scheepvaart en waarschuwingen voor het verkeer. De wind- en stormwaarschuwingen zijn onder meer te vinden op internet en NOS Teletekst pagina 710 en te beluisteren via de marifoon.  
 
Bij windkracht 10 worden bomen ontworteld, zoals deze 250 jaar oude boom bij de storm van 27 oktober 2002 
 
Bij een zware storm geeft het KNMI ook een Weeralarm af voor zware storm en vaak ook voor zeer zware windstoten. Wanneer de storm vergezeld gaat van sneeuw wordt een Weeralarm afgegeven voor sneeuwstorm. Via Meteoalarm.eu wordt door het KNMI in Europees verband gewaarschuwd voor storm en  windstoten.

Zware windstoot:

Windstoot met een windsnelheid van 41 knopen of meer.

Zwoel weer:

Zwoel weer treedt in feite onder dezelfde omstandigheden op als wanneer er sprake is van drukkend weer: het is een combinatie van relatief hoge temperatuur met een hoge vochtigheidsgraad. Van zwoel weer spreek je echter meestal wanneer het avond of nacht is, terwijl van drukkend weer gesproken wordt wanneer overdag deze omstandigheden zich voordoen.