Historische stormen en stormvloeden
 
In de Nederlanden is er een lange traditie van onderzoek van stormweer. Vooral de stormvloed van 1953 in ZW Nederland heeft daartoe een flinke aanzet gegeven. Gottschalk bestudeerde stormvloeden vanaf 516 tot 1700, voornamelijk aan de hand van oude kronieken. Dit resulteerde in een betrouwbaar overzicht van de belangrijkste stormvloeden in Vlaanderen en Nederland. De weersextremen waren echter moeilijk nader te kwantificeren.

Ook de Engelse meteoroloog Lamb bestudeerde de belangrijkste stormen. Hij slaagde erin slechts een handvol stormen te reconstrueren.
Voor de 17e eeuw telde hij er slechts negentien. Hij was echter wel in staat om reconstructiekaartjes te maken van het verloop van bepaalde stormen, zoals die van 1588, die de Armada noodlottig werd en van de grote storm van 1703. Bovendien stelde Lamb enkele criteria op om de invloed van historische stormen te kunnen bepalen. Schade door stormen en stormvloeden

Extreme weersomstandigheden kunnen grote schade kunnen aanrichten. Zo teisterde de storm van 11-14 januari 1916. het vroegere Zuiderzeegebied. In Medemblik en Wieringen reikte het waterpeil 42 resp. 83 cm hoger dan ooit. Hierdoor braken dijken of stroomde het hoge water hier eenvoudigweg overheen. Uitgestrekte gebieden liepen onder water, vele gebouwen werden vernield en vee verdronk. Ook veel mensen lieten het leven.
Deze overstromingsramp leidde uiteindelijk tot de bouw van de Afsluitdijk (1932).

De stormvloed van 1953 was nog erger. Ongeveer 200.000 ha land overstroomde ca. 4.500 gebouwen werden verwoest, tienduizenden stuks vee verdronken en 1836 mensen kwamen om. Deze ramp trof niet alleen Zuid-West Nederland, maar sloeg ook toe in Vlaanderen en in het oosten van Engeland. Deze ramp leidde het Deltaplan, dat voorzag in de afsluiting van de zeegaten, behalve onder meer de Westerschelde, en het op ‘deltahoogte’ brengen van de zeedijken langs de kusten van Nederland. Om een lijst samen te stellen van historische stormen zijn er gegevens nodig.
Voor het jaar 1700 waren er nog geen instrumentele gegevens beschikbaar en moeten de gegevens uit verslagen, kronieken, rekeningen van dijk en duin onderhoud en de schade die na een zware storm zijn ontstaan zoals dijkdoorbraken, overstromingen, verdronken vee enz.
 
Instrumentele gegevens bestaan uit lange meetreeksen van temperatuur, luchtdruk en neerslag, dagelijks afgelezen van thermometers, barometers en maatglazen. Ook de windrichtingen werden al vroeg dagelijks opgenomen, maar van voor 1700 zijn geen doorlopende meetreeksen beschikbaar en werden meestal alleen de gevolgen van het weer waargenomen en genoteerd, zoals het bevriezen van kanalen, het mislukken van bepaalde gewassen, sneeuwval, droogvallen van rivieren, vroege oogsten, etc.

Informatie over het weer in kronieken is alleen betrouwbaar als de kroniekschrijver dit zelf heeft meegemaakt. Uit kronieken kunnen dus vaak alleen korte perioden worden gereconstrueerd.

De dijken en duinen die de lage kustgebieden beschermen, moeten elk jaar een- of tweemaal worden onderhouden. Ze kunnen tijdens stormweer
zware schade oplopen. Rekeningen van dijken duinonderhoud bevatten vaak aparte hoofdstukken waarin uitgaven worden verantwoord met betrekking tot herstel van schade, die is aangericht door storm of bijzonder hoge vloeden. Eenzelfde soort rekeningen bestaat voor het onderhoud van havens.  
Er bestaan rekeningen van domeinen, waarin ook dijk- of duinonderhoud voor komt, of ontvangsten uit het exploiteren van bossen. Stormen kunnen grote ravage aanrichten in bossen en die schade blijkt dan bijv. uit de vergoedingen voor het op ruimen van omgewaaide bomen.

Ook scheepsjournalen bevatten informatie over stormweer. Deze informatie is echter sterk plaatsgebonden. Voor het onderzoek naar stormen in het Noordzeegebied zijn daarom alleen de eerste dagen van vertrek van schepen uit Nederlandse havens of hun aankomst aldaar van belang. Voor de periode 1595 - 1700 is het aantal scheepsjournalen beperkt In zeer veel gevallen worden stormen, stormvloeden of opmerkelijk hoge vloeden gedateerd.  Wat het meest voorkomt is het relaas over de door het stormweer aangerichte schade, bijv. in termen van aantallen verwoeste gebouwen, verlies van vee, aan- tallen mensen die omkomen of omvang van het overstroomd gebied. Hiermee kan de hevigheid van de weersomstandigheden worden geschat. Als er geen overstroming was, werden alleen de herstelkosten en de aantallen extra rijshout, graszoden, etc. vermeld, die verwerkt werden in een dijk en op het duin. Soms werd de duur van de storm vermeld, maar alleen bij uitgraszoden en mest die op uitgestoven plekken van het duin of uitgespoelde delen van de havendammen werden verwerkt.
 
Het aantal stormen per jaar geeft een globale indruk van het stormweer, maar doet geen recht aan de zwaarte zoals deze door tijdgenoten werd ervaren.

Om stormen naar zwaarte te kunnen inschalen hebben we criteria nodig, zoals de in de gebezigde terminologie van die tijd. Een ‘groot tempeest’ zal veel ernstiger van omvang zijn geweest dan een ‘hoge zee’ en dient daarom hoger te worden ingeschaald.

Een ander criterium is de duur van de storm. Een storm die twee of meer volle getijden duurt, zal het zeewater hoger opstuwen en daarom meer schade veroorzaken.

Ook de windrichting is bepalend. In ons kustgebied gaat het vooral om wind uit West tot Noordnoordwest. Een ander belangrijk criterium is de aard en omvang van de schade. Deze komt tot uiting in verwerkt materiaal in dijken en duin, aantal arbeidsdagen aan herstel besteed, verwoestingen bij overstroming en vooral de omvang van het overstroomd gebied.
 
Klasse Verschijnsel Schade en schaal
1   Hoge vloed  Geen noemenswaardige schade;
 eenmalige vermelding stormgerelateerdheid
2   Hoge vloed  Schade aangericht tijdens hoge vloed met storm
3   Storm  Schade op verschillende plaatsen en duidelijk sprake
 van storm
4   Zware storm  Grotere schade op meerdere plaatsen
5   Zware storm  Zware schade, met overstromingen op een
 of meerdere plaatsen
6   Stormvloed  Zware schade en overstromingen
 (samenvallend met springtij)
7   Stormvloed  Enorme verwoestingen en overstromingen in
 bepaalde gebieden; samenhangend met springtij
8   Stormvloed  Totale verwoesting met overstromingen op zeer grote
 schaal (samenvallend met springtij)
 
De omvang van een grote ramp manifesteert zich ook vaak doordat deze in alle documenten van een bepaald jaar wordt vermeld. Zo kunnen stormen worden ingeschaald in acht klassen.
 
  26 december 838
  Bij een stormvloed loopt een groot deel van noordwest Nederland onder (Frisia). Gebrek aan goede dijken was een belangrijke oorzaak van deze
watersnoodramp. De stormvloed wordt genoemd in een geschrift van een Franse bisschop
 
  1 november 1170
  Allerheiligenvloed.
De duinenrij tussen Huisduinen en Texel brak. Texel en Wieringen werden eilanden.
 
  Voorjaar 1173
  Zuiderzee (nu IJsselmeer)
Het oorspronkelijk Flevomeer –zoet water– was al verzilt en groter geworden, maar bij deze overstroming werd de
monding zo breed dat het een zeearm werd. Tijdens deze overstroming kwam het water tot aan de stadsmuren van Utrecht.
 
  6 december 1196
  Sint Nicolaasvloed. Grote delen van Noord Holland komen onder water. Veel veengebieden in West-Friesland worden weggeslagen en de
Zuiderzee vergroot.
 
  16 januari 1219
  Sint Marcellusvloed.
Noord- en Zuid Holland, Friesland, Noord Duitsland en Engeland worden getroffen. Duizenden mensen kwamen om.
Deze stormvloed was vooral zo desastreus, omdat na de storm het water met eb niet veel zakte. Tijdens vloed wakkerde de storm nog verder aan. Hierdoor braken de overgebleven dijken alsnog grotendeels weg.
Deze combinatie, tezamen met het feit dat er vier grote stormvloeden en overstromingen waren in 50 jaar, leidde ertoe dat de binnenzeeën Zuiderzee en Waddenzee ontstonden.
Deze stormvloed was vooral zo desastreus, omdat na de storm het water met eb niet veel zakte. Tijdens vloed wakkerde de storm nog verder aan.nHierdoor braken de nog overgebleven dijken grotendeels weg. Door deze storm, en door de gevolgen van vier grote stormvloeden en overstromingennvan de afgelopen 50 jaar, ontstonden de binnenzeeën Zuiderzee en Waddenzee
 
  Tussen 19 nov 1248
en 4 februari 1249
  Drie stormvloeden die veel schade veroorzaken, vooral omdat deze stormvloeden zo snel op elkaar volgden. Noord en Zuid Holland leiden
zware schade. Dijken breken door er zijn veel doden te betreuren.
 
28januari 1262
  In Friesland breken dijken, maar ook in Zeeland. Bij Axel gaat veel land verloren, de kerk van Hengstdijk moet worden verplaatst.  
  17 december 1287
  de Sint Luciavloed. 
Groningen, Friesland en Zeeland worden zwaar getroffen. "Doe gheviel also zint, dat op de zestiende kalende, van Loumaent (17 dec.) God doe sende ene vloet also groot, daer vele volx in bleef doot". Eén van de grootste overstromingsrampen in Nederland, met naar schatting meer dan 50.000 doden. Deze vloed gaf de doorslag bij het ontstaan van de Waddenzee en Zuiderzee. West-Friesland werd van Friesland gescheiden. Het jaar daarop maakt de Hollandse graaf Floris V van de omstandigheden gebruik om West-Friesland te onderwerpen.
 
  23 november 1334
  Sint Clemensvloed. 
Zeeland lijdt veel schade. Het eiland Wulpen gaat verloren. Ook Walcheren lijdt ernstige schade evenals het land van Saeftinge.
 
8 oktober 1375
  Philips van Leyden spreekt over een verschrikkelijke storm. Heel Nederland wordt getroffen.  
  19 november 1404
  de Eerste Sint Elisabethvloed.
Zeeland wordt getroffen door de ernstigste stormvloed sinds 1375. Op Walcheren ging land verloren. In het graafschap Vlaanderen spoelden alle kusteilandjes in de monding van de Westerschelde. Na deze ramp gaf Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, het bevel de bestaande dijken te verbinden tot één grote dijk die van het noorden van het graafschap tot het zuiden liep. Dit verklaart waarom de Belgische kustlijn zo recht is. De vloed werd zo genoemd, omdat zij op de naamdag viel van de heilige Elisabeth.
 
   19 november 1421
  St. Elizabethsvloed.
Een bijzonder zware noordwesterstorm gevolgd door een zeer hoge stormvloed. Door het natte weer stond het water in de rivieren al zeer hoog. Dijkdoorbraken en overstromingen richtten in Zeeland en Holland grote verwoestingen aan, waarbij zeker tweeduizend mensen de dood vonden. Er is vooral veel schade op Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Tholen en Schouwen. 72 dorpen zijn verdronken. Door deze vloed werden de elkaar bestrijdende steden Geertruidenberg en Dordrecht gescheiden. (Hoekse en Kabeljauwse twisten). In de nacht van 18 op 19 november 1421 braken dijken van de toenmalige Grote of Zuid-Hollandse Waard, het ontstaan van de Biesbosch. Het duurde nog tientallen jaren voor het gehele gebied onder water stond en verworden was tot de Biesbosch met zijn kreken en riet.
 
  5 november 1530
  Sint Felixvloed. 
Tijdens de vloed breekt de Westkapelse zeedijk op Walcheren en op Zuid Beveland loopt de stad Reimerswaal onder, 404 parochies verdrinken.
 
  2 november 1532
  Allerzielenvloed.
De schade is nog erger dan in 1530. De stormvloed treedt op bij doodtij. Er zijn dijkdoorbraken op Walcheren in het zuidwesten en noordoosten. De eilanden Schouwen en Tholen worden zwaar getroffen en het eiland Noord-Beveland verdrinkt.
 
  1 november 1570
  Allerheiligenvloed.
Deze vloed veroorzaakt veel schade op Walcheren. De Oosternieuwlandpolder gaat verloren. Er zijn veel doden tengevolge van de overstromingen. Concrete cijfers voor Zeeland worden niet genoemd, maar in Friesland zouden er 3.000 slachtoffers zijn, dat cijfer wordt betrouwbaar genoemd. De vloed teistert ook Noord en Zuid Holland. Een lange periode van storm zwiept het water tot ongekende hoogten, nog hoger dan die bij de watersnoodramp 1953. Talloze dijken aan de Hollandse kusten begeven het, waardoor zich enorme overstromingen voordoen en een reusachtige ravage wordt aangericht. Het totale aantal doden, het buitenland meegerekend, moet boven de 20.000 hebben gelegen, maar precieze gegevens zijn niet bekend. Tienduizenden mensen werden dakloos, veestapels verzwolgen en wintervoorraden vernietigd. De Allerheiligenvloed markeert het ontstaan van het Verdronken Land van Saeftinge.
 
  4/5 november 1675
  Tweede allerheiligenvloed.
Een zware storm teisterde in de nacht van 4 op 5 november 1675 de kusten van Holland. Tussen Texel en Den Helder liep de zee zeer hoog op waarbij een gedeelte van Huisduinen werd weggeslagen. Het land tussen de Zijpe­polder en Wieringen, wat onbedijkt was, werd overspoeld. De Medemblikkerdijk kon door de dijkwerkers met grote inspanning worden verdedigd, maar bij Hoorn brak de dijk tussen Scharwoude en Oudendijk door waardoor het water over de Zomerdijk sloeg en tot aan Medemblik het land onder water zette. Het gebied leek op een volle zee. Bij Muiderberg, waar de Fransen de grond sterk hadden omgewroet om militaire werken aan te leggen, brak de zeedijk op verschei­dene plaatsen door. Tussen Amsterdam en Haarlem bezweek de Spaarndammerdijk ondanks alle moeite die men zich had getroost om de dijk te verdedigen.
 
  26 januari 1682
  Zeeland getroffen door een stormvloed. Zware windstoten en regenbuien raasden vanuit de Noordzee landinwaarts. Ook was op dat moment het springtij gaande, een hoge vloed die ontstaat als de zon, de maan en de aarde op één lijn staan. Omdat de hevige storm tegelijkertijd viel met het springtij, werd het natuurgeweld teveel voor de dijken, die het begaven. 161 Zeeuwse polders overstroomden door het zeewater en een fort, dat in 1621 door de Spanjaarden bij het Zwin was gebouwd, werd volledig weggevaagd.  
  12/13 november 1686
  St. Maartensvloed.
Met de noordwesterstorm stroomt het water de provincie Groningen binnen.  Noord Groningen en het Oldambt stroomden onder, maar ook andere delen van de provincie werden getroffen.  Het dodencijfer was 1558 mensen.  631 huizen werden weggespoeld en 616 zwaar beschadigd. 
Er verdronken 1387 paarden en 7861 koeien.
 
  7 - 9 december 1703
  De ramp heeft duizenden slachtoffers tot gevolg. De storm, hoog water en zwaar onweer leiden niet alleen tot enorme schade maar ook tot tal van dijkdoorbraken. Getroffen werden Wales, het midden en zuiden van Engeland, het Noordzeegebied, de Lage Landen en Noord-Duitsland.  
25 december 1717
  Kerstvloed.
In de Kerstnacht van 1717 brak een hevige noordwesterstorm los die het kustgebied van Nederland, Duitsland en Scandinavië teisterde.  In dit gebied kwamen 11.000 mensen om het leven.  Het was de grootste vloed sinds bijna vier eeuwen en de laatste grote overstroming in Noord Nederland.  Op het noordelijk platteland stond het water een paar meter en in de stad Groningen enkele voeten hoog.  In de provincie Groningen worden dorpen die direct achter de zeedijk liggen bijna volledig weggevaagd.  In totaal maakte de overstroming in Groningen 2.276 dodelijke slachtoffers.  Daarnaast verdronken 11.457 koeien, 3.071 paarden, 1.272 varkens en 20.999 schapen.  Er werden 1455 huizen vernield of ernstig beschadigd. Het water stroomde ook Amsterdam en Haarlem binnen, evenals in de gebieden rond Dokkum en Stavoren.  In Friesland zouden ruim 150 mensen overlijden.  Ook grote delen van Noord-Holland en gebieden bij Zwolle en Kampen kwamen onder water te staan, maar hier ontstond bijna uitsluitend materiële schade.  In Vlieland stroomde de zee over de duinen waardoor het al eerder beschadigde dorp West-Vlieland bijna geheel verloren ging.
 
  7 februari 1726
  Watersnood
Een overstroming in de Alblasserwaard had huizen, schuren, keten en hooibergen weggeslagen. Hele dorpen zoals Wijngaarden, Brandwijk en Goudriaan stonden tot aan de daken onder water. Ondanks de hoge dijken, de diepe watergangen, sluizen en de tientallen molens overstroomden de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden tussen 1373 en 1953 maar liefst 33 keer.
 
  23 januari 1820
  Grote delen van de Alblasserwaard overstromen na een aantal dijkdoorbraken. Ook de sluis tussen de Linge en het kanaal van Steenenhoek te Gorinchem bezwijkt. Een gebied ter grootte van ongeveer 1.300 km2 komt onder water te staan. Deze overstroming was aanleiding voor het instellen van een commissie die een verbeteringsplan voor de rivieren moest ontwerpen.  
  19 augustis 1845
  windhoos bij Zevenbergen, Zwaluwe
De temperatuur op 19 augustus 1845 lag rond de 16,0 °C. De wind kwam overheersend uit het zuid-westen.
Typering van het weer: betrokken regen donder storm(achtig) .
 
  3 maart 1855
  Watersnood (dijkbreuk)
Gelderland, Noord-Brabant, Utrecht, Zuid-Holland. Door hoge waterstanden en kruiend ijs breken op veel plaatsen in het rivierengebied de dijken. Vooral het Land van Maas en Waal en de Gelderse Vallei worden getroffen, maar ook in de Betuwe en Noord-Brabant loopt land onder water.
 
  29/30 december 1880
  De ramp van Nieuwkuijk speelde zich af in de nacht van 29 op 30 december 1880. Na dijkdoorbraken bij Vlijmen waren hier twee doden te betreuren, terwijl een groot aantal huizen werd weggespoeld of zwaar beschadigd raakte. Ook verdronk er veel vee.  
  5/6 maart 1883
  Storm te Paesens / Moddergat - Vergaan van vissersvloot (83 mensen).
In de dagen van 28 februari tot 4 maart 1883 was er voordurend een hogedrukgebied met barometerstanden van 770 mm tot 779,75 mm .
De luchtdruk was op 5 maart nog aan de hoge kant, maar wel dalende, met toenemende snelheid, bij een wat aangroeiende wind, krimpend van west naar zuidwest. Het K.M.N.I voorspelde, Noordoostwaarts veraf is een depressie met een barometer stand van 755 mm. Verwachting Noordwestelijke wind en betrokken. Op het scholveld is de wind waarschijnlijk slechts van N.O naar W.N.W gedraaid, waarna hij omstreeks het middag uur uit N W begon aan te wakkeren. Toen de storm begon op te steken werd dit vergezeld door hagel en sneeuwbuien. Dit storm veld was zeer uitgestrekt en nam gedurende nacht in hevigheid toe, om dat volgens de waarnemingen te Utrecht zich veraf Oostwaarts een depressie met een luchtdruk van755 mm kwikdruk. Dit is waarschijnlijk de gepasseerde depressie geweest welke zich op het vaste land van Europa uitdiepte. In district noord, de wind toenemend tot storm uit het noord westen, in de nacht toenemend tot zware storm uit richtingen van noordwest tot noordoost. De storm nam nog in kracht toe en bereikte in buien zeker windkracht 9 tot 10.
 
  12 maart 1906
  Op 12 maart 1906 werden Zeeland en Vlaanderen getroffen door een stormvloed. Doordat de overstroming overdag plaatsvond, vielen er geen slachtoffers. De schade was echter enorm.  
  13/14 januari 1916
  Zuiderzeevloed (IJsselmeer)
Voor 14 januari had het al enkele dagen gestormd, maar op die dag wakkerde storm aan tot ruim 100 km/u.  In normale omstandigheden zou dit niet direct aanleiding zijn tot bezorgdheid, maar doordat het water in de Zuiderzee door de storm in de voorafgaande dagen al een hoog peil had bereikt, ontstonden overstromingen.  Op veel plaatsen klotste het water over dijken die van binnenuit werden beschadigd en vervolgens niet meer bestand waren tegen de druk van het water uit de Zuiderzee.  De getroffen gebieden waren het eiland Marken, een gedeelte van de Gelderse Vallei (Eemnes, Spakenburg, Bunschoten;  het water stond ook in de straten van Amersfoort), het hele gebied rond Edam, Purmerend, Broek in Waterland en Durgerdam stond volledig blank.  Ook bij de Anna Paulownapolder braken de dijken door.  Het aantal slachtoffers van de vloed was beperkt, maar de overstroming vormde aanleiding om te besluiten de Zuiderzeewerken (Afsluitdijk) uit te voeren.
 
  10 augustus 1925
  De stormramp van 1925, ook bekend als cycloon van Borculo, betreft het noodweer dat in Nederland in de namiddag en vroege avond van 10 augustus 1925 van zuidwest naar noordoost over Brabant, via Nijmegen en de Achterhoek naar Twente en uiteindelijk Duitsland trok.
In Brabant werden de dorpen/buurtschappen Zeeland, Graspeel, Langenboom, Trent, Oventje en Escharen (praktisch) verwoest door één van de tornado's die op deze dag gezien werden. Het buiencomplex, dat hoogstwaarschijnlijk een supercel bevatte, trok een schadespoor van soms enkele kilometers breed langs Grave, deels over Heumen en Malden, Millingen a/d Rijn, Dijk bij Didam, Doetinchem, Ruurlo, Borculo en Neede. Het complex trok vervolgens noordoostwaarts. Van alle plaatsen werd Borculo het zwaarst getroffen. Er vielen in totaal 4 doden en 80 gewonden.
 
  1 januari 1953
  Watersnoodramp Zeeland (& Zuid-Holland & Noord-Brabant)
Lage springvloed, maar een enorme opstuwing door een niet bijzonder zware westerstorm (windkracht 10).  Op zeker 90 plaatsen in het zuidwesten van ons land begaven de slecht onderhouden dijken het en voltrok zich de ramp:  1836 mensen vonden de dood en circa 200.000 hectare overstroomde (100.000 evacués). De wanhopige bevolking kreeg zondagmiddag nog een tweede vloed te verwerken, waardoor het water in de polder nog hoger kwam dan 's nachts.  Veel mensen die de eerste vloedgolf hadden overleefd verdronken die middag of dreven op daken waarnaar ze gevlucht waren.  Zuid Holland had veel geluk:  een dreigende dijkbreuk die grote delen onder water zou hebben gezet werd afgewend.  Ook de Engelse oostkust kreeg zondag 1 februari te maken met overstromingen en grote schade door de wind.  Hierbij verloren 150 Engelsen het leven.  Daags tevoren raasde de storm over Schotland, en ook daar was de schade enorm.
 
  13 november 1972
  Op 13 november 1972 woedde een hevige storm over Ierland, Groot-Brittannië, Frankrijk, Nederland, België, Duitsland, Polen en Denemarken. De storm ontwortelde 5 miljoen bomen en doodde 54 mensen, waarvan 9 Nederlanders. De depressie die de storm veroorzaakte, is boven de Noordelijke Atlantische Oceaan ontstaan, ongeveer 700 km ten oosten van New Foundland en 600 km ten noorden van het Amerikaanse weerschip D, een gebied waar veel depressies hun oorsprong hebben. Met een vrijwel constante snelheid van 85 km/h trok de storm naar het oosten. Op 13 november, ongeveer om 1 uur 's nachts, bereikte de storm de Noordzee. Daarna werd de depressie in versneld tempo dieper, waardoor de windsnelheid groter werd. De kern van de stormdepressie trok over de Noordzee, juist ten noorden van Nederland naar Duitsland. In feite kan worden gezegd dat de schade in de zuidwestelijke helft van Nederland werd aangericht door een storm uit zuidwest tot west en in noordoostelijke helft door een storm uit west tot noordwest. Windstoten tijdens een storm zijn de voornaamste bron van schade en verwondingen. In Nederland werd een top van 144 km/h gemeten.  
  2 april 1973
  De storm van 2 april 1973 ontstond ten oosten van Newfoundland en trok over Ierland, Groot-Brittannië, de Noordzee (waar de laagste luchtdruk van 968 millibar gemeten werd), Nederland en Duitsland naar Finland. Van een echte storm was pas sprake toen de depressie bij Ierland was. Op dat moment was het nog een betrekkelijk kleine storm. Daarna nam de windkracht toe, door een verdere verlaging van de luchtdruk. Rond 17.00 uur bereikte de kern van de storm de Waddeneilanden. Tijdens de storm werden de hoogste uurgemiddelde windsnelheden boven land (28 m/s, windkracht 11) gemeten bij IJmuiden en Lelystad. Boven zee werd bij Texelhorst een uurwaarde van 30 m/s gemeten.
Even na 15.00 uur werd officieel windkracht negen (storm) waargenomen door de meetstations in Vlissingen en Hoek van Holland en kort daarna ook door IJmuiden. Daarna nam de windkracht nog flink toe. Rond 17.30 trok de kern van de depressie over Vlieland. Het zwaarste stormveld vond plaats aan de zuidzijde van de depressie, die op haar weg naar het oosten over zuidelijk Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland trok.
Schade Opnieuw waren veel bomen het slachtoffer van de storm. Voornamelijk Nationaal Park De Hoge Veluwe kreeg daardoor klappen.De korte, hevige storm richtte met name schade aan aan bedrijven. In het Westland werd een grote ravage aangericht onder de kassen. In bijvoorbeeld Beverwijk werd veel schade aangericht aan de Wijkerbaan en de Uiverhof waar tientallen ramen sneuvelden. De zeeweringen ontsnapten aan serieuze schade.
 
  2 januari 1976
  De Storm van 2 januari 1976 is een zeer zware storm storm die in de nacht van 2 op 3 januari over Nederland en België trok. Deze storm was de derde in een meteorologisch gezien relatief korte tijd (de eerdere stormen waren op 13 november 1972 en 2 april 1973). De depressie die de storm veroorzaakte begon nabij de Azoren en trok daarna via de Noordzee, Denemarken en Oekraïne naar de Oeral.
Op de Afsluitdijk werd een auto in het water geblazen. Alleen de bestuurder kon zich redden. De schade door de storm was enorm. Langs de Hollandse kust was veel duinafslag en ook veel dijken raakten beschadigd. Bij Vlissingen bijvoorbeeld werd een gat in de Boulevard geslagen. De enorme strand- en duinafslag op Texel bracht ook de Eierlandse polder in gevaar. Een ontruiming werd overwogen maar dit bleek uiteindelijk niet nodig. Op Ameland verdween niet alleen een flink stuk strand en duin in de golven, maar ook Hotel Steinvoorte.
Waar op het land windsnelheden werden gemeten van 10 op de Schaal van Beaufort, namen verschillende lichtschepen en boorplatforms windsnelheden waar van kracht 12 (orkaan). Het opstuwend effect van de wind veroorzaakte bij Vlissingen extreem hoogwater: +4,06 meter NAP. dat was de hoogste stand sinds de Watersnoodramp toen +4,55 meter NAP werd gemeten.
 
  25 januari 1990
  Op 25 januari 1990 woedde een zeer zware storm over Ierland, Groot-Brittannië, Frankrijk, Nederland, Duitsland, België en Denemarken. In onder meer Duitsland en Frankrijk wordt de storm ook wel Orkaan Daria genoemd. Langs de Nederlandse kust werd een uurgemiddelde van windkracht 11 bereikt. De gevolgen waren groot omdat de wind tijdens de avondspits zijn top bereikte. Op Schiphol bleven vliegtuigen enkele uren aan de grond. Het openbaar vervoer met treinen, bussen en trams werd 's avonds door de orkaan vrijwel geheel tot stilstand gebracht. Duizenden reizigers strandden in de grote steden en moesten daar noodgedwongen de nacht doorbrengen. Op autosnelwegen werd het verkeer vertraagd door omvergeblazen vrachtauto's, lantaarnpalen en bomen. In totaal zijn op de rijkswegen tijdens de storm 130 vrachtwagencombinaties, caravans en opleggers gekanteld. In Apeldoorn werden tanks van het leger ingezet om de straten schoon te vegen. Tijdens de storm kwam vooral op de noord-zuidverbindingen in het westen van het land het wegverkeer tot stilstand terwijl ook de brug over de IJssel bij Arnhem een belangrijk knelpunt vormde. Te Ouddorp strandt het kraanschip Eerland Rotterdam. Pas na weken lukt het om het schip vlot te krijgen.  
  31 oktober 2006
  Allerheiligenvloed.
Er woedde in Noord Nederland en Duitsland de zwaarste storm sinds 1990. Deze storm is de geschiedenis ingegaan als de Allerheiligenvloed van 2006. Bij Delfzijl is een waterstand van 4,83 m boven NAP gemeten, de hoogst bekende waterstand te Delfzijl ooit. Het record van daarvoor was 4,63 m boven NAP en dateert van 1825 (ruim 8700 doden). Op de pier in het Friese Holwerd waar de veerboot naar Ameland vertrekt, dreven door de stormvloed auto's de Waddenzee in. In Marrum verdronken op de kwelder twintig paarden. Ruim honderd andere paarden waren door het, door de storm veroorzaakte, hoge water ingesloten, wat leidde tot een reddingsactie. Dankzij het Deltaplan waren de dijken verhoogd en ontstonden er, ondanks de hoge waterstanden, geen overstromingen binnendijks in Nederland.
 
  8 november 2007
  Maeslantkering dicht
De kust wordt geteisterd door noordwesterstorm met windstoten van wel 100 km/uur. Het waterpeil stijgt naar 327 cm boven NAP. Rijkswaterstaat besluit de Maeslantkering te sluiten, voor het eerst sinds haar voltooiing in 1997. Ook de Oosterschelde wordt vanwege het noodweer afgesloten, de 24e keer in 21 jaar dat de Zeeuwse zeewering dicht gaat.
 
  28 oktober 2013
  De storm van 28 oktober 2013 (onder andere bijgenaamd Christian (Duitsland), St Jude storm (Engeland), Carmen (European Windstorm Centre) en Simone (Zweden) was een storm die vanaf 25 oktober 2013 over West- en Noord-Europa trok en zware schade aanrichtte. Getroffen waren vooral de kustgebieden van Zuid-Engeland, België, Nederland, Noord-Duitsland (Nedersaksen en Sleeswijk-Holstein), Denemarken en Zuid-Zweden.
De zwaarste windstoot in Nederland was 152 km/u en werd gemeten te Lauwersoog. Ook in het binnenland werden windstoten gemeten tot 120 km/u. Een windstoot van 194,4 km/u op 28 oktober op het Deense Als was de zwaarste windstoot van de storm.
 
  25 juli 2015
  Zwaarste storm in juli
In IJmuiden bereikte de gemiddelde wind tussen 13:20 en 14:20 uur windkracht 10 (zware stormkracht). Langs de kust worden zware tot zeer zware windstoten gemeten. In IJmuiden is tot dusver ook de zwaarste windstoot gemeten; 121 km/u! Ook in Hoek van Holland, Voorschoten, Schiphol, Lelystad, Stavoren en op de Houtribdijk (tussen Lelystad en Enkhuizen) zijn windstoten van 100 km/u en meer waargenomen. Aan het einde van ochtend was al een uurgemiddelde wind van 9 Bft. gemeten, in Hoek van Holland. Een zware zomerstorm is zeer zeldzaam. Sinds de metingen is dit slechts één keer eerder voorgekomen. Dit was op 12 augustus 1914. Vandaag is hier dus een tweede aan toegevoegd. Gemiddeld komt het slechts eens op de 5 jaar voor. Sinds de start van de metingen in 1901 kwam het tot vandaag 24 keer tot een officiële zomerstorm voor.
 
   
     
   
     
   
     
   
     
 
bronnen: p.van diemen, watervragen.nl, het geheugen van Nederland, Wikipedia, isgeschiedenis, brabant historisch centrum