Geschiedenis stormwaarschuwingen
 
Stormwaarschuwingenen staan aan de basis van de weerwaarschuwingen. De impact van stormen waren in de negentiende eeuw zo groot -
met name voor scheepvaart - dat het leidde tot de oprichting van nationale meteorologische instituten.  De stormwaarschuwingsdienst van het KNMI begon in de negentiende eeuw met het plaatsen van seinpalen langs de kust. Nu is het een moderne dienst, waar meteorologen de weersontwikkeling continu bewaken aan de hand van computerberekeningen en actuele gegevens. 

Wet van Buys Ballot

Hevige stormen, waarbij vloten vergingen, waren in de negentiende eeuw aanleiding tot de oprichting van nationale meteorologische instituten.
Prof. C.H.D. Buys Ballot, de oprichter van het KNMI, stelde op grond van metingen vast dat er een verband bestaat tussen luchtdruk en wind.
Door de wet van Buys Ballot kwam de mogelijkheid voor  wind- en stormverwachtingen binnen bereik.

Stormwaarschuwingsdienst

In Nederland werden vanaf de zomer van 1860 telegrafisch overgeseinde actuele gegevens van luchtdrukafwijkingen en wind bekendgemaakt op publicatieborden in de zeehavens. Het was de aanzet tot een stormwaarschuwingsdienst, die het KNMI in 1864 officieel instelde.

Engeland startte in 1862 een stormwaarschuwingsdienst voor de kustplaatsen. De waarschuwingen uit Londen werden kenbaar gemaakt door signalen in de vorm van een cilinder met kegels overdag en lantaarns in de nacht. Dit systeem bleek echter niet te voldoen zodat de Engelse stormwaarschuwingsdienst enkele jaren later weer werd gestaakt. 
 
De toren van het gebouw Neptunus aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal in Amsterdam, waarop "geregeld bij dag en nacht seinen worden geheschen, die de verwachting betreffende storm aangeven".
 
Aëroklinoscoop van Buys Ballot: met deze seinpaal werd de stormwaarschuwingen in Nederland geintroduceerd
  Seinpaal
Buys Ballot introduceerde toen zijn aëroklinoskoop,
een seinpaal voor het aangeven van storm. Dit apparaat bestond uit een horizontale stang die in een schuine stand kon worden gezet. Hoe groter het luchtdrukverschil tussen twee plaatsen, zoals Groningen en Maastricht, hoe schuiner de stand van de stang. Wind wordt veroorzaakt door verschillen in luchtdruk, zodat de stand aangaf of er storm op komst was.

Op de aëroklinoskoop was een windvaan bevestigd, die de windrichting aangaf. In 1867 waren er aëroklinoskopen te zien op acht plaatsen langs onze kust en op het dak van het toenmalig hoofdobservatorium van het KNMI, de Sonnenborgh in Utrecht. In Engeland en Duitsland werd het idee overgenomen waarbij op de vroegere stormseinen, de palen met cilinders en kegels, zo'n instelbare stang werd bevestigd. 

Nieuwe waarschuwingsposten

Buys Ballot zag echter meer mogelijkheden om meteorologische gegevens te gebruiken voor de zeevaart. In 1879 stelde hij de commissie voor Wetenschappelijke Zeevaart voor in Amsterdam een filiaal te vestigen van het KNMI.

Twee jaar later werd de filiaalinrichting Amsterdam opgericht en in 1900 werd daar de storm-waarschuwingsdienst gevestigd. De aëroklinoscoop raakte uit de tijd
 
 In plaats daarvan werden langs de kust een groot aantal posten ingericht, waar overdag bij storm kegels, een bal en vlaggen werden gehesen. In 1916 werden daar ook nachtseinen geplaatst. In dat jaar ging de stormwaarschuwingsdienst om praktische redenen terug naar het hoofdkantoor van het KNMI in De Bilt. Het was intussen internationaal tot een belangrijk meteorologisch centrum uitgegroeid.
 
Uitbreiding districten
Ook de districtsindeling van de stormwaarschuwingsdienst veranderde. Buys Ballot ging van start met één district. De waarschuwing gold toen voor de hele kust. Dit heeft stand gehouden tot 1913. De uitvoering van de stormwaarschuwingsdienst was toen in handen van de filiaalinrichting van het KNMI te Amsterdam. De directeur van deze vestiging rapporteerde jaarlijks over de werking van de stormwaarschuwingsdienst.

Dit verslag werd als Bijvoegsel tot de Nederlandse Staatscourant gepubliceerd. In dit bijvoegsel van zondag 4 en maandag 5 augustus 1912 schrijft hij het volgende:

"Het heeft bij ondergetekende reeds gedurende eenigen tijd een punt van overweging uitgemaakt, of het niet raadzaam zou zijn de stormwaarschuwingsposten te verdelen in twee districten, waardoor het mogelijk wordt een deel der kust te waarschuwen (eventueel op een deel der kust de seinen neer te halen) en een ander deel niet".
 
Op 23 januari 1864 maakte het Algemeen Handelsblad de oprichting van de Stormwaarschuwingsdienst van het KNMI wereldkundig (Bron: Algemeen Handelsblad)
 
Directeur L.Roosenburg motiveert vervolgens zijn voorstel met een voorbeeld. Hij stelt daarom voor de kust te verdelen in een district Noord en een district Zuid. IJmuiden zou hierbij het scheidingspunt kunnen zijn. 

Weer later maakte de toegenomen kennis van de meteorologie een verdere detaillering mogelijk. De verbeterde radiocommunicatie zorgde ervoor dat de waarschuwingen op de schepen ontvangen kon worden. Dit was reden voor een verdere opdeling in vier waarschuwingsgebieden, te weten: Noord (van Borkum tot den Helder), Midden (van Den Helder tot Hoek van Holland), Zuid (van Hoek van Holland tot de Belgische grens) en IJsselmeer (het IJsselmeergebied zonder het havengebied van Amsterdam (na voltooiing van de Afsluitdijk).

De scheepvaart werd steeds belangrijker. Hiermee groeide de noodzaak van een goede berichtgeving en waarschuwingsdienst. Daarom werd in 1972 de huidige indeling vastgesteld, bestaande uit zes districten, te weten: Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden, Texel, Rottum en IJsselmeer. De uitvoering van de wind-en stormwaarschuwingsdienst (WSWD) en de daarbij behorende districten wordt bij ministeriële beschikking geregeld.

Komst watersport

Sinds 1972 is er opnieuw veel veranderd. De meteorologie heeft zich stormachtig ontwikkeld, en ook de scheepvaart verandert. De watersport in de kust- en ruime binnenwateren groeit enorm. Deze, meer kwetsbare groep varenden, heeft behoefte aan nog gedetailleerdere waarschuwingen. Dit geldt ook voor de binnenvaart op de ruime binnenwateren.

Stormvloedseindienst

Daarom wordt door het KNMI, in nauwe samenwerking met gebruikers en overheden gewerkt aan een nieuwe indeling, die beter aansluit bij de behoeften. In 1921 ging, als nasleep van de watersnood van 1916, de Stormvloedseindienst (SVSD) van de Dienst Getijdenwateren van start. Het KNMI gaf in eerste instantie een waarschuwing voor overschrijding van een bepaalde waterstand, waarna de SVSD tot actie overging.

Moeilijke tijden

De stormwaarschuwings- en stormvloedseindienst hebben in de loop van twintigste eeuw geprofiteerd van de enorme vooruitgang in de meteorologie en communicatie. Al waren er ook moeilijke tijden. Zo werd in 1934 het aantal waarschuwingsposten langs de kust vanwege bezuinigingen aanzienlijk verminderd, terwijl tijdens de Tweede Wereldoorlog de waarschuwingsdienst van het KNMI nauwelijks functioneerde. Vooral daarna is de nauwkeurigheid van de prognoses en de berichtgeving verbeterd. Vanaf 1956 werd een nieuwe methode gehanteerd waardoor de opzet, de afwijking van de waterstand boven astronomisch getij, als advies aan de SVSD kon worden gegeven.

Huidige waarschuwingsdienst

In 1989 opende het KNMI in een uit de oorlog daterende betonnen radartoren op de duinen van Hoek van Holland de Maritiem Meteorologische Dienst met een regionale vestiging in Middelburg. Sinds eind 2001 worden de maritieme taken uitgevoerd in de centrale weerkamer in De Bilt. De meteorologen zijn verantwoordelijk voor de weers- en waterstandsverwachtingen voor de scheepvaart en de stormwaarschuwingen.

Op verscheidene olie- en gasproduktieplatforms in de Noordzee staan sensoren opgesteld voor het meten van windsnelheid, windrichting, lucht- en watertemperatuur, luchtvochtigheid en zicht. Op een aantal platforms worden ook golfhoogte- en waterstandsmetingen verricht. Bovendien ontvangt de maritiem meteorologische dienst via De Bilt continu gegevens van het internationale meteorologische net, het Global Telecommunication System, van weersatellieten en van radarsystemen.

De informatie wordt verwerkt in computermodellen, waarmee berekeningen worden uitgevoerd voor de verschillende verwachtingen. Niet alleen weersverwachtingen voor de korte en lange termijn tot vijf dagen vooruit, maar ook verwachtingen van golven, deining, afwijkingen van de waterstanden en getijstromingen. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van het HIRLAM weermodel van het KNMI. Daarnaast verwerkt het KNMI de computerberekeningen van het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op de Middellange Termijn in Reading. 

Bron: Kees Dekker KNMI