Meteorologie of weerkunde is de studie van het weer; de condities van de atmosfeer die in ons dagelijks leven een belangrijke rol spelen.  Zij houdt zich vooral bezig met het actuele weer, het historische
weer en de weersverwachtingen, zowel algemene als meer specifieke voor bijvoorbeeld landbouw,
luchtvaart en watersport.
 
Het woord meteorologie is afkomstig van het boek Meteorologica door Aristoteles uit ongeveer 340 v.Chr. hij combineerde waarnemingen met speculaties over de oorzaken van verschijnselen aan het firmament. Het Griekse woord meteoron refereert aan zaken tussen de aarde en de sterren. Logos betekent studie. 

Het Boek der tekens werd door Theophrastus een leerling van Aristoteles gepubliceerd. Het concentreerde zich meer op het voorspellen van het weer zonder afzonderlijke verschijnselen te verklaren of naar de oorzaak te vragen.

Al snel bleken nauwkeurige meetinstrumenten noodzakelijk te zijn en deeze kwamen tijdens en na de renaissance. Galileo construeerde de thermometer in de 16e eeuw, Torricelli's vond in 1643 de barometer uit.  Het verband tussen de luchtdruk en de hoogte werd door Blaise Pascal en René Descartes aangetoond. De anemometer voor het meten van windsnelheden werd in 1667 door Robert Hooke gebouwd.
 
 
Horace de Saussure maakte de lijst van belangrijke meteorologische instrumenten in 1780 volledig met de uitvinding van de hygrometer.  In 1735 onderkend Goerge Hadley dat de rotatie van de aarde een rol speelt in de bewegingen van de atmosfeer. In 1856 beschreef Ferrel effecten in de atmosfeer die tegenwoordig corioliseffecten worden genoemd, waarmee de richting waarin de wind draait verklaard kan worden. Luke Howard en Francis Beaufort
stelden in 1803 resp. 1806 een classificatie voor wolken en windsnelheden op. De uitvinding van de telegraaf in
1843 bracht een doorbraak om gegevens over grote afstanden te versturen.
 
Aan het begin van de 20e eeuw waren de theoretische studies naar de atmosfeer nog analytisch en door stelsels
van differentiaalvergelijkingen op te lossen en relatief onbelangrijke termen te verwaarlozen, na 1950 werden de numerieke berekeningen met computers mogelijk.

Toen de Amerikaan Edward Lorenz in de jaren zestig een paar keer een numeriek model op zijn computer had gedraaid merkte hij grote verschillen in de uitkomst van de rekenopgave. Later ontdekte hij dat dit kwam door
kleine afrondingsfouten. Hij merkte dat het weer zich 'chaotisch' gedroeg. De atmosfeer is erg gevoelig voor klein verstoringen. Dit is ook wel bekent als het vlindereffect in de chaostheorie. Het gaf aan dat het weer op de lange termijn nauwelijks te voorspellen is.
 
In 1960 volgde de lancering van de Tiros 1, de eerste weersatelliet. Hierdoor kwam nieuwe informatie beschikbaar,
en werd de informatie ook wereldwijd beschikbaar. Sindsdien zijn weersatellieten samen met andere de aarde observerende satellieten een onmisbaar instrument geworden bij uiteenlopende verschijnselen als bosbranden
en El Niño.