Meteorologische encyclopedie hoofdstuk H
 
Haboeb:
De Haboeb is een wind die het meest voorkomt in het noordelijk en noordoostelijk deel van Soedan. Ze worden gekenmerkt door een wervelende zandmassa, gepaard met een plotse toename van de windsnelheid en verandering in windrichting, een scherpe daling in temperatuur en een zeer slecht zicht.

Ze hebben een duidelijke dagelijkse gang: ze worden hoofdzakelijk in de loop van de namiddag en avond waargenomen, eerder uitzonderlijk tussen 4 en 14h. Het ontstaan van de meeste van deze haboebs schijnt te wijten te zijn aan de ontmoeting van betrekkelijk koude en warme lucht; soms kan de aanwezigheid van koude lucht veroorzaakt worden door het voorbijtrekken van een diepe depressie over het noordelijk gedeelte van Soedan.
 
Een Haboeb
 
Schema Hadleycellen
  Hadley cel:
Genoemd naar George Hadley, die de cellen voor het eerst beschreef is een atmosferische circulatiecel in de tropen, die vanaf de thermische evenaar tot 30 graden naar het noorden of zuiden loopt. De windrichting aan het oppervlak (de passaat) is naar de evenaar toe gericht.Aan de evenaar stijgt warme, natte lucht op tot de tropopauze waar het richting de polen begint te stromen.

Rond de 30e breedtegraad daalt de afgekoelde lucht weer, waardoor hier meestal een hogedrukgebied ligt. De lucht zal daarna weer in de vorm van een passaat naar de evenaar stromen, waarmee de cirkel compleet is. In schematische tekeningen zijn er twee Hadleycellen, één vanaf de evenaar naar het noorden en één vanaf de evenaar naar het zuiden.De breedtegraad waar de Zon recht boven het aardoppervlak staat (de zogenaamde thermische evenaar) verschuift met de seizoenen.

Tijdens de zomerzonnewende staat de Zon boven de kreeftskeerkring, tijdens de winterzonnewende boven de steenbokskeerkring, en op andere momenten ergens ertussenin. Alleen tijdens de equinoxen (op of rond 20 maart en 23 september) staat de Zon precies boven de evenaar. De Hadleycellen volgen de beweging van de Zon met een vertraging en verschuiven dus jaarlijks mee met de beweging van de Zon.
 
Hagel:
Een neerslagvorm bestaande uit ijsdeeltjes met een diameter gaande van enkele millimeter (0,5 tot 5 mm) of tot enkele centimeters (ijbrokken tot meer dan 10 cm grootte).  De snelheid waarmee hagelstenen naar beneden komen is in grote mate afhankelijk van hun grootte. Hagel ontstaat wanneer kleine ijs- en sneeuwkristallen terechtkomen in luchtlagen met grote onderkoelde waterdruppels. Het bovenste deel van een buienwolk,
waar het meer dan 20 °C vriest, bevat ijskristallen, terwijl het onderste deel, met temperaturen tussen -10 en -20 °C, onderkoelde druppels bevat. Dalende en stijgende luchtbewegingen in de wolk jagen ijsdeeltjes door niveaus met veel onderkoeld water. Zo komt ze in botsingen met andere onderkoelde druppels en ijs. De onderkoelde druppels zetten zich af op de ijskristallen, die groeien en ten slotte als hagel uit de wolk vallen. Hagelstenen bestaan vaak uit laagjes die afwisselend mat en helder zijn. In het matte deel zijn op grote, koude hoogten de botsende deeltjes of druppels onmiddellijk vastgevroren; in het heldere deel is vloeibaar water op lagere warmere hoogte ingevangen dat pas later op koudere hoogte bevroren is.
 
 Grootte  Gewicht  Snelheid
 2 cm  4 gr  60 km/uur
 4 cm  30 gr  100 km/uur
 6 cm  100 gr  120 km/uur
 8 cm  250 gr  140 km/uur
 10 cm  450 gr  160 km/uur
 12 cm  800 gr  170 km/uur
 14 cm  1200 gr  180 km/uur
 
Hagelstenen
 
Schade door hagelstenen
 
Hagelbui:
Bui waaruit, eventueel naast regen en/of sneeuw, hagel valt. In de winter komen lichte hagelbuien veel voor. In de zomer valt hagel vaak uit min of meer zware (onweers) buien, waarin de convectie sterk genoeg is om de ijsdeeltjes in de wolk langdurig vast te houden, zodat ze uit kunnen groeien tot grote hagelstenen, die eenmaal onderweg naar het aardoppervlak, niet meer de gelegenheid krijgen te smelten. Omdat de hagelstenen, die soms wel een diameter van enkele centimeters kunnen hebben, met veel geweld naar beneden komen, kan vooral de agrarische sector nogal wat schade door hagel ondervinden.

Hageldag:

Een hageldag is een dag waarop minstens één hagelkorrel is waargenomen.

Hagelschieten:

Methode om zware neerslag van hagel te voorkomen, nogal eens toegepast in wijnstreken. Dreigende cumulonimbus-wolken worden met licht geschut of raketten onder vuur genomen. Men hoopt dat het groeiproces van de neerslagelementen zo vroegtijdig wordt afgebroken en de neerslag veel minder hevig zal zijn. Over het effect van de methode lopen de meningen zeer uiteen.

Half bewolkt:

Term die kan voorkomen in een weersverwachting. De hemel is dan voor ongeveer de helft bedekt met bewolking van willekeurige soorten.
De term wordt niet vaak gebruikt, omdat deze een exactheid suggereert, die niet gegeven kan worden. Zie ook bedekkingsgraad.

Half-meridionale circulatie: (half-zonale circulatie)

Eén van de drie hoofdcirculatietypen uit de circulatieclassificatie. De gemiddelde stroming loopt ongeveer diagonaal ten opzichte van lengte- en breedtecirkels. Het subtropisch maximum is noord- of noordoostwaarts verschoven tot ongeveer 50° noorderbreedte. Voorbeelden van
half-meridionale circulaties zijn de zuidwestcirculatie, de noordwestcirculatie, de hogedrukzone Oceaan-Midden-Europa, de hogedrukzone boven Midden-Europa en de lage druk boven Midden-Europa.

Halfrond: (hemisfeer)

Dit is een helft van het aardoppervlak, het oppervlak van de planeet Aarde. Er zijn verschillende manieren om de Aarde in halfronden te verdelen.
1: In een noordelijk en een zuidelijk halfrond, gelegen ten noorden of ten zuiden van de evenaar.
    Het noordelijke wordt noordelijk halfrond genoemd, het andere zuidelijk halfrond;
2: op vergelijkbare wijze kan de Aarde, gemeten naar de nul-meridiaan, verdeeld worden in een Oostelijk halfrond en een Westelijk halfrond.
3: het halfrond waar zich het grootste aandeel landoppervlak bevindt, wordt landhalfrond genoemd; het halfrond met het  grootste aandeel wateroppervlak waterhalfrond.

Half tot zwaar bewolkt:

Term die in een weersverwachting kan voorkomen. Bedoeld wordt een verwachte bedekkingsgraad van de bewolking van vier tot acht achtsten, overeenkomend met een zonneschijnpercentage van 10-40%. De term wordt voor overdag en ’s nachts gebruikt. Een overeenkomende zonneschijnterm is: af en toe zon.

Halne:

Lokale wind in het Tatra-gebergte, op de grens tussen Slowakije en Polen. De halne waait overwegend uit zuid tot zuidwest. Het is een warme valwind met föhneigenschappen.
 
Halo:
Optisch verschijnselen ontstaan ten gevolge van breking van zon- of maanlicht in ijskristallen. Bijvoorbeeld gekleurde kringen met de zon of de maan als middelpunt. Kringen om de zon zijn echter allerminst zeldzaam, gemiddeld iedere twee of drie dagen is er ergens in ons land wel zo'n kring te zien en elders in de wereld is dat niet anders.

Met de regenboog heeft het verschijnsel niets te maken. Een regenboog ontstaat door weerkaatsing van zonlicht in regendruppels, een halo door weerkaatsing in ijs. Naast de kring kunnen allerlei vormen zichtbaar zijn zoals bogen in verschillende richtingen die raken aan de kring, lichtzuilen boven de zon en lichtvlekken aan weerszijden van de zon. Deze meestal prachtig gekleurde vlekken zijn geregeld te zien en worden bijzonnen genoemd.

Halo's hebben een voorspellende betekenis: een kring om zon of maan is vaak een voorbode van een weersverslechtering.
 
Halo rond de zon
 
Halo-verschijnselen
Volledige of gedeeltelijke, gekleurde of witte ringen om de zon of de maan. Ze zijn zeer verschillend van uiterlijk en komen meestal voor in wolken
in hogere luchtlagen, zoals cirrus en cirrostratus, of bij lichte ijsnevel. Deze ijsnevel of hoge bewolking is soms zo ijl dat hij niet te zien is.
De halo is dan de enige aanwijzing van de aanwezigheid van deze bewolking of nevel. De halo wordt veroorzaakt door de breking en terugkaatsing
van zon- of maanlicht in en op de ijskristallen waaruit de genoemde bewolking bestaat.Van de vorm en de oriëntatie van de kristallen zal afhangen in welke vorm de halo zich vertoont. Soms zijn verschillende vormen tegelijk aanwezig. De voornaamste vormen zijn: de halo van 22° (kleine of gewone kring), de halo van 46° (grote kring), de parhelische ring, de raakboog, de circumzenitale boog, de bijzon, de tegenzon en de bijtegenzon, de onderzon en de lichtzuil. Haloverschijnselen, die zich in de buurt van de zon bevinden, zoals de kleine kring en de bijzonnen, zijn het best te observeren door een zonnebril. Bij de maan zijn de halos met het blote oog goed waar te nemen, zij het dat door de geringe lichtsterkte de kleuren niet te zien zijn.

Harde ruige rijp: (ruige vorst)

Korrelige en gewoonlijk witte ruige rijp, bezet met kristallijne vertakkingen van ijskorrels die min of meer gescheiden zijn door ingesloten lucht.

Harde wind:

Een harde wind of windkracht 7 op de schaal van Beaufort komt overeen met een 10 minuut gemiddelde windsnelheid van 50 - 61 km/uur (13,9-17,1 meter per seconde). In een harde wind is het lastig om tegen de wind in te lopen of fietsen. Hele bomen raken in beweging. Kleine vogels zoeken
een schuilplek en vlinders en horzels vliegen niet meer. Een harde wind veroorzaakt op het water hogere golven met overal brekende koppen en schuimstrepen. Windkracht 7 of meer wordt in De Bilt jaarlijks gemiddeld slechts in 0,03% van het totale aantal uren gemeten, in De Kooy bij
Den Helder is dat 2,18%, in Vlissingen 3,48%.

Harmattan:

De harmattan is een warme en droge noordoosten- tot oostenwind die over het noordwesten van Afrika waait. Hij beïnvloedt een gebied dat zich uitstrekt tot 5° noorderbreedte in januari en tot 18° noorderbreedte in juli. In de hogere luchtlagen vindt men hem terug ten zuiden van deze limiet
waar hij boven de zuidwestmoesson stijgt.

Hectopascal:

De officiële eenheid voor de luchtdruk. 1 hPa = 100 Pascal (1 Pa = 1N/m²). Eén hectopascal is hetzelfde als één millibar. Eenheid van druk,
de kracht per oppervlak, volgens het Internationale Systeem van Eenheden. De Pascal is genoemd naar de Franse geleerde Blaise Pascal (1632-1662), die vooral bekend werd om zijn natuurkundige wetten voor vloeistoffen en gassen. De luchtdruk is normaal op zeeniveau ruim 100.000 Pascal. Hecto betekent honderd, zodat 100.000 Pascal gelijk is aan 1000 hectopascal (hPa). De meeste barometers vermelden de luchtdruk tegenwoordig in hPa. Vroeger werd de millibar gebruikt, maar de millibar is exact gelijk aan de Hectopascal. Een andere maat is de millimeter kwik: 760 mm kwik = 1000 mbar = 1000 hPa.

Heiigheid:

Beperking van het zicht door uiterst kleine droge deeltjes die in de lucht zweven maar zelf niet of nauwelijks zichtbaar zijn. Heiigheid legt door verstrooiing van licht in de minuscule deeltjes een rood- of blauwachtige sluier over het landschap.

Heiligenschijn:

Verschijnsel dat kan worden waargenomen een in bedauwd weiland. Het is een heldere, witte vlek rond de schaduw van het hoofd van de waarnemer zelf. Hoewel dit verschijnsel ontstaat door reflecties in waterdruppels, behoort het niet tot de regenboogverschijnselen.

Helder:

Een wolkeloze hemel wordt in de meteorologie als helder gecodeerd. In het weerbericht wordt de term ook gebruikt voor een vrijwel wolkeloze lucht in de nacht. Helder kan op betrekking hebben op het zicht; vooral in polaire lucht uit noordelijke breedten is het zicht meestal goed onder meer doordat er weinig verontreiniging in die lucht zit. Echter, wanneer de sterren opvallend aan de hemel staan te fonkelen kan dat een spoedig einde betekenen van het mooie weer. Dat wijst op aanvoer van koude, zeer droge lucht in de hogere lagen van de atmosfeer.

Heldere periode:

Term die kan voorkomen in een weersverwachting. De term is de nachtelijke tegenhanger van perioden met zon, met als toevoeging dat het zicht goed moet zijn. Wanneer dat niet het geval is wordt de term opklaringen gebruikt.

Heldere ruige rijp:

Gladde, homogene en gewoonlijk doorzichtige ruige rijp, tamelijk vormloos en met een hobbelig oppervlak. Wat de vorm betreft, lijkt de heldere ruige rijp op ijzel.

Helderheidsniveau:

Gemiddelde helderheid (zichtbaarheid) van de objecten en oppervlakken in de onmiddellijke omgeving van een waarnemer die een zichtafstand schat.

Heliograaf:

Toestel om de hoeveelheid zonneschijn te registreren. Bestaat uit een massief glazen bol met daarachter een diagram. Wanneer de zon schijnt brandt deze een spoor in het diagram. De lengte van het brandspoor is een maat voor de totale zonneschijnduur.

Hellingswind:

Bij mooi weer overdag wordt een aan de zon blootgestelde (berg)helling door de zonnestraling verwarmd. De lucht die zich dichtbij de helling bevindt, wordt daardoor meer verwarmd dan deze die zich op enige afstand van de helling bevindt. Deze warmere lucht is lichter en gaat stijgen (anabatische wind) en wordt op zijn beurt vervangen door lucht die zich aanvankelijk op enige afstand van de helling bevond. Na enige tijd ontstaat er een gesloten circulatie. Tijdens de nacht krijgen we net de omgekeerde situatie: door de nachtelijke uitstraling koelt de berghelling meer af en zo ook de zich onmiddellijk daarboven bevindende lucht. Wij krijgen een dalende hellingswind (katabatische wind).

Hellman pluviometer:

Naar Gustav Hellmann, Duits meteoroloog, 1854 - 1939. Deze neerslagmeter bestaat uit een cilindervormige opvangbuis (200 cm²) met een trechter op de bodem. Deze trechter zelf bevindt zich op 1 m boven het aardoppervlak en mondt uit in een fles.
 
Hellman Koudegetal:
Classificatie van de kou in het winterperiode gebaseerd op het dagelijks etmaalgemiddelde van de temperatuur. Dat is het gemiddelde over 24 uur,
dat bepaald wordt uit de 24 uurlijkse temperatuurmetingen op een dag.
Alle etmaalgemiddelden beneden het vriespunt over de periode 1 november tot
en met uiterlijk 31 maart worden opgeteld, zodat uiteindelijk één (koude)getal wordt verkregen. Daarvan wordt het minteken weggelaten.

De methode om winters te classificeren werd geïntroduceerd door de Duitse meteoroloog Gustav Hellmann (1854-1939). Voordeel is de mogelijkheid van
een tussentijdse balans van de kou. Bovendien telt ook vorst in het voor- en naseizoen meetelt, dit in tegenstelling tot meteorologische winter die alleen betrekking heeft op de kalendermaanden december, januari en februari.
 

Koudegetal 

Hellmann (H)

Classificatie Frequentie
 > 300 Streng 1x in de 50 jaar
160 - 300 Zeer koud 1x in de 10 jaar
100 - 160 Koud 1x in de 3 jaar
40 - 100 Normaal -
20 - 40 Zacht 1x in de 3 jaar
10 - 20 Zeer zacht 1x in de 10 jaar
0 - 10 Extreem zacht 1x in de 50 jaar
 
Helmholtz Hermann von: (1821 - 1894)
Deze Duitse wetenschapper maakte reeds studies over thermische cyclonen tijdens de tweede helft (jaren zeventig) van de 19de eeuw. Hij was de grondlegger van de theorie over het "polaire front" (1888).

Helmwind:
Een sterke, koude, katabatische en buiige NO'sten wind langs de westelijke hellingen van de Cross Fell bergen in Cumbria, NW Engeland.
Het fenomeen komt vooral gedurende de late winter en de lente. De naam "helm" komt van een typische wolkenbank die boven de bergtoppen blijft hangen, soms ook "cap cloud" genoemd.

Hemisfeer:

Halfrond, helft van hemel- of aardbol.

Hemmer Jacob: (1733- 1790)

Was hofkapelaan van de keurvorst Karl Theodor von der Pfalz (1724- 1799), organisator en wetenschappelijk leider van de "Societas Meteorologica Palatina", en de grondleggers van de klimatologie in Europa (Mannheimer Zeit). Hun netwerk omvatte 39 stations, 36 in Europa, 1 in Groenland en 2 in Noord-Amerika.

Hemoeremeisch:

Een klimaatclassificatie onder betrachting van de gemiddelde maandwaarden van temperatuur en neerslag: 8 tot 11 droge maanden, geen vorstmaand

Hemoeremeisch koud:

Klimaatclassificatie onder betrachting van de gemiddelde klimaatclassificatie betrachting van de gemiddelde maandelijkse waarden van temperatuur en neerslag: 9 tot 10 droge maanden, enkele vorstmaanden.

Henry Joseph: (1797- 1878)

Amerikaans wiskundige, een van de pioniers die hielpen bij de opbouw van een waarnemingsnet in de VS. In 1847 stelde hij de uitbouw van een stationsnet voor "Solving the problem of American Storms". Eén van zijn voorstellen in het jaar 1849 was om de weerstations op te richten in de nabijheid van telegrafie posten. Het netwerk groeide van 100 stations in 1850 tot ongeveer 350 in 1869, de meesten ervan in het oosten van de VS.

Herfst:

Eén van de 4 seizoenen. De astronomische herfst begint rond 23 september wanneer de dag- en nachtperiode exact even lang zijn. De weerkundige herfst start echter reeds op 1 september en omvat ook nog de maanden oktober en november. In dit seizoen treden de eerste (najaars-)stormen op.

Herfsteclips:

Verschijnsel waardoor tijdens de herfst in de nachtelijke uren geen beelden gemaakt kunnen worden door de geostationaire weersatellieten.
Het kenmerk van de geostationaire weersatelliet is dat deze met dezelfde snelheid rond de aarde draait, als de omwentelingssnelheid van de aarde en dus boven de zelfde plaats op aarde blijft hangen. De geostationaire weersatellieten staan alle op ongeveer 36.000 km hoogte, recht boven de evenaar. De energie wordt geleverd door zonnecellen op de satelliet zelf. Door de schuine stand van de aardas ten opzichte van de zon bevindt de satelliet zich in de herfstnacht enkele uren in de schaduw van de aarde, waardoor hij onvoldoende energie ontvangt om beelden te kunnen maken.

Hergesell Hugo: (1589 - 1938)

Deze Duitse aëroloog ontwikkelde o.a. de theorie van de pilot-ballon of de meting van de hoogtewinden door middel van een ballon met een nauwkeurig berekende stijgsnelheid, een chronometer, een theodoliet, ... en de rest is driehoeksmeetkunde.

Herodotus van Halikarnassos: (484 - 425 v.C.)

Grieks historicus, hij overleverde ons een nauwkeurige beschrijving van het Egyptisch klimaat in de buurt van Memphis o.a. met vragen naar de oorzaak van het jaarlijks wassen van de Nijl.

Heon van Alexandrië: (ongeveer 62 v.C.)

Grieks mathematicus en beoefenaar van de ingenieurskunst, die o.m. de volumeverandering van lucht volgens temperatuurschommelingen onderzocht.

Herschel Sir John: (1792 - 1871)

In zijn tijd bekend Engels astronoom en beoefenaar van de (onuitroeibare) astro-meteorologie, maakte weerprognoses gebaseerd op de maanstanden.

Hesodius: (700 v.C.)

Grieks dichter, uitblinker in bloemrijke beschrijvingen van weer en klimaat. Hij beschreef echter ook, en wetenschappelijk verantwoord, de hydrologische kringloop.

Heterosfeer:

Uit het Grieks: heteros = anders geschapen. Dit deel van de atmosfeer, ongeveer vanaf een hoogte van 120 km, in dewelke de samenstelling van de atmosfeer verandert. M.a.w. het moleculair gewicht van gassen verandert ingevolge o.m. de ontbinding van zuurstof (dissociatie) en diffusie.

HIRLAM:

High Resolution Limited Area Model. Het is een rekenmethode welke bij het KNMI gehanteerd word voor het maken van weersverwachtingen.
Met deze methode berekend men acht maal per dag een verwachting voor de komende 48 uur. E.e.a. gebeurd volgens de zgn 'finemesh-methode' wat inhoudt dat de roosterpunten voor de berekening 11 kilometer uit elkaar liggen.

Hittedraadanemometer:

Een anemometer, waarbij de warmte-overdracht wordt gemeten van een elektrisch verwarmde metaaldraad aan de omringende lucht. Bij grote windsnelheid wordt meer warmte aan de langsstromende lucht afgestaan dan bij kleinere windsnelheden. Het gemeten warmteverlies is hierbij een maat voor de windsnelheid.

Hittefilmanemometer:

Een anemometer waarvan het principe overeenkomt met dat van de hittedraadanemometer. Bij de hittefilmanemometer wordt echter gebruik
gemaakt van een metalen strip i.p.v. een draad.

Hittegolf:

In Nederland is officieel sprake van een hittegolf als de maximumtemperatuur in De Bilt gedurende tenminste vijf dagen elke dag 25°C of hoger is (zomerse dagen) en in dat tijdvak bovendien op zeker drie dagen minstens 30°C is bereikt (tropische dagen). Een hittegolf is dus een serie van minstens vijf zomerse dagen, waarvan er zeker drie tropisch zijn. Een hittegolf komt statistisch in ons land ongeveer eens in de drie jaar voor, maar soms zit er veel meer of juist minder tijd tussen. Tussen 1951 en 1974 was er geen enkele hittegolf op, maar alleen de zomer van 1947 telde er vier.
 
Hitte-index:
Warm en vochtig weer voelt drukkend aan en langdurige hitte kan vooral
voor ouderen en zieken uitputtend zijn. Ook voor mensen met een goede conditie is een hittegolf vermoeiend omdat de combinatie van hitte en vocht hoge eisen stelt aan hart- en bloedvaten. Naar aanleiding van ervaringen
met hete zomers, zoals die van 2003 en 2006, die in Europa aan veel mensen het leven kostte, zijn verschillende landen, waaronder ook ons land, begonnen met waarschuwingen en gedragsadviezen wanneer sprake is van een hittegolf.

De Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) nam naar aanleiding van deze ervaringen het initiatief om de hitte index onder de aandacht te
brengen. De index beschrijft de warmteoverdracht tussen lichaam en omgeving.  Als de omgevingstemperatuur warmer is dan de lichaamstemperatuur kan dat gevaar opleveren voor de gezondheid.
De hitte index, die geldt voor zonnig weer, wordt bepaald uit een combinatie van temperatuur en vochtigheid.
 
 
 Temp  Relatieve luchtvochtgheid (%)
  0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100
 50°C 44 49 56 51              
 45°C 40 43 46 52 59 61          
 40°C 36 38 40 43 46 51 56        
 35°C 32 33 34 35 37 39 42 45 50    
 30°C 27 28 28 29 30 31 31 32 34 36 38
 25°C 23 23 24 24 25 25 25 26 26 26 26
 20°C 18 18 18 19 19 19 20 20 20 20 20
 
Groot gevaar Gevaar Voorzichtigheid geboden Blijf alert
Hitte-index volgens Steadman Bron: KNMI
 
De tabel vermeldt ook wat de gevolgen van de verschillende waarden voor de mens kunnen zijn en wanneer de gezondheid bij grote lichamelijke inspanning gevaar loopt. Deze absolutendex is ontwikkeld door de Amerikaan Robert Steadman, die ook een windchill-index voor de combinatie van vorst en wind bedacht. Daarnaast wordt in verschillende landen gewerkt aan de ontwikkeling van een relatieve klimaatafhankelijke index,
waarin bijvoorbeeld ook de bijdrage van minimum- en maximumtemperatuurordt meegewogen. Hoe we warmte ervaren hangt niet alleen af van zonnestraling, temperatuur en vochtigheid, maar ook van onze inspanning, gezondheid, kleding, voedingspatroon en zweet. Hitte leidt tot transpiratie en vochtverlies en daarom is het belangrijk om ter compensatie bij heet weer regelmatig te drinken. Door verdamping van transpiratievocht koelt de huid af, omdat verdamping energie kost. Bij tropische temperaturen van 30 graden en hoger komt warmte-afgifte vrijwel alleen tot stand door verdamping. In vochtige lucht is de verdamping echter minder dan in droge lucht en voelt het warmer aan (drukkend), vooral als een verkoelende
wind ontbreekt.

Hittestress:

Verschijnsel tijdens een periode met uitzonderlijk warm weer. Wanneer vochtverlies van het menselijk lichaam, door overmatig transpireren,
niet of weinig wordt aangevuld kunnen grote problemen ontstaan. Het lichaam droogt uit en zelfs een hartaanval of een beroerte kan het gevolg zijn. Vooral ouderen en zieke mensen zijn gevoelig voor deze hittestress. Vandaar dat er tijdens warm weer wordt geadviseerd veel te drinken.

Hodograaf:

Grafiek waarmee de verandering van de horizontale temperatuurverdeling rond een bepaalde plaats op het aardoppervlak kan worden bepaald aan de hand van windwaarnemingen op diverse hoogten, verkregen uit een oplating van een radiosonde.

Hoge wolken:

Wolken op 6 tot 12 kilometer hoogte die voornamelijk bestaan uit ijskristallen. Bekend zijn de sluier- of cirruswolken (cirrus, cirrocumulus en cirrostratus) en de contrails, sporen in de lucht die vliegtuigen achterlaten. In cirruswolken is vaak een gekleurde ring rond de zon te zien, een zogenaamde halo, wat vaak wijst op een weersverslechtering.

Hogedrukgebied:

Gebied met een hogere luchtdruk dan de omgeving, ook wel hoog of anticycloon genoemd. Een uitloper van het hogedrukgebied wordt een rug van hoge druk genoemd, een snel passerend hogedrukgebied een trekrug of tussenhoog. Het bekendst is het Azorenhoog bij de Azoren dat ontstaat
door de uitwisseling van warmte tussen de tropen en de poolgebieden. De positie van dat hogedrukgebied is een belangrijke sturingsfactor van het weer in West-Europa. Een hogedrukgebied biedt vaak mooi weer maar door de rust in de atmosfeer kan het ook mistig of bewolkt zijn.
Ook bij hoge barometerstanden kan het soms regenen.

Hogedrukzone boven Midden-Europa:

Eén van de luchtcirculatietypen. Dit circulatietype is een half-meridionale circulatie. Er ligt in deze situatie een krachtig hogedrukgebied boven het noordwesten van Europa: van Frankrijk tot Polen en van Zuid Scandinavië tot over de Britse eilanden. De invloed van de Iagedrukgebieden blijft
buiten dit gebied.

Hogedrukzone Oceaan-Midden-Europa:

Eén van de luchtcirculatietypen. Dit is een half-meridionale circulatie. Er ligt in deze situatie een langgerekt hogedrukgebied van Rusland, over onze omgeving tot over de Atlantische Oceaan. De lagedrukgebieden volgen een zeer noordelijke of zuidelijke koers.

Holle wind:

Benaming uit de zeilwereld van een koude wind uit het noorden. Tegenover gestelde is een bolle wind voor een warme wind uit het zuiden. Een holle wind wordt ook wel een dichte wind genoemd.

Homogeen:

Betekend: overal gelijk.

Hondsdagen: (periode van grote hitte)

De tijd van de hondsdagen is een zomerperiode waarin het weer vaak erg warm en broeierig kan zijn. De combinatie van hoge temperaturen en een hoge luchtvochtigheid maakt dat het geregeld benauwd aanvoelt en onweersachtig is. Het weerbeeld tijdens de Hondsdagen is trouwens in enkele gevallen onstabiel. Vandaar ook de weerspreuk behorend bij Sint Margriet dat op 20 juli valt; “Regent het op Sint-Margriet, dan zes weken regen dat het giet.” De hondsdagen werden in de Romeinsetijd ook wel beschouwd als de droogste tijd van het jaar. Heel dikwijls wordt in deze tijd het topje van de zomer bereikt. Maar als het weer in de 'Grote Hond-periode' wisselvallig is dan herstelt het zich vaak moeilijk. De benaming 'hondsdagen' is ontleend aan de hondsster Sirius. De hondsster is in de ochtendschemering zichtbaar op onze breedte tussen 19 Juli en 18 Augustus. De naam hondsdagen komt ook uit de tijd toen er nog geen koelkasten bestonden want het eten bedierf sneller en het werd dan vaak aan de hond gevoerd.

Hoofdregenboog:

De meest opvallende regenboog. Deze ontstaat als de invallende lichtstralen door de regendruppel eerst bij het intreden worden gebroken,
vervolgens in de druppel eenmaal worden gereflecteerd en hierna bij het uittreden nogmaals worden gebroken. De hoofd regenboog kan men zien
als men met de rug naar de zon staat. Het middelpunt van de boog is het tegenpunt van de zon en ligt dus even ver beneden de horizon als de zon
er boven staat. Het rood staat aan de buitenkant van de boog. De straal van de regenboog is 42°, waaruit volgt dat hij alleen te zien is als de zon lager staat dan 42° boven de horizon.

Hoog:

Hogedrukgebied. Daar is een luchtkolom zwaarder dan in de omgeving.

Hoogwater:

Hoge stand van het water in de rivieren of van de zee die kan leiden tot overstromingen. De waterstanden worden nauwlettend gevolgd door het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) in Lelystad. Op basis van meteorologische gegevens van het KNMI zoals de verwachte hoeveelheid en intensiteit van de neerslag in de strooomgebieden van de rivieren maakt het RIZA bij (kritische)
hoogwatersituaties speciale hoogwaterberichten. De verwachtingen, die berekend worden door de computer, zijn gebaseerd op uitkomsten van rekenmodellen. Ook storm kan leiden tot hoge waterstanden, maar dan langs de kust. Een stormvloed is een sterke verhoging van de zeespiegel langs de kust door de wind. Het KNMI maakt verwachtingen van de waterstanden en stormvloedwaarschuwingen op basis van het astronomisch
getij en de verwachte golfhoogtes onder invloed van de wind. Het broeikaseffect leidt on deze eeuw tot meer en zwaardere neerslag en een zeespiegelstijging tussen 10 en 90 cm. Voor de waterhuishouding in ons land heeft dat grote gevolgen.

Hoogtefront:

Front (of frontvlak) dat niet tot aan het aardoppervlak doorloopt, maar alleen in de bovenlucht te vinden is. Een hoogtefront kan ontstaan doordat het frontvlak bij het passeren van een bergrug aan de onderkant is afgesneden of omdat het frontvlak in de onderste delen van de atmosfeer is vervaagd. Onderscheiden worden hoogtekoufronten en hoogtewarmtefronten.

Hoogtekaart: (absolute topografie, hoogtestromingskaart)

Aërologische kaart waarop een analyse of een prognose is gemaakt van stromingspatr0nen en een aantal meteorologische grootheden op een bepaald drukvlak. Hoogtekaarten zijn nuttige hulpmiddelen voor de meteoroloog bij het analyseren van weersituaties. De diverse stromingspatronen geven informatie over de eigenschappen, zoals temperatuur en vocht, van de aangevoerde lucht op de diverse drukvlakken en de ontwikkeling van het weersverloop.

Hoogtekoufront:

Hoogtefront waarachter zich, in de bewegingsrichting gezien, koudere lucht bevindt.

Hoogtewarmtefront:

Hoogtefront waarachter zich, in de bewegingsrichting gezien, warmere lucht bevindt.

Hoogtemeter:

Zie altimeter.

Hoogtewind: (bovenwind, hoogtestroming)

Stromingen van de lucht op bepaalde hoogten. Deze worden gemeten tijdens aërologische waarnemingen. Door de gehele atmosfeer heen kunnen richting en snelheid van de wind sterk variëren. Ten behoeve van de meteoroloog worden in het algemeen alleen de standaarddrukvlakken 850 hPa (ca. 1500 m), 700 hPa (ca. 3000 m), 500 hPa (ca. 5500 m) en 300 hPa (ca. 10.000 m) op weerkaarten gepresenteerd. De hoogtewinden zijn voor de weersverwachtingen van groot belang. Deze winden bepalen immers waar op de diverse hoogten de lucht vandaan komt. Wat is de temperatuur van die lucht?, wat is de vochtigheid? en wat is de kans op bewolking op die bepaalde hoogte? zijn vragen waarmee de meteoroloog zich doorlopend bezighoudt. Bijvoorbeeld een situatie met een noordenwind aan het aardoppervlak en op enkele kilometers hoogte een zuidenwind: de noordenwind
aan het aardoppervlak voert (in het algemeen) koude lucht aan en de zuidelijke bovenwind voert warmere lucht aan, met als resultaat in dit geval een zeer stabiele opbouw van
de atmosfeer.

Hoos:

Een dikwijls hevige wervelwind die samenhangt met een wolk, in de vorm van een zuil of een omgekeerde kegel (slurf of trechter), die uit de basis
van een cumulonimbus komt. Een dergelijke windhoos neemt doorgaans grote hoeveelheden waterdruppeltjes, stof, zand, papier e.d., die van de
zee of de grond worden opgewaaid, met zich mee.

Horizon: (einder, gezichtseinder, kim)

Maximale zichtafstand bij helder weer. Deze wordt gemarkeerd door een doorlopende rechte lijn rondom de waarnemer, waar het aardoppervlak lijkt samen te komen met de lucht.

Horizontaal zicht:

Horizontale afstand waarop een voorwerp, van bepaalde grootte, te zien en te herkennen is. Het zicht wordt bepaald door meteorologische omstandigheden, zoals heiigheid, nevel, mist en neerslag. In zware regen kan het zicht teruglopen tot minder dan 500 m, bij motregen,
afhankelijk van de intensiteit, tot waarden van 500 m tot 3 km. De invloed van vallende sneeuw op het zicht is zeer groot. Matig vallende sneeuw
doet het zicht gewoonlijk teruglopen tot omstreeks 1000 m. Bijzware sneeuw kunnen de zichtwaarden zelfs variëren van 200 m tot minder dan 50 m.

Howling fifties:

Een beukende lokale wind op de oceanen van het zuidelijk halfrond. De naam stamt waarschijnlijk van walvisvaarders en andere zeelieden die in de 19de eeuw de oceanen bevoeren. De winden geselden de handelsroutes naar het zuiden, tussen 40 en 50° ZB, ongehinderd door continenten en bergketens.

Humide klimaat:

Klimaat waarin in elke maand van het jaar de neerslag groter is dan de verdamping. Wisselen natte en droge maanden elkaar min of meer regelmatig af, met andere woorden: kan men van één of meer droge tijden en één of meer natte tijden spreken, dan is er sprake van een semi-humide klimaat, zoals in West-Europa.
 
Humidex:
Deze waarde wordt berekend door de combinatie van de luchttemperatuur, vochtigheid en waterdampdruk. De waterdampdruk E wordt berekend in hPa (mB) en dit blijkt een hele nauwkeurige formule te zijn voor temperaturen groter dan 0 °Celsius Echter, de humidex is pas zinvol als zijn waarde groter is dan 30. Dit treedt op bij luchttemperaturen boven de 23 °C en een dauwpunt van 15 °C of hoger. Ook wel de behaaglijkheidwaarde genoemd. 
 
 Humidex (°C)  Situatie
 20 - 29  Comfortabel
 30 - 39  Wisselende mate van onbehagen
 40 - 45  Oncomfortabel
 > 46  Veel soorten werk moeten worden beperkt
 
Humulis:
Nederig, laag, onaanzienlijk, klein.

Hummock:

In zee drijvende onregelmatig gevormde ijshopen. Ze ontstaan door het herhaaldelijk tegen elkaar stoten van dikke ijsschollen of ijsvelden,
waarvan vervolgens brokken aan elkaar vastvriezen. Hummocks kunnen soms wel tot 10 mtr boven het zeeniveau uitsteken.

Hupe:

Lokale wind op Tahiti. De hupe is een typische landwind.

Hurricane:

Een hurricane is een tropische orkaan met gemiddelde windsnelheden van meer dan 117 km/h in het gebied van de Atlantische Oceaan.
Deze orkanen zorgen voor schade door wind, zware regen en stormvloed in de Verenigde Staten, met name de Amerikaanse oostkust, Mexico, Midden-Amerika en het Caribisch gebied met de Bovenwindse Eilanden. Meteorologen kunnen de koers en ontwikkeling van een hurricane aardig inschatten op basis van computerberekeningen van de atmosfeer. Actuele waarnemingen, ook vanuit vliegtuigen spelen een belangrijke rol in de voorspellingen. Onduidelijk is in hoeverre klimaatveranderingen invloed op hurricanes; de klimaatmodellen spreken elkaar tegen.

Hybride verduistering:

Zonsverduistering die langs een deel van het eclipspad ringvormig en langs een deel totaal is.

Hydrometeoren:

Verzamelnaam voor alle soorten neerslag zoals daar zijn: mist, nevel, regen, motregen, ijzel, sneeuw, motsneeuw, korrelsneeuw, ijsnaaldjes,
hagel en ijsregen.

Hydrosfeer:

Alle water op aarde, dus het geheel van oceanen, zeeën, rivieren, ijs- en sneeuw en ook het grondwater.

Hygrograaf:

Automatisch registrerende hygrometer.

Hygroscopisch:

Wateraantrekkend.
 
Hygrometer:
Toestel voor het meten van de relatieve luchtvochtigheid. Werkt meestal op het principe dat ontvet paardenhaar langer wordt bij stijgende luchtvochtigheid. Een hygrometer geeft de verhouding tussen de actuele hoeveelheid waterdamp en de maximale hoeveelheid die de lucht kan bevatten, gegeven de heersende temperatuur.
Het ijken van een hygrometer gebeurd door alle openingen af te dekken behalve één. Door deze ene opening blaast men uitgeademde lucht, deze is meestel verzadigd van vocht, en de hygrometer moet dan 100% aanwijzen.Buitenshuis kan de relatieve vochtigheid enorm variëren, van minder dan 20% tot 100%, binnen ligt die meestal tussen 60 tot 70%. De vochtigheidsmeter is ouder dan de thermometer: de eerste ideeën voor het meten van de vochtigheid werden al in 1452 in Italië uitgewerkt. Het instrument bestond toen uit een spons die aan een balans was opgehangen. Vochtigheidsmeters werden eind zeventiende eeuw populair, toen in de vorm van een weerhuisje, waarin bij (mooi=droog weer) een vrouwtje naar buiten draaide en bij slecht (=vochtig weer) het mannetje. De weerhuisjes, die waarschijnlijk in Zwarte Woud hun oorsprong vonden, zijn tegenwoordig een geliefd souvenir.

Hygroscopische deeltje:

Deeltje dat vocht aan de lucht onttrekt. Zo'n hygroscopisch deeltje werkt als een condensatiekern en speelt op die manier een belangrijke rol bij de vorming van wolken en neerslag. 
 
Haar Hygrometer
 
Hypsometer: (hoogtemeter)
Een barometer die bestaat uit een niet afgesloten vat dat gevuld is met een vloeistof die aan de kook gehouden wordt. Bij dit instrument wordt
gebruik gemaakt van het gegeven dat het kookpunt van een vloeistof afhangt van de omringende luchtdruk. Zo is het kookpunt van gedestilleerd
water gelijk aan 100°C bij een druk van 1 atmosfeer (= 1013,3 hPa). Als de luchtdruk 960 hPa is, kookt dit water al bij 98°C. De temperatuur van de kokende vloeistof is dus een maat voor de heersende luchtdruk.